COUR DE CASSATION TE PARIJS


Raadsheer

BYE, Pieter Jacob de, Personalia: NH * Den Haag 11-12-1766 - + Den Haag 19-12-1836; zn. van mr. Arend Herbert, advocaat, en Elisabeth Coolbrant Jansdr.; tr. 1791 Elisabeth Jacoba van der Does (ged. 24-7-1770), dr. van mr. Johan Hendrik, schepen te 's-Hertogenbosch en Margaretha Elisabeth Doom (dr. van mr. Jacob, secretaris van Schiedam); Loopbaan: studie rechten en filosofie Leiden (promotie in drie richtingen, rechten, filosofie en artes liberales 1791); 1791 advocaat voor het Hof van Utrecht, 1792 lid van de Kamer van Justitie van Vianen en de Ameiden, in 1795 werd deze Kamer van Justitie opgeheven en praktiseerde hij als advocaat, 1804 raad in het Departementaal Gerechtshof van Utrecht, 1806- 1810 advocaat-fiscaal over de middelen te water en te lande Utrecht met een tractement van fl.2000,-, tevens in 1808 lid Staatscommissie herziening financiŽle wetten, 1815-1823 lid commissie tot het werk der begrotingen der staatsbehoeften, 1816 referendaris 1e klasse bij de Raad van State, 1816- 1818 commissaris-arbiter inzake de liquidatie met Frankrijk, 1823 administrateur voor het armwezen en de gevangenissen, 1826 lid Raad van State, waarin hij de koning zeer volgzaam was; Opgave 1810: verklaarde gehuwd te zijn en vader van zes kinderen; Bronnen: Van hem is een autobiografie bewaard: Korte beschrijving van den levensloop van Jonkheer Mr. Pieter Jacob de Bye, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid van de Raad van State en der Utrechtse Ridderschap...(hs. UB Leiden, Ltk 879; Vermeld in Lindeman, Egodocumenten, nr. 344) Schutte, Orde, 208; NNBW X, 166-167; NA 80 (1989) 578; Verdam, Civiele Cassatie, 555; Nationaal Archief MJP, 330, nr. 235; Van der Aa, I, onder B, 519- 521; Mommers, 367; Van Maanen, 1900, 95.

TOULON, Lodewijk van; Personalia: NH; * Gouda 17-8-1767 - + Utrecht 5-1-1840; zn. van mr. Martinus, regent en patriot te Gouda, en Adriana Maria van Eyck; tr. 1791 Johanna van Nispen, dr. van mr. J. van Nispen, raadsheer Hof van Holland. Loopbaan: studie rechten Utrecht (promotie 1785); commies-generaal der Posterijen, commissaris voor de Franse veldpost, secretaris-generaal der Posterijen, secretaris tot de cijfers van Staat, lid van de raad van Den Haag, lid van de departementale en stedelijke armencommissies, 1807 staatsraad in gewone dienst, sep 1808 hoofdofficier van Den Haag, tevens staatsraad in buitengewone dienst, 1815 burgemeester van Gouda, 1817 lid Provinciale Staten van Holland, 1818-1831 lid Tweede Kamer, in 1830 gedurende de Belgische Opstand voorzitter Tweede Kamer, in dat jaar tevens staatsraad in buitengewone dienst, 1831-1840 gouverneur van Utrecht; Opgave 1810: verklaarde dat zijn vermogen vrijwel geheel uit Hollandse effecten bestond, uit hoofde van zijn bijzondere missie als hoofdofficier van Den Haag genoot hij een toelage van fl.9000,-, waarvan fl. 3000,- uit de stadskas, bovendien genoot hij 1/3 van de boeten en ca. fl.1500,- als substituut-fiscaal van de middelen te lande; hij was toen gehuwd en had vijf kinderen; Bronnen: M.W. van Boven, "Lodewijk van Toulon 1831-1840" in: P.A. Blok e.a. (ed.) "Veel tact en de noodige geschiktheid". Gouverneurs en commissarissen in de provincie Utrecht 1814-1997 (Utrecht 1997); Schutte, Orde, 148; NNBW V 955-957; Verdam, Civiele Cassatie, 556; Nationaal Archief MJP,332, 120; Van der Aa, VII onder T, 61; L. van Toulon, Auto-biographie (Utrecht, z.j. Vermeld in Lindeman, Egodocumenten, nr. 335); Nationaal Archief, Archief Van Toulon van der Koog; UA, Familiearchief Des Tombe, 1485-1948.

REUVENS, zou na aanvankelijke benoeming Keizerlijk Gerechtshof (zie aldaar) toch lid Hof van Cassatie worden.