Pilegift & Engelenbrood, de dood, huwelijk, verloving, kennismaking en de rituelen daarom heen
Pilegift & Engelenbrood

geschreven door Vicky Van Bockhaven



De tekst heb ik van een boekje dat ik gekregen heb tijdens mijn bezoek aan het Museum "Het huis van Alijn" te Gent.
Het museum heeft een leuke, uitgebreidde collectie van dingen uit het dagelijks leven uit de periode rond de 19 eeuw.
Men vindt hier foto's en gebruiksvoorwerpen, speelgoed, en veel meer uit deze perode.
Voor een genealoog of voor iemand die interesse heeft in geschiedenis, is het zeker de moeite waard om een een bezoekje te brengen aan dit leuke museum als men in Gent is.

De onderstaande tekst geeft weer hoe men in (katholiek) Oost-Vlaanderen omging met de dood, huwelijk, verloving, kennismaking en de rituelen daarom heen.


Het geloof


Afdwingen van bescherming en genezing


De mens stelt zich vragen over de zin van geboorte, ziekte, lijden en dood. De religie biedt de mens een verklaring voor zijn levensvragen en bescherming tijdens onzekere momenten.
Bij ziekte smeekt men genezing af.

In het volksgeloof richt men zich voor elke kwaal tot een bepaalde heilige. De heilige Coleta verzocht men om een goede bevalling. Tot de heilige Anna wendde men zich voor een goed huwelijk. Sint Jozef was de patroonheilige voor een goede dood.
Op bedevaarten offerde men aan de heilige in kwestie, wassen en metalen ex-voto's en brandde men kaarssen ter bescherming en genezing van mens en dier. Ook relikwieën - vermeende overschotten of stukjes kledij van heiligen - schreef men een beschermende werking toe. Om te genezen at men ook letterlijk bedevaartzantjes op.

Bij drempelmomenten zijn er vele rituelen om mens tegen heksen en demonen te beschermen. De heks had het op bijzonder gemunt op de vruchtbaarheid van een getrouwd koppel. De bruidsluier zou oorspronkelijk gediend hebben om de bruid onherkenbaar te maken voor heksen.
Door het sluiten van de ogen van de dode - de spiegel van de ziel - vermijdt men dat kwade geesten bezit nemen van het lichaam. Zout, brood, wijwater en het kruisteken waren belangrijke middelen om zich te beschermen tegen hekserij.


De Dood


Afscheid van het aardse tranendal en opname in de eeuwige gelukzaligheid.


De christelijke begrafenis staat in het teken van de wederopstanding. Dit komt duidelijk tot uiting in de grafschriften en bidprentjes.
De mens heeft ambilante gevoelens ten aanzien van dit ultieme afscheid. Men heeft verdriet om het verlies van een dode, maar men heeft ook angst voor de dode.
De nabestaanden vreesden dat de overledene hen wilde meenemen in de dood, of dat de dode de overtocht naar de hemel niet zou maken. Een dergelijke ziel zou blijven rondspoken en de mensen lastig vallen. Men stelde bijgevolg alles in het werk om de overtocht zo goed mogelijk te late verlopen en om de terugkeer van de doden te bezweren.

Een gelovige moest zuiver zijn en vrij van zonden om naar de hemel te kunnen gaan. Daarm kreeg de stervende de laatste sacrementen - de biecht, de communie en het heilig Oliesel - toegediend.
De angst om eeuwig te schroeien in de hel was groot.
Voor de berechting werd naast het sterfbed een gelegeheidsaltaar geïnstalleerd. De kaars die de stervende in zijn hand hield, werd in de volksmond ook wel de "reisstok" genoemd. De dood werd verkondigt door het "wenen" van de klok.
Men moest allerlei rituele voorschriften in acht nemen om te verhinderen dat de ziel van de dode terug zou keren.
Men sloot de ogen van de dode, bedekte de spiegels, hield de ramen en rolluiken gesloten, en keerde de glazen oom om te beletten dat de ziel van de dode zich erin zou schuilhouden. Opdat de dode niet het geluk van het huis met zich zou meevoeren, werden haarlokken en stukjes nagels van handen en voeten weggenomen en bewaard in de familie. Van oudsher wordt aan menselijk haar een bijzondere (levens)kracht toegekend. Soms maakte men ter nagedachtenis ook haarsouveniers uit de lokken van de overledene.

