Een kerkmeester beheerde de financiën van de kerk, hij inde het geld uit renten en andere inkomsten en zorgde voor de besteding daarvan, meestal in opdracht van pastoor, predikant, kerkbestuur e.d., dus een praktische uitvoerende functie. Had wel enige status. Bij grotere kerken of bij kerkebouw sprak men ook wel van kerkfabriek.
Het dorpsbestuur van 's Grevelduin-Capelle benoemde de schoolmeester, de chirurgijn en de vroedvrouw. Sinds de Reformatie berustte het fonds tot onderhoud van het kerkgebouw bij de plaatselijke overheid. Het werd beheerd door twee kerkmeesters, die het dorpsbestuur voor twee jaar aanstelde.
1660 - 1661: Govert Anthonissen van der Punten.
1662 - 1663: Pieter Corsten Glaviman.
1664 - 1665: Mels Janssen Crol.
1666 - 1667: Adriaan Wouters.
1668 - 1669: Corst. Cornelisse Zeeuw.
1670 - 1671: Elant Anthonissen van Nieuwenhuijssen.
1672 - 1673: Adriaen Wouterss Visscher.
1674 - 1675: Adriaen Sebastiaenssen de Rooij.
1676 - 1677: Anthonij Glaviman (Timmer).
1680 - 1681: Wijnant van Cleef
1682 - 1683: Sebastiaen Arienssen de Roij.
1684 - 1685: Jacob Antonissen van Nieuwenhuijsen.
1686 - 1687: Cornelis Janssen Ockers.
1688 - 1689: Jan Jacobssen (?) Mouthaan.
1690 - 1691: Adriaen Timmers.
1692 - 1693: Johan Knaep.
1694 - 1696: Johan Cnaep.
1696 - 1697: Adriaen van Andel (Schout).
1698 - 1699: Adriaen van Andel (Schout).
1700 - 1701: Hendrick van der Hoeven.
1702 - 1703: Hendrick van der Hoeven.
1704 - 1707: Jan Crol.
1708 - 1709: Willem Pruijssers.
1710 - 1711: Arien Vaartman.
1712 - 1713: Ariens Smit Wouters.
1714 - 1715: Aert van de Hout.
1716 - 1717: Jan Aerts Cus en Aelbert van Cleeff.
1718 - 1719: Jan Janse van den ouden Dam en Peeter Verhoeven
1720 - 1721: Pieter Janse Timmers en Melis Oirlemans.
1722 - 1723: Jacob van Tilborg en Adriaan Verheijden.
1724 - 1725: Willem Millenaer en Jan Glavimans.
1726 -1727: Peeter van Dongen en Antonij Smits.
1728 - 1729: Jan van Campen en Dirk Bartholomeusse van der Hoeven.
1730 - 1731: Coenraet Dagevos en Peter Prse van Campen.
1732 - 1733: Jan Boudewijns en Peeter van der Hoever.
1734 - 1735: Willem de Bie en Hendrik Cornelisse Swart.
1736 - 1737: Aert van der Hout en Dirk Broeders.
1738 - 1739: Adriaan Verheijden en Mattijs Coninx.
1740 - 1741: Antonij Oversteeg en Peeter Andriessen de Bruijn.
1742 - 1743: Jan Schaep en Teunis van Dongen.
1744 - 1745: Lambert van Pelt en Cornelis Tilborgh.
1746 - 1747: Adriaen Verheijden en Mattijs Coninx.
1748 -1749: Wijnant van Cleef en Adriaan Ockers.
1750 - 1751: Joost van den Hoek en Cornelis Okkers.
1752 - 1753: Jacobse Janse Quirijns en Corstiaan van der Hoeven.
1754 - 1755: Corstiaan de Beir en Cornelis van Dongen.
1756 - 1757: Jan Wmse van den Hoek en Peeter Prs. van Campen.
1758 - 1759: Arnoldus Starrenberg en Wouter van Campen.
1760 - 1761: Geemen Cus en Gerrit Verhagen.
1762 - 1763: Jacob Peeter Quirijns en Bastiaan Timmermans.
1764 - 1765: Jacob van Tilborg en Marijnus Quirijns.
1766 - 1767: Gerrit Schaap en Willem Gerritse Talen.
1768 - 1769: Cornelis Quirijns en Wouter Verheijden.
1771 - 1771: Andries de Bruijn en Jan Baptist Carels.
1772 - 1773: Jan van Tilborg en Leendert van Pelt.
1774 - 1775: Bartholomeus van der Hoeven en Hendrik de Rooij.
1776 - 1777: Anthonij de Bie en Adriaan Timmermans.
1778 - 1779: Jan Baptist Caerels en Cornelis Rosenbrant.
1780 - 1781: Eijmert de Bruijn en Hendrik Spiering.
1782 - 1783: Arien Janse Voermans en Joost Boer.
1784 - 1785: Jacobus Zijlmans en Andries de Bruijn.
1786 - 1787: Gerrit Talen en Jan Janse Smits.
1788 - 1789: Huijbert van Thienen en Pieter Deckers.
1790 - 1791: Hendrik van Tilborg en Joost Verhagen.