Sprang, Capelle, Vrijhoeven, Nederveen, Zuidewijn, 's-Grevelduin, Sprang-Capelle, Capelle, Vrijhoeven-Capelle, Neerven, Schrevelduin, Sydewinde, Zidewinde.

Sprang




Twintig hoeven, die volgens de stichtingsakte, waarvan een kopie is bewaard, lagen ten westen van het Loenremeer voor St.Geertruidenberg, in de richting van Die Sprenghe, het beekje waaraan Sprang zijn naam te danken heeft.
Sprang behoort tot het dorp Sprang-Capelle.

Het gebied bestaande uit Capelle, Vrijhoeve-Capelle, Sprang, Zuidewijn en Labbegat, werd op het einde van de 13e eeuw door de graaf van Holland, Willem V van Holland, verkregen door de hertog van Brabant. Op 3 juli 1313 gaf Willem V Graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland, Heer van Friesland aan Huno Laurenz van Wieldrecht twintig hoeven, moer en wildernis in erfpacht.
Twintig hoeven, die volgens de stichtingsakte, waarvan een kopie is bewaard, ten westen van het Loenremeer lagen voor St.Geertruidenberg, in de richting van Die Sprenghe, het beekje waaraan Sprang zijn naam te danken heeft.
Huno Laurenz van Wieldrecht kreeg toen tevens het recht om over de bewoners recht te spreken "van sinen moer op den Spranc bi Beysoeyen".
Het was toen nog een onherbergzame, gevaarlijke streek "vol quade moeren ende laechten", die in het Brabantse land uitliepen maar aan Holland toebehoorden. Al eerder had graaf Willem III van Holland omstreeks 1305 aan twintig vrije lieden met hun gezinnen "twintch hoeven moers vuyt elcke hoeve van XVI morgen", uitgegeven. De grond werd uitgedolven en er werden dijkjes en staatjes aangelegd. Toen men eenmaal zover was, bleven 240 morgen bruikbaar land "wesende licht bruikbaar land" over. Op die plek verrees het dorp "Dye Sprancke oft Spranghe" genoemd.