De dode werd thuis afgelegd en opgebaard op het bed waar hij zijn doodsstrijd had afgestreden, gekleed in zijn mooiste hemd, zijn zondags pak of zijn huwelijkskledij.
Het wassen en afleggen van het lichaam, en het waken bij de dode was een burenplicht.
Als laatste groet gaf men de dode een kruisteken met een wijwater gedrenkte palmtak.
Men waakte bij de dode en bad voor zijn zielerust. De lijkgeur wed verdreven door middel van allerlei huismiddeltjes zoals het branden van wierrook en het leggen van vergemalen koffie onder het sterfbed.
Het leven van de rouwenden stond stil: de klok werd stilgezet, er mocht geen muziek gespeeld noch gefeest worden. Men droeg zwarte rouwkledij opdat de familieleden onherkenbaar zouden zijn voor de dode. De duur van de rouwperiode hing af van de verwantschap met de dode en zijn sociale positie.
De begrafenisplechtigheid met de koffietafel of "uitvaart" is een definitief afscheid aan de overledene. Het dode lichaam wordt bij de familie weggehaald en krijgt een definitieve rustplaats op het kerkhof.
Hoewel de dood de 'grote gelijkmaker' noemt, komt bij de begrafenis de sociale stand van de overledene duidelijk tot uiting. Voor de kerkelijke uitvaart bestonden verschillende klassen. Tot onegeveer 1940 was het gebruikelijk om na de eerste-klasse-lijkdienst brood uit te delen aan de armen. Pas vanaf 1953 werden de lijkkoetsten vervangen door gemotorisserde lijkwagens.


Zwangerschap, geboorte en doopsel.


Ten gevolge van een negatieve seksualiteitsvisie praatte men niet ver de zwangerschap. Een zwangere vrouw probeerde haar toestand te verbergen onder wijde rokken. Nieuwsgierige kinderen vertelde men dat de kindjes uit de (bloem)kolen kwamen of werden gebracht door de ooievaar.

In het begin van de 20ste eeuw overleden nog vele moeders en kinderen in het kraambed. Door de beperkte hygiëne en de gebrekkige medische kennis was de geboorte een riskant gebeuren. In Oost-Vlaanderen hoopte men de bevalling in goede banen te leiden door de moeder te omringen met kerkkaarsen en andere beschermende middelen. Ook magische middelen kwamen ter bevordering van de bevalling. Men zette bijvoorbeeld een roos van Jericho in een kommetje met water. Deze woestijnroos opent zich in contact met water. Men plaatste zeze in de kraamkamer opdat de baarmoeder zich ook zou ontsluiten.
Op medisch vlak werden er enkele grote stappen gezet. In de 19e eeuw werd ether voor de eerste keer als ontsmettingsmiddel en pijnstiller gebruikt. Een belangrijke stap was de uitvinding van de verlossingstang. Met deze tang kon men bij een moeilijke bevalling het geklemde hoofd makkelijker te voorschijn halen. Jan Palfijn, een Gents chirurg, populariseerde het gebruik van dit instrument. (het werd eerst alleen bij de 'rijken' gebruikt)
Na de bevalling verbleef de moeder veertig dagen in haar woning. De kerk beschouwde haar toestand die voortvloeide uit een seksueel contact als onrein.
Tijdens deze periode kreeg de kraamvrouw bezoek van de buurvrouwen die koffie, peperkoek of eieren meebrachten. Bij dergelijke speciale gelegenheden dronk men een glaasje jenever, de "wijn van het volk" en at men pannenkoeken of peperkoek.

