's-Grevelduin, Sprang-Capelle, Capelle, Nederveen, Zuidewijn, Vrijhoeven-Capelle, Neerven, Schrevelduin, Sydewinde, Zidewinde.

's-Grevelduin, Schrevelduin, 's-Grevelduin-Capelle



De vorming van 's Grevelduin-Capelle:


's-Grevelduin-Capelle, meestal Capelle genoemd, en de naburige dorpen Raamsdonk, Waspik en Besoijen zijn eertijds ontstaan als veendorpen langs de hoge zandrug, die zich door een moerassig gebied van Geertruidenberg tot Waalwijk uitstrekte.
Deze zandrug werd verhoogd tot dijk tegen wintervloeden. Tevens werd hij de plaats, waarlangs de huizen van genoemde dorpen gebouwd werden.
(bron: Nationaal Archief)

Omstreeks 1230 werd op de zuidelijke grens van Holland en Brabant de "Heidijk"aangelegd, als onderdeel van de inpoldering van de Grote of Zuidhollandse Waard. De waterstaatswerken dienden ter ontginning van de streek achter Dordrecht en tot bevordering van de veeteelt, landbouw en zoutnering aldaar.
De oudst bekende overlevering dateert van eind augustus 1257.
Walterus, ridder van Aalburg, genaamd Spirinck, en zijn vrouw Ysalda schonken toen hun goederen aan de Abdij van Sint-Truiden. Daaronder bevonden zich de tienden van Waspik (Waspich) en Capelle (Capella) oftwel het recht om bij de boeren een tiende deel van de oogst te innen en dit te gebruiken voor het onderhoud van een kapel of kerkje in deze omgeving.
Waarschijnlijk vormden Waspik en Capelle in 1257 één parochie. Er was dus ook een kerk, zodat het aantal inwoners al een zekere omvang had bereikt.

Het is niet bekend, of Capelle toen al een eigen dorpsbestuur had. Mogelijk is dat pas later ingesteld, nadat door graaf Jan II van Henegouwen en Holland op 9 juni 1303 handvesten, wetten en rechten voor die van het platteland van Zuid-Holland waren vastgesteld. Ieder dorpsbestuur werd daarbij bepaald op een richter of schout en zeven heemraden of schepenen.
(bron: Nationaal Archief)

De ontginning van de Langstraat vanaf de Maas (het Oude Maasje) zuidwaarts werd een halve eeuw later ter hand genomen. De graaf van Holland, Jan II van Henegouwen en Holland (1247-1304), gaf aan het einde van de 13e eeuw en in de 14e eeuw het gebied uit aan verschillende leenmannen. Zij trokken kolonisten aan, bouwden er kerken en lieten vaarten en straten aanleggen. Zo ontwikkelden zich de ambachtsheerlijkheden Sprang, Besoijen, waar de Heer een kasteel bouwde, Zuidewijn, Nederveen, Klein-Waspik, Groot-Waspik, Raamsdonk, 's Gravenmoer en Vrijhoeve.

Het bezit van deze streek is lange tijd betwist door de graven van Holland en de hertogen van Brabant. Na beslechting der twisten werd de grens tussen de beide gewesten nader vastgesteld en wel in 1325 en 1388. Sedert die tijd liep de grens tussen Holland en Brabant ter plaatse zodanig, dat Oosterhout, Dongen, Loon op Zand en Waalwijk bij Brabant behoorden en het gebied daartussen en ten noorden daarvan tot Holland.
(bron: Nationaal Archief)

Ten zuiden van deze heerlijkheden en ten noorden van de grens van Holland met Brabant bleef lange tijd een wildernis, een moerasgebied. De eerste Heren in deze streek dateren mogelijk pas uit de 15e eeuw: in 1339 had het geslacht Heijsterbach een deel van de moeren (of een gedeelte) in hun bezit, in 1414 wordt Willem Schrevel (+1441) met een vierde van het gebied beleend.
Kort daarop krijgt de streek te maken met de St.Elisabethsvloed van 17/18 november 1421. De inspanningen van de voorafgaande eeuw gingen voor een groot deel verloren. De kerk van Raamsdonk bleef gespaard, maar die van Waspik en die op de grens van Nederveen en Zuidewijn niet. Een grote strook grondgebied bij de Maas (het Oude Maasje) bleef, tot de uitvoering van de Delta werken in deze eeuw, ongeschikt voor bewoning.
In de nacht van 17 op 18 november 1421 werd bovengenoemde landstreek getroffen door de St. Elisabethsvloed. Deze spoelde de dijk weg, evenals de huizen. In de zwaar getroffen dorpen her-stelde zich het leven maar langzaam. Met de aanleg van een nieuwe Langstraatweg werd in 1442 begonnen. Deze was ongeveer een kilometer zuidelijk van de vorige gelegen.
(bron: Nationaal Archief)

