JEANTES LA VILLE


DAGBOEK VAN DE RESTAURATIE VAN DE VESTIGINGSKERK TE JEANTES-LA-VILLE: DOOR  HARRIE PALLADA. 1993 - 1996


HET VERHAAL 1

WAT ER VOORAF GING


20 juni 1987


Wij vertrekken in de vroege ochtend met ons vieren naar Jeantes la Ville. Jules weet de weg. Wij volgen de route door de Belgische en de Franse Ardennen. Prachtige slingerende wegen door een met dennenbossen bekleed landschap. Dinant, Givet, Fumay, Rocroi. Na Rocroi verandert het landschap, de dennenbossen verdwijnen en maken plaats voor loofbossen, afgewisseld met glooiende hellingen waar velden zich vruchtbaar aaneenrijgen. Wij zijn aangekomen in het land van Thierache. Hier en daar nog een dorp bestaande uit een aantal schijnbaar willekeurig gegroepeerde huizen en boerderijen.


Toch heeft het landschap op deze ochtend niet onze eerste aandacht, we willen naar Jeantes, naar de kerk, naar de pastoor. Als we na enig zoekwerk in Jeantes aankomen regent het inmiddels en staan we op een druilerig plein voor de kerk. Geen mens te zien. Eerst een blik in en rond de kerk werpen. De eerste indrukken bij dit weer zijn ronduit slecht. De kwaliteit van het gebouw is slecht, het weer is slecht en in de kerk is het kil, koud... Het eerste wat me opvalt zijn niet de schilderingen, maar 2 grote oliekachels met daaromheen zwartgeblakerde muren. Het stucwerk maakt een rotte indruk en in de kerk hangt een penetrante vochtgeur. In het schip staat een groot houten altaar met daaromheen willekeurig over en door elkaar heen een vreemd soort stoelen, die later uit een gesloopte bioscoop van Hilversum blijken te komen.


Dit is toch geen omgeving voor wandschilderwerk. Langzaam dringen de beelden van het schilderwerk op mijn netvlies. Het is wennen, ik had het me anders voorgesteld. Door deze ervaring heb ik later begrip gekregen voor vele mensen die ik in de kerk mocht ontmoeten en in eerste instantie dezelfde negatieve ervaring hadden. Dan dringt er een eerste zonestraal de kerk binnen via de glas in lood ramen en de kerk ondergaat een metamorfose. Ineens zie ik de ramen en de kruiswegstaties en de heldere kleuren van de schilderingen. We gaan naar buiten, op zoek naar de pastoor. Jules weet de pastorie. Als we aankloppen horen we eerst niets, maar als we onze oren tegen het raam houden horen we binnen het geluid van een spelende TV. Na nog een keer flink te hebben aangeklopt worden we opengedaan.


Voor ons staat mijnheer pastoor. Duidelijk een heer met zijn witte sjaal en zijn lange fijne witte haren, maar minder duidelijk een pastoor zoals ik die bij ons gewend ben. Maar nadat we kennis hebben gemaakt is het ijs gauw gebroken en vertelt Suasso al honderduit. Over Charles, over de noodzakelijke restauratie, over zijn schrijverschap, zijn reizen, zijn andere interessen, kortom over alles en nog wat in een verschrikkelijk kort tijdsbestek. De oliekachel brult op deze junidag alsof het hartje winter is. Wij hebben plaatsgenomen in een aantal fauteuils die volgestapeld staan met boeken. Verplaatsen durven we ze niet. Het stucwerk van de muren en het plafond is door het roken en de kachel van ooit wit tot donkerbruin getransformeerd.