Men geloofde dat het kind werd geboren met de erfzonde. Bij het doopsel wordt het met water en olie de erfzonde weggewassen en wordt het kind opgenomen in de christelijke gemeenschap.
Uit schrik voor een onverwachte dood doopte men kinderen binnen de drie dagen na de geboorte, anders zouden ze eeuwig blijven ronddwalen als "dwaallichtjes".
Bij een moeilijke bevalling werdt ook wel een doopspuit gehanteerd. De spuit bevatte wijwater en spoot men de inhoud in de baarmoeder, zo als dat het kind zou sterven deze niet zou blijven ronddwalen als een dwaallichtje.
Bij de doop legde de priester het kind een schapuliertje op. Deze amulet met de afbeelding van heiligen beschermde het kind tegen onheil en ziekte. De witte doopkledij symboliseert de zuiverheid van het gedoopte kind.
Vroeger gebeurde de naamgeving tijdens het doopsel, de naam werd soms geheim gehouden tot het doopsel. Vroeger was de dag van het doopsel, de naamdag, belangrijker dan de geboortedag.
Namen werden van generatie op generatie doorgegeven. Het kind kreeg de voornamen van de peter, meter of van de dagheilige van de doopplechtigheid. Aangezien het kind te jong was om zelf een geloofsbelijdenis af te leggen, deden peter en meter dit in zijn naam. Tot aan het vormsel fungeren zij als een tweede stel ouders en staan zij in voor de christelijke opvoeding van hun petekind.
Bij het doopsel schonken zij een "pillegift"aan hun petekind. Typische pillegiften zijn de tinnen doopschaal en de wieg.
Zij betaalden ook de suikerbonen die na de doopplechtigheid werden uitgedeeld aan buren en familie. Familiebanden concretiseren zich ook in de attributen die van generatie op generatie worden doorgegeven zoals het doopkleed, de doopkaars en de wieg.
Na de kerkelijke plechtigheid hield men de "tweede plechtigheid" in de herberg of organiseerde men een doopfeest voor de familie.
Als de kraamvrouw na veertig dagen weer het huis mocht verlaten, deed ze haar eerste kerkgang om zich te ontdoen van haar seksuele onreinheid. Het einde van de kraamperiode werd gevierd met een "kinnekeskermis".


Groei naar volwassenheid.


Het onderricht op school stond in functie van het katholieke geloof. Kinderen moesten vrome, gelovige volwassenen worden. Orde, discipline en tucht waren de pijlers van het onderwijs.
Ongehoorzame kinderen kregen van het zweepje of moesten met hun knieën in hun klompen gaan zitten. Vanuit de school en het gezin voedde men de kinderen op in een rollenpatroon. Jongens en meisjes werden op school gescheiden.
Meisjes werden opgevoed tot huisvrouwen, toegewijde moeders en echtgenotes. Ze leerde breien, borduren en naaien. Hun borduursteken oefenden ze op een merkklap, zo leerden ze tegelijkertijd de cijfers en het alfabet. Jongens werden opgevoed tot arbeiders en kostwinners.
In 1914 verlengde men de schoolplicht (betreffende België) van zes tot veertien jaar. Na de schooltijd werden armen kinderen uit werken gestuurd. Dit betekende ook vaak het einde van hun kindertijd. Kinderen uit de rijkere klassen genoten een verdere opleiding. Meisjes werden opgevoed tot voorbeeldige dames, terwijl jongens een klassieke opleiding kregen.
Een jongen werd pals als man gezien als hij in het leger ging. Bij loting konden rijken zich vrijkopen en een arme man in ruil voor geld hun legerdienst laten doen. In 1909 (betreffende België, Nederland had een soortgelijk iets) werd de loting vervangen door dienstplicht.