De in de Langstraat gelegen ambachtsheerlijkheden 's-Grevel-duin-Capelle, Nederveen-Capelle en Zuidewijn-Capelle vormden op bestuurlijk terrein een dorp met een dorpsbestuur, genaamd Capel-le. In de heerlijkheden Nederveen-Capelle en Zuidewijn-Capelle was geen bewoning.
Op het terrein van de rechtspraak bezat elk der genoemde heerlijkheden haar eigen territorium en schepenbank.
(bron: Nationaal Archief)

De opeenvolgende rentmeesters-generaal van Holland gingen zich persoonlijk druk maken om de verdere ontginning van deze streek. Eerst bezat Jacob Tack een deel van de tot later tot een eenheid gevormde heerlijkheid 's Grevelduin-Capelle. Deze verkocht in 1442 1/4 deel aan de heer van Nederveen, Jacob van Gent, en gaf het resterende deel over aan zijn ambtsopvolger Godschalk Oom van Wijngaarden. Deze nam van Margaretha van den Poel Raamsdonk over als een vorm van kwijtschelding en in 1443 van Gillis van Wendelnesse Groot-Waspik en Elf-en-een-halve Hoeve. Zijn bezit 's Grevelduin-Capelle ging dertig jaar later over op zijn zoon Tielman, die het in 1473 verkocht aan Adriaan Schrevel. Door vererving en huwelijken kwamen verschillende delen van 's Grevelduin-Capelle in één hand.

Ook de vormalige baljuw van Zuid-Holland, ridder Dirk van der Merwede, bekommerde zich sterk om de Langstraat. Nadat hij in 1415 de heerlijkheid 's Gravenmoer verworven had, breidde hij zijn bezit in de Langstraat uit met een deel van 's Grevelduin-Capelle, Zuidewijn, Nederveen en Baardwijk. Ridder Dirk van der Merwede was inmiddels drossaard, rentmeester en kastelein van het Land van Heusden geworden en had zich gevestigd op het kasteel te Meeuwen.
Op 17 oktober 1442 verkregen hij en andere lokale ambachtsheren van het stadsbestuur van Dordrecht het recht een dijk en een straat aan te leggen van Geertruidenberg tot Besoyen. De Zeedijk, Banddijk, Winterdijk of Langstraat werd aangelegd op de rivierkleilaag, ten zuiden van het onder water gelopen heerlijkheden Klein-Waspik, Nederveen en Zuidewijn. Achter deze dijk ontwikkelde zich het leven verder.

Op zeker moment zal één van de heren van 's-Grevelduin-Capelle een richter of schout hebben aangesteld. Meestal werd deze voor het leven benoemd. De schout is rechter in oude zin; het eigenlijke gerecht wordt gevormd door een buurspraak of een college van schepenen, elders gezworenen genoemd. Zij hadden zitting als vertegenwoordigers van de bevolking van het ambacht, ook al werden zij in Holland door de ambachtsheren aangewezen.
(bron: Nationaal Archief)

Uit verschillende leengoederen ontstond eind zestiende eeuw of begin zeventiende eeuw de ambachtsheerlijkheid 's Grevelduin-Capelle. Deze lag ten zuiden van Nederveen, Zuidewijn, Besoijen, ten oosten van Sprang en Vrijhoeve, ten noorden van de Brabantse heerlijkheden Loon op Zand en Dongen, ten westen van 's Gravenmoer en Groot-Waspik. De grens tussen de gewesten Holland en (Staats-)Brabant werd gevormd door de Loonse Dreef en de Zuidhollandse Dijk ten zuiden van de Heistraat.

Het grondgebied van de gemeente 's Grevelduin-Capelle werd in 1811 uitgebreid met Nederveen en Zuidewijn. De gouverneur van Noord-Brabant bepaalde op 19 januari 1815, dat de Moeren van Hedel (ten westen van de Hogevaart onder Capelle) voortaan deel uitmaakte van Vrijhoeve-Capelle.

In de 13e tot de 16e eeuw was de ambachtsheerlijkheid Schrevelduin, nu onderdeel van de gemeente Sprang-Capelle, in handen van het geslacht Wendelnesse. De Wendelnesseweg in Capelle herinnerd hier nog aan.
Ook het ambacht Nederveen was van oorsprong in het bezit van de familie Wendelnesse.

De kom van 's Grevelduin-Capelle ontwikkelde zich westwaarts richting Nieuwevaart en haven. Het dorpsbestuur kreeg op 13 maart 1738 octrooi van de Staten van Holland voor de aanleg van een keibestrating, zodat er rijtuigen over de weg konden rijden. Ook mcht het een weekelijkse markt houden in de maanden maart-april en november-december. Op 4 november vond de eerste marktdagplaats. Er werden vijf tot zeshonderd beesten en vijftig tot zestig paarden verhandeld en verschillende kramers hadden onder andere laken bij zich.
In 1806 kwam er in het nabij gelegen Waspik een markt, die tweemaal per jaar gehouden werd. Vanuit de haven voeren marktschippers op Dordrecht en Rotterdam.