Het ambachtsheerlijkheid Sprang behoorde in de 15e en 16e eeuw toe aan het adellijke geslacht Van der Duin, de Van der Duinstraat in Sprang refereert hier nog naar. Verondersteld is, dat deze Heren begonnnen waren als schout, die met de heemraden, later schepenen, de dorpsrechtbank uitmaakte.
Na 1440 werd de Winterdijk aangelegd, als gevolg van de St.Elisabethsvloed (1421). Er bleven toen enkele wielen (wiel= plas die na een dijkbreuk of overstroming is ontstaan) over, o.a. die van Zuidewijn.
In 1500 had het dorpje nog maar 600 inwoners, in 1600 waren dat er 1000, die in de Nieuwstraat, de Oudestraat en aan de Vaart woonden.
De landbouw was vanaf het begin af aan een middel van bestaan, maar voldoende was dit niet, ook het turfsteken speelde er een grote rol. De meeste inwoners van Sprang waren echter aangewezen op werk elders, zoals uit een archiefstuk blijkt: Omdat het "den schamelen ingeseten onmogelijck is den cost te winnen moeten sy op andere plaetsen ende in andere landen met haeren arbeyt den cost gaen winnen", zoals "in de Vriese ender Gelderse venen". Daarom ook gingen ook anderen werk zoeken in omliggende dorpen, Holland, Brabant en zelfs Zeeland. De turfgraverij had ook tot gevolg gehad, dat het dorp te kampen kreeg met een slechte ontwatering. Grote gebieden ten zuiden van de banddijk van de Langstraat waren door de St.Elisabethvloed onder water komen te staan in 1421. Veenbanken konden hierdoor niet meer worden ontgonnen.
Aanvankelijk was Sprang een katholiek dorp, waar al vrij vroeg een kapel kwam te staan, waarvan de kerk van Loon op Zand de moederkerk was. In 1325 stond er al een bedehuis en in 1329 noemde de pastoor van Loon op Zand, Henricus Stiercken, zich "pastoir van Venloen en Spranghe". Vanuit zijn oude parochie leidde hij de kapelaandienst van Sprang. De helft van de tienden waren voor de pastoor de andere helft voor de graaf. Graaf Philips van BourgondiŽ wees die tienden in 1464 toe aan pastoor Jan van Beringen van Loon op Zand en Sprang, maar als voorwaarde werd uitdrukkelijk gesteld, dat de pastoor er voor moest zorgen, dat de katholieken van Sprang zouden worden bediend en dat er minstens tweemaal per week, op zondag en op donderdag, een mis zou worden gelezen. Verder bepaalde graaf Philip van BourgondiŽ dat de kapel van Sprang na de dood van deze pastoor "zou geenigeert worden in eender parochiekercke". De pastoor overleed omstreeks 1474. De kapel werd verbouwd en vergroot; omstreeks 1475 waren toren en kerk voltooid. Op een klok vastgelegd: 'S butendyc maeckte mi, 1475. Elck eere my, al ic bescrey de doden ende roep den levende toe Godes dienste. Een eigen pastoor heeft Sprang nooit gekregen, de parochie bleef onder supervisie van Loon op Zand.
Tijdens de Tachtig Jarige Oorlog, in 1610, werd de kerk op staat van de Staten van Holland aan de hervormden gegeven. De eerste predikant was Cornelis Hanecop. Al vrij gauw raakte de kerk in verval. Rond 1600 was er bij Sprang het Cnoppen Ambacht deze moest gelegen zijn aan/bij de Sprangse Sloot.
In 1624 slaat de Prins van Oranje voor de winter zijn kamp op in de Langstraat, waarbij de graaf van Mansveld zijn Franse, Engelse en andere buitenlandse troepen in Sprang en Vrijhoeve laat logeren. Gevolg: alle granen en ander voedsel wordt in beslag genomen en gedurende de winter worden inwoners telkens als gijzelaar vastgezet.
In 1625 breekt na het vertrek van de legers uit de Langstraat de pest uit. "Deze epidemie is zo hevig "dat het meeste part der menschen daeraff alsdoen zijn gestorven, daerdoer vele landerijen eenige jaeren lanck ledich ende vogelweije zijn blijven liggen". (bron: Stichting Adriaean Snoermans Fond)
In 1636 liggen de troepen van de prins van Oranje te Sprang, maar de brigade van de hertog van Bouillon slaat het kamp gedurende twee maanden op binnen de heerlijkheid, namelijk aan de Vaart. Deze brigade rooft en vernielt alle rogge, boekweit en andere veldgewassen, maar breekt ook nog eens zo'n zeventig huizen en schuren af, om het hout te gebruiken voor het opbouwen van eigen hutten en barakken. ("sijnde alsdoen bij ende doer het leger ende voetvolck int maecken van henne hutten, boijen ende bracken wel LXX huijssen en schueren totaliter inden gront afgebrooken, ende allen het hout soe opgaende als andere tenemael afgehouwen ende vernielt"). In een verklaring, afgelegd door twee inwoners van Sprang, lezen we nog over de afbraak van de huizen: dat "inde voors. heerlicheijt ende dorpe van Loon opt Sant doer het voetvolck ende infanterije desselffs legers gansselijck affgebroken ende geruineert zijn drije en vijfftich woonhuijsen ende schueren, negen turffhuijsen, sulcx dat noch kelders noch schoorsteenen daer aff overgebleven zijn".
In 1666 heerschte hier ene pest, die er reeds lang gewoed en vele menschen ten grave gebragt hadt. In 1748 lagen op de heide, tusschen Loon op Zand en Waalwijk, de Staatsche en Duitsche hulpbenden gelegerd. Hier was, van den 30 October tot den 27 November, hunne laatste legerplaats, wijl de vrede, te Aken getroffen, den 18 November dadelijk werdt getekend; waarover, zo door het klein geweer, als door het kanon, door deze gelegerde benden ene grote vreugde werdt bedreven. (bron: Steph. Hanewinkel Geschied- en aardrijkskundige beschrijving der Stad en Meierij van 's Hertogenbosch (1803) Stichting Adriaean Snoermans Fond)



Ariaen Willem Heymans, borgemeester van Sprang in 1596.
Willem Wouters Claess de Bont, bierbrouwer te Sprang (<1608).
Willem Heymens (Heijmans) (Ü 1602), schout van Sprang sinds minstens 1564 en rentmeester van de ambachtsheer aldaar. (BBL 1977)
ca. 1740: Melchior Josephus de Villegas, baanderheer van Lovost en Pellenbergh, heer van Sprang.