De overgang van jongen naar man en van meisje naar vrouw wordt in de katholieke rekigie weinig benadrukt. Dit in tegenstelling tot niet-westerse culturen waar menstruatierituelen en inwijdingsrituelen in de volwassenheid gemeengoed zijn.
Voor 1910 was de viering van de eerste en enige communie en het vormsel rond twaalf jaar naast een religieuze meteen ook een sociale overgang.
Vanaf die leeftijd werden kinderen ingeschakeld in het arbeidscircuit. Bij het vormsel hernieuwen de vormelingen de doopbelofte, de geloofsbelijdenis die de peter en meter bij het doopsel in hun naam afgelegd hebben. Op het communiefeest dronken de communicanten hun eerste glas wijn of rookte hun eerste sigaar. In 1910 stelde Paus Pius X de leeftijd van de eerste communie vast op zeven jaar. Het vormsel en de plechtige communie vielen ook op de leeftijd dat kinderen tekenen van fysieke volwassenheid gaan vertonen. Vooral in de 19e eeuwse katholieke levenssfeer kregen jongeren vanwege hun ontluikende seksualiteit sociale beperkingen opgelegd. Tijdens de puberteit zette immers het spel der verleiding in.
Vooral bij de burgerij hechtte men er veel belang aan dat de meisjes zich aan de gedragsvoorschriften hielden. In welstellende kringen was kledij een belangrijk middel in het verleidingsspel: het uiterlijk werd aangewend om te behagen en indruk te maken. Men ontwikkelde ook een gebarentaal met behulp van handschoenen en waaiers.


Vrijen, Verloving en Trouwen.


Op bals en kermissen ontmoette men mogelijke huwelijkspartners. Men zocht bij voorkeur binnen de sociale stand en in de buurtgemeenschap. In welstellende kringen kende men ook vaak verstandshuwelijken met het oog op het behoud of de vermeerdering van het familiebezit.
Om te behagen gaven de jongeren elkaar geschenkjes en zoetigheden. op Sinterklaasavond begaf men zich naar de bakker om een speculaaspop te versieren die men aan de geliefde schonk. Als een meisje de benen van de "speculaasvrijer" afbrak, maakte ze duidelijk dat ze de schenker afwees.
Welstellende geliefden gaven elkaar luxueuze geschenken zoals sierkammen, haarspeldden en snuifdozen. Het huwlijk was vroeger een belangrijke sociale overgang. De statuswijziging van vrijgezel naar getrouwde man of vrouw moest worden vergoed aan de gemeenschap en familie.
Zij onderwierpen bruid en bruidegom ook aan symbolische bestraffingen omdat deze hen verlieten. De bruidegom moest zijn vrienden op de vrijgezellenavond trakteren op "huilbier" of "scheebier"(afscheidsbier). Aan de vooravond van de bruiloft gingen de vrienden van de bruidegom de bruid "losschieten" met kanonnetjes. Na die huwelijksinzegening werden de bruid en bruidegom "gestropt" aan het kerkportaal en mesten ze de doorgang naar een nieuwe levensfase "afkopen".
De ringen staan symbool voor verbondenheid. Bij het portaal strooide men rijst over bruid en bruidegom. De kiemkracht van rijst symboliseert de vruchtbaarheid. Ondanks het taboe op seksualiteit was het volgens de katholieke kerk toch een zegen om veel kinderen te hebben. Iedere vorm van seksualiteitsbeleving die niet op voortplanting tot doel had, was een zonde.
Bij het binnentreden van de nieuwe woning werd de bruid over de drempel gedragen en heel vroeger werd ze ook rond de haal geleid. De haal was een haak die men boven het vuur hing om ketels aan te hangen. Het vuur is de verblijfplaats van huisgeesten. Door de bruid in de schouw te laten kijken of rond de haal te leidden, werd ze voorgesteld aan de huisgeesten.


Met dank aan "Het huis van Alijn" te Gent.

"Het huis van Alijn" te Gent.
Het Huis van Alijn, museum van dingen die nooit voorbijgaan.
Het Huis van Alijn neemt je mee naar de tijd van je (bed)overgrootouders, zonder dat je er een teletijdmachine voor nodig hebt. Je waant jezelf terug in het alledaagse leven rond 1900.

Kraanlei 65
9000 Gent
tel. 09/269.23.50
fax 09/269.23.58
huis.alijn@gent.be

zie ook: Gent Online
Gent - Gand




vraagje ff mailen



HOME



Sprang-Capelle



Vrijhoeve Capelle index/gezinsreconstructies.



View My Stats