Aan de huidige Poolsestraat stond de molen van 's Grevelduin-Capelle. Het recht van de wind berustte bij de Heer van Capelle. Volgens de akte van 27 juni 1669, waarbij Hubertus van Ravenschot de heerlijke rechten verkoopt aan Philips Hendricx van Steenhuijs, stond er een korenmolen, een rosmolen en een molenhuis. De heer verpachtte de molen aan de familie Van Oosterhout. De molenaar haalde het graan bij de boer op en behield bij het malen 1/16 deel van het graan als betaling voor het verrichte werk. Het pad naar de Molen of Molensteeg was lange tijd de enige verbinding tussen de Willem van Gentsvaart en de Nieuwevaart. Tot 1868 was het bezit van de heer. Er werd namens hem tol geheven van passerende vertuigen, die niet bij de molen hoefde te zijn. Het gemeentebestuur maakte aan deze ongewenste situatie een einde door het zandpad op eigen kosten te verharden met grind. De molen werd in 1928 afgebroken.
In de heerlijkheid Nederveen werd over de Oude Maas een veerverbinding onderhouden. Deze groeide uit tot de enige oeververbinding voor rijtuigen tussen Breda en Gorinchem. 's Grevelduin-Capelle profiteerde niet alleen van de doortrekkende reizigers, maar had op een een of andere wijze ook het recht van verpachting van het veer verworven. De verpachting geschiedde door het dorpsbestuur van 's Grevelduin-Capelle voor acht jaar en bracht in de 18e eeuw jaarlijks gulden op. De veerman was de enige, die in de na St.Elisabethsvloed verlaten polders woonde. De weg naar de pont werd in 1769 bestraat met klinkers, moppen en straatstenen. Na de omwenteling van 1795 kreeg de Capelse veerman van concurrentie van collega's, die tot dan toe alleen lokaal bestemmingsverkeer mochten overzetten.
In 1811 vorderde de rijksoverheid het veer en pas in oktober 1814 kwam het terug aan het dorpsbestuur. Ondertussen werd aan de oostkant van Geertruidenberg een nieuwe verbinding over de Oude Maas aangelegd als onderdeel van de rijksweg van Parijs-Antwerpen-Amsterdam, die in 1816 in gebruikgenomen werd. Het Capelse veer verloor aan regionale betekenis. Het veer maakte plaats voor een brug toen aan het einde van de vorige eeuw noordelijker de Bergse Maas gegraven werd. Over deze nieuwe waterweg kwam een nieuwe veerverbinding richting Dussen. In het zuiden van 's Grevelduin-Capelle lag de Dreef, een binnenwegrichting Kaatsheuvel, waarbij het huis van een commissaris een draaiboom stond en weggeld geheven werd. Langs deze weg konden de dorpelingen naar Tilburg.
De Langstraatdijk werd in 1845-1846 verder bestraat. Vier jaar later ging deze weg onderdeel uitmaken van de doorgaande route van 's Hertogenbosch, Vlijmen, Nieuwkuik, Drunen, Baardwijk, Waalwijk, Besoijen, Capelle, Waspik, Raamsdonk naar Geertruidenberg. De provinciale overheid nam de gestaakte kosten over en beheerde de weg tot in de jaren 1990.

In 1915 was er in 's Grevelduin een Rijkstelegraafkantoor (hulphoofdkantoor) geopend. Eene openbare spreekcel is gevestigd in het Hulptelegraafkantoor.



Bron: - Gemeentearchief Waalwijk - Iventaris Administratie Archief 's Grevelduin-Capelle



Stuur Uw suggesties naar: brandesstamboom@hotmail.com


HOME



Vrijhoeve-Cappel, aktes van overlijden 1813 t/m 1823


Vrijhoeve-Cappel, aktes van overlijden 1824 t/m 1829


Vrijhoeve-Cappel, aktes van overlijden 1830 t/m 1839


Vrijhoeve-Cappel, aktes van overlijden 1840 t/m 1849




View My Stats










Bronvermelding:
Schutjes, Geschiedenis (1872), pag. 899
OA Capelle, inv.nr. 39 en resoluties 07-03-1686.
Resoluties 09-01-1766
Resoluties 15-06-1712
Resoluties 27-08-1738
Resoluties 06-09-1797
Resoluties 01-05-1798.
Resoluties 06-10-1806. Volgens Bijsterveld, Kerk (1993), p.399.
E-mail: gemeentearchief@waalwijk.nl
Encyclopedie van Brabant
Heemkunde Vereniging Sprang-Capelle
Thanks To:
Geschiedenis van het Dorp Capelle Sprang-Capelle, Noord-Brabant, Nederland - Website van Sportvereniging Capelle
Dutch Civic Arms - Nederlandse Overheidswapens