DE GEMEENTEWAPENS VAN HERPT EN SPRANG:
Deze beide gemeenten voerden voorheen hetzelfde wapen:
in zilver drie rode kussens, l en 2.
Herpt is in 1935 als zelfstandige gemeente opgeheven en bij Heusden geannexeerd, terwijl aan de huidige gemeente Sprang-Capelle 26 October 1939 een geheel nieuw wapen werd verleend.
Andere wapens van Herpt en Sprang dan de hierboven vermelde zijn niet bekend. Wat Sprang betreft, in 1530 zegelde er de richter ten verzoeke van de heemraden, daar het dorp toen geen eigen zegel had. Hetzelfde herhaalde zich in 1554. (R. Sprang 43, fol. 2 en 267. Mededeling van Mr J. P. W. A. Smit).
Enige tijd geleden heeft het heenikundig maandblad ĄMet gansen trou" (II, 157) er op gewezen, dat ook de Heusdense familie Rietveld het wapen met de drie kussens heeft gevoerd en inderdaad blijkt de oorsprong van de beide gemeentewapens bij deze familie te moeten worden gezocht.
Op 18 April 1832 is te Heusden op 77-jarige leeftijd overleden de burgemeester der stad Johan Albertus RÔetvel't van Herpt en Sprang. Hij werd te Heusden geboren en 27 April 1755 in de gereformeerde kerk aldaar gedoopt als posthuum zoon van Johan Rietvelt, notaris te Heusden, en Alida Boll, die in de maand Augustus 1736 in de gereformeerde kerk te Genderen waren getrouwd, hij als jongeman van Heusden, zij als jongedochter van Genderen.
Johan Albertus Rietvelt is 19 October 1802 voor schepenen van Heusden in het huwelijk getreden met Anna Maria Roomer, geb. Heusden, ged. ald. (geref.) 28 Augustus 1757, gest. Heusden 4 Maart 1814, dr van Cornelis Roomer en Maria Bouwman.
In 1809 wordt J. A. Rietvelt als secretaris van Herpt vermeld; bij het overlijden van zijn echtgenote in 1814 was hij penningmeester van stad en lande van Heusden en burgemeester der stad.
Wanneer en op welke wijze de heerlijkheden Herpt en Sprang in zijn bezit zijn gekomen, is mij niet bekend.

J. P. H. Goossens, Vlijmen (Bron: Brabantse Leeuw 1953).

Herpt en Berne vormden een heerlijkheid in het land van Heusden. (Berne hoort tegenwoordig bij Kerkwijk door een omlegging van de Maas).
De burgemeester stuurde in 1815 en 1816 een brief, waarin hij een afdruk van het plaatselijke zegel opstuurde. Hij sprak zichzelf in beide brieven echter tegen; in de eerste brief wer het al sinds onheugelijke tijden gebruikt, in de tweede was het wapen net aangnomen, omdat Herpt geen wapen had gevoerd...
Het ontwerp bestond uit het wapen met de drie kussens. Dit wapen is ontleend aan het wapen van de familie Rietveld van Herpt en Sprang. De familie is afkomstig uit Heusden en bekleede daar belangrijke posities, o.a. burgemeesters. In 1818 werd Johan van Rietveld ook heer van Herpt en Berne. Daarvoor was hij sinds 1809 secretaris van de heerlijkheid.
In het manuscript Beelaerts van Blokland wordt voor de heerlijkheid een geheel ander wapen gegeven, namelijk: "gedwarsbalkt van azuur en keel van zes stukken, over alles heen een karbonkel van goud."
De oorsprong van het wapen is niet bekend, wel lijkt de karbonkel op een band met Kleef te duiden.
In 1993 stelde de Noordbrabantse Commissie voor Wapen- en Vlaggenkunde voor het wapen te gebruiken als dorpswapen en tegelijkertijd de kleur van het veld van goud te maken. Dit is meer in overeenstemming met het wapen van Rietveld.
Literatuur : Brekel, 1993b; Beelaerts van Blokland, 17??
(Bron: Nederlandse Gemeentewapens, Gemeentewapen Herpt en Gemeentewapen Sprang)

1811:
In 1811 moest de torenspits voor de helft worden gesloopt. Deze plek werd uitverkozen om een seintoestel op te plaatsen, dat in 1816 weer werd opgeruimd en er werd een kleine spits op de toren geplaatst. In het begin van de 19e eeuw bemerkte men dat de kerk aan het verzakken was. In 1911 werd zij gerestaureerd.
Ondertussen was Sprang van de turfstekerij steeds meer overgeschakeld op de hooibouw, veeteelt en veehandel. Naast de landbouw gingen de bewoners zich ook toeleggen op de industrie van de Langstraat, namelijk schoenen en leer.
Sprang is tot 1813 Hollands grondgebied gebleven, in 1923 onstaat uit de voormalige gemeenten, Vrijhoeve-Capelle, Sprang, Capelle, de nieuwe gemeente Sprang-Capelle.



Stuur Uw suggesties naar: sprang_capelle@hotmail.com


HOME



View My Stats










Bronvermelding:
Encyclopedie van Brabant
Heemkunde Vereniging Sprang-Capelle
Thanks To:
Geschiedenis van het Dorp Capelle Sprang-Capelle, Noord-Brabant, Nederland - Website van Sportvereniging Capelle
Dutch Civic Arms - Nederlandse Overheidswapens
Cees Heystek
Stichting Adriaean Snoermans Fond