Als we het toilet willen gebruiken blijkt dit van een ontzettende eenvoud en kapot, evenals de rest van de badkamer waar het toilet opgesteld staat. Hoe kan een mens in deze omgeving wonen. Maar Suasso voelt zich blijkbaar ontzettend op zijn gemak in deze door hemzelf gecreëerde omgeving. Na uitgelegd te hebben wat we komen doen staan we na een uur weer buiten en kunnen we, nog een beetje beduusd van zo'n ontvangst, beginnen met datgene waarvoor we zijn gekomen.
We leggen alle binnen en buitenwanden fotografisch vast. Even terugkomen om wat bij te meten is immers niet zo eenvoudig. Dan beginnen Jules en de vrouwen met het inmeten van de kerk. Zelf begin ik met de systematische verslaglegging van mijn bevindingen. In de namiddag komt de pastoor kijken en na een uitgebreid verhaal over Eijck, de schilderingen, de ramen en de problemen, komen we overeen dat we 's avonds samen zullen gaan eten in Hirson.
In Hirson gaat pastoor Suasso door met zijn verhalen waar hij 's middags is gestopt. Over zijn tijd in de tweede wereldoorlog toen hij leider was van de ondergrondse knokploegen in Amsterdam en een van de meest gezochte verzetsstrijders door de gevreesde SS, over zijn periode in Afrika, waar hij binnen de kortste keren 600 mensen aan het werk had in de door hem opgerichte pannenfabriek en drukkerij, over het feit dat hij noodgedwongen om gezondheidsredenen moest terugkeren naar Nederland in 1961 en daar zijn draai niet meer kon vinden (kapelaan worden in Nederland was wel het laatste wat hij wenste), en hoe hij vervolgens in Jeantes terechtkwam via de pastoor van Aubenton, die tot dezelfde orde behoorde dan hijzelf.


Begin juni 1987. Piet Satijn, architect van het gelijknamige bureau en mijn werkgever, laat mijn collega Jules Janssen en mij wat gegevens zien over een kerk in Noord Frankrijk. Voor mijn collega is het niet nieuw. Hij kent de kerk, is er enkele maanden eerder geweest met een groep van meer dan 270 mensen. Voor mij is het nieuw. Satijn weet mijn nieuwsgierigheid te wekken. Een kerk in Jeantes, Noord Frankrijk, met een Nederlandse pastoor, Piet Suasso de Lima Prado, kortweg Piet Suasso en met schilderingen en glas in lood ramen van Charles Eijck, bekende Limburgse kunstenaar.


Het werk van Eijck heb ik leren kennen bij de restauratie van de St. Matthiaskerk te Maastricht, waar alle ramen van de zijbeuken zijn voorzien van glas in lood ramen gemaakt door Charles Eijck.
De kerk in Jeantes is in slechte staat. De kunstwerken van Eijck lopen gevaar door de vochtinwerking in de muren tengevolge van optrekkend vocht en lekkende daken. De pastoor te Jeantes staat er alleen voor. Er moeten opmetingstekeningen komen en de toestand moet ter plaatse goed worden geïnventariseerd door ter zake deskundigen. Er moet een restauratierapport komen met aanbevelingen en een begroting van noodzakelijk uit te voeren restauraties aan de kerk en kunstwerken.


Daarom roept Satijn onze hulp in. Jules Janssen voor het tekenwerk en mijn aandeel voor het rapport en de begroting. Maar er is geen geld. de stichting Charles Eijck, waar Satijn voorzitter van is, heeft nauwelijks middelen. Maar voor de reis en verblijfskosten zijn wij graag bereid om een weekend met onze echtgenotes naar Fankrijk te gaan en de ons gevraagde werkzaamheden uit te voeren.


Ondertussen was hij wel 25 keer gestart met zijn geserveerde kikkerbilletjes en evenzo vele keren gestopt, tot grote ergernis van het totale personeel en de kok die intussen al driekwartier met het hoofdgerecht gereed stonden.
De nacht brachten we door in Domaine de Tilleuil, een schitterend gelegen hotel op zo'n 10 kilometer van Jeantes. Op zondag rondden we onze werkzaamheden af en met de pastoor gingen we op zoek naar een plaats om te lunchen. Na uren zoeken, kriskras door Noord Frankrijk, (overal was communiefeest) vonden we een café waar we iets konden nuttigen. Toen ik meldde dat we onze vakantie gingen doorbrengen in Griekenland was dit voor hem aanleiding om een reisverslag te geven van al zijn reizen in Griekenland en Italië, over zijn vertaalde gedichten van Sappho van Lesbos en alle andere avonturen die hem na aan het hart lagen. Wij smulden van zijn verhalen en waren zeer onder de indruk van zijn charismatische uitstraling.


Vanaf dat moment liet me de kerk van Jeantes met zijn fascinerende pastoor niet meer los. Een jaar later zijn we tijdens de zomervakantie een aantal dagen in de buurt van Jeantes gaan kamperen met Jules, Marlien en de kinderen. Daarna werd het wat rustiger rond Jeantes, de procedures naar aanleiding van de door ons opgestelde plannen moesten hun beloop krijgen en de ambtelijke molens werken in Frankrijk minstens zo traag als in Nederland.
December 1990 zaten Jacqueline en ik te praten over de planning van het volgend jaar en de viering van ons twaalfeneenhalfjarig huwelijksfeest, juni 1991, kwam aan de orde. We waren zoals dat heet "voor de wet" getrouwd maar nog niet "voor de kerk".


Pastoor Suasso

Het plan kwam daarom al snel bij ons op om pastoor Suasso te vragen of hij bereid was om bij ons koperen huwelijksfeest ons huwelijk de kerkelijke zegen te geven. In april gingen we naar Jeantes om een en ander te regelen. we bespraken de dienst, de Salle de fête, het eten en de drank en togen 's avonds opgelucht naar huis om de rest voor te bereiden. Op 29 juni zou het feest plaatsvinden en wij gingen dan ook op 27 juni naar Jeantes om alles in gereedheid te brengen en te controleren. Wij kregen bij de pastoor echter geen gehoor. Van de dorpelingen hoorden we dat hij zwaar ziek was. De schrik sloeg ons om het hart toen we om 5 uur via zijn vriend Aart, die een sleutel van zijn woning had, te horen kregen dat hij weliswaar zeer ziek op bed lag, maar perse onze mis zou opdragen, gingen we niet echt gerustgesteld naar huis.


De hele maand juni had het geregend en ook op deze dag gingen we onder zware regenval en een inktzwarte onweerslucht naar huis. De volgende dag echter sloeg het weer om en op 29 juni gingen we onder een stralende hemel met meer dan 50 genodigden in de bus naar Jeantes. Iedereen had de tent bij zich, want we zouden met zijn allen op de camping blijven slapen.


Een aantal waren ons al vooruitgegaan met de caravans en toen we op de camping aankwamen rond de middag stond een uitgebreide Franse brunch op ons te wachten. De stemming zat er al goed in en de taferelen bij het opbouwen van de tenten brachten iedereen weer terug naar de tijd van de verkenners. Jacqueline en ik zaten het hem te knijpen. Hoe zou het zijn met pastoor en toen we, nadat ik Jacqueline had afgehaald aan een ter beschikking gestelde caravan, waar ze zich had omgekleed, in de bus zaten op weg naar de kerk, was bij ons de spanning op het gezicht te lezen. Bij de kerk was niemand. Ik ging naar de pastorie. Na diverse malen kloppen ging de deur open. Daar stond pastoor Suasso gereed, doodziek, maar vastbesloten zijn afspraak na te komen.


Huwelijk Harrie en Jacqueline

Wij hebben met zijn allen een dienst meegemaakt, die veel indruk heeft gemaakt. Ieder heeft op zijn manier ervaren wat hier gebeurde maar allemaal waren ze het erover eens dat het een bijzondere gebeurtenis was. Ieder heeft op zijn manier die nog slechts fluisterend de dienst kon doen, maar desondanks humor en ernst tot een indrukwekkende eenheid vormde. De zwaluwen vlogen om de piepende jongen te voeren, de zang van mijn collega Hennie, het optreden van mijn collega John als misdienaar bij gebrek aan een ander en dat alles in de omgeving van Eijck, in het Franse land onder een stralende zon.


Na de dienst begon het feest in de Salle de féte. Er was wijn uit vaten van de plaatselijke wijnhandel Huclin en een uitgebreid buffet, gemaakt door restaurateur van le Huteau uit Plomion. Muziek hadden we zelf meegenomen en een opperbeste stemming. Pastoor Suasso kwam om 7 uur ook een kwartier kijken maar pas om 12 uur bracht ik hem thuis. Ook hij heeft genoten van wat mijn collega's en vrienden hebben geboden. Bovendien was het kermis in Jeantes en 's avonds laat vondervaren wat hier gebeurde maar allemaal waren ze het erover eens dat het een bijzondere gebeurtenis was. De pastoor  nog menige samensmelting van culturen plaats. Nachts zijn we met zijn allen op de camping gedropt door de bus en op zondag zijn we weer huiswaarts gekeerd met een houten kop maar een ervaring rijker.
In augustus hebben we nog een bezoek gebracht aan de pastoor.

Hij zag er beter uit maar ik schrok, toen ik van zijn voornemen hoorde om 6 weken naar Italië op vakantie te gaan om de Etruskische graven te onderzoeken. Maar vastberaden en eigenzinnig zoals hij was ging hij op pad in September. Op vrijdag 20 september vond men hem dood op zijn hotelkamer in Poggibonsi, tussen Florence en Sienna. Op zaterdag 28 september is hij in Jeantes begraven onder grote belangstelling. Ik zag de zusters van de orde van zuster Carlin, oud verzetsstrijders uit Frankrijk en Nederland in vol ornaat en talloze parochianen, familieleden, vrienden en bekenden uit vele windstreken samengestroomd in Jeantes. Een indrukwekkend afscheid.


En nu hoe verder?


Tijdens de viering van onze traditionele kerstmiddag op bureau kwam het gesprek tussen Piet Satijn en mij onwillekeurig op Jeantes. De pastoor was bekend om zijn kerstvieringen in Jeantes en verre omgeving. Hij had altijd een levende kerststal en vaak grote koren en zelfs symfonieorkesten in de kerk. Hoe zou het nu verder gaan. Zou het zonder pastoor wel mogelijk en zinnig zijn om ons vanuit Nederland in te spannen voor het behoud van de werken van Charles Eijck in Jeantes. Dat was immers vastgelegd in de statuten van de stichting Charles Eijck.
Wij spraken op dat moment af, dat wij ons met hernieuwde kracht zouden inzetten om Jeantes te behouden en wel om drie redenen: het behoud van de werken van Charles Eijck, het behoud van een belangrijk monument als de Eglise fortifiée te Jeantes en als hommage aan pastoor Pierre Suasso de Lima de Prado.
Begin januari werd de eerste bijeenkomst gepland van het bestuur van de stichting Charles Eijck en daarin werd besloten dat ik tot de stichting toetrad om de restauratie van Jeantes mee voor te bereiden.
Daarna is alles in een stroomversnelling geraakt. De secretaris, penningmeester van de stichting, Eugène Schoonbrood, had de meeste contacten met de Franse overheid en via hem werd de eerste bijeenkomst belegd met de burgemeester van Jeantes, dhr Gérard Bourgeois en de architecten des batiments de France, de heer Regis Berge uit Laon op 24 maart 1992. Tijdens die bespreking hebben wij onze plannen toegelicht en de Franse overheid gevraagd om een bijdrage in de kosten van restauratie.


Vele overlegsituaties in de vorm van vergaderingen, telefoontjes en faxen volgden. Bovendien moesten vele stukken in het Frans worden vertaald. Daarom haalden we in het bestuur Joos Vollebergh, oud docent Frans, die vanaf dat moment even zijn rustige oude dag kon vergeten.
Tegelijkertijd begint in Nederland de voorbereiding voor de fondswerving en de uitvoering. Daartoe wordt een aparte stichting in het leven geroepen, Restauratiestichting St. Martinuskerk te Jeantes-la-Ville, op 26 mei 1992, waarvan ik het voorzitterschap op me zou nemen.
September 1992 verschijnt de herdruk van het boek van Michel van der Plas "Charles Eijck in Jeantes la Ville", vooral door de inzet van Schoonbrood. Tegelijkertijd echter sterft Eugène op 13 september, waarmee we een gedreven bestuurslid verliezen.
Februari 1993 vindt de bespreking plaats te Vervins, bij de Sous Prefect, waarin de definitieve goedkeuring van het plan plaatsvindt en waarin de Franse overheid subsidie toezegt in de vorm van de aankoop van materialen.


De kogel is door de kerk, de uitvoering kan beginnen.
De afspraken met de aannemers en de vrijwilligers worden gemaakt en het wachten is op de eerste werkdag.
Door architect Berge zullen intussen de werkzaamheden aan de riolering en de drainage worden uitgevoerd in het kader van de regeling van het groot onderhoud en zullen de materialen voor de werken in 1993 worden besteld.


Het kerkhof in Jeantes

12 april 1993


Eindelijk is het dan zover. De werkzaamheden ter plaatse gaan van start. Om zeven uur komen we bij Maastricht Airport bij elkaar. Ik maak kennis met de bedrijfsleider van Nelissen van Egteren, Vromen en de twee steigerbouwers. De steigerbouwers zijn potige jongens. De sfeer is een beetje nerveus. Ik heb geen idee in welk avontuur ik me ga begeven, maar de anderen evenmin. Om tien uur komen we in Jeantes aan. We nemen de situatie op en wachten op het moment dat de vrachtauto aankomt met de materieel voor het bouwen van de steiger. Ik heb offerte gevraagd voor de steiger in Frankrijk maar de prijs in Nederland inclusief aan- en afvoer bleek minder dan de helft. De benodigde materialen die zouden worden geleverd voor de uitvoering van de werkzaamheden liggen keurig voor het gemeentehuis. Het dakbeschot, de leien etc. De hele rit heb ik mij afgevraagd of de riolering en de drainage zijn aangebracht. Als dit niet het geval is kunnen we niet starten met de steiger, die staat er immers bovenop. Vanaf februari heb ik niets meer vernomen, behalve een voorstel voor de uitvoering ter goedkeuring. Het is dan ook met grote opluchting dat ik de grote kluiten grond rond de kerk zie en diverse putdeksels.


Ik herken de uitvoering volgens tekening. Alles is volgens afspraak uitgevoerd. Om half twaalf komt de vrachtauto aan. De chauffeur is door de chaotische bewegwijzering van de binnenwegen van Noord Frankrijk verkeerd gereden, maar hij is blij dat hij er is. Na het lossen van de vrachtauto en het afscheid van de bedrijfsleider en de chauffeur staan we er alleen voor, Otto, Manfred en ik. Er zijn in Jeantes verder geen voorzieningen voor een verblijf getroffen, dus wij moeten erop uit om proviand te halen in de supermarkt in Plomion. Wel heb ik een koffiezetapparaat, wat bestek, borden en kopjes meegenomen en de lunch kan beginnen in de salle de fête.


We hebben intussen ook de sleutels gekregen van Roland Charlier, de adjoint-maire. hij is ons door de burgemeester toegewezen als aanspreekpunt, want hij woont naast de kerk, werkt niet meer en staat 24 uur tot onze beschikking.
Bij de lunch leren we elkaar beter kenen. Otto en Manfred hebben wel vaker in Duitsland gewerkt, maar Frankrijk is toch heel wat anders. Overnachten in een vreemd land waar je de taal niet verstaat laat staan spreekt. We beginnen met de bouw van het steiger. De jongens hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor de veiligheid van de constructie. Het werk is, zeker voor mij, zwaar maar tegen de avond staat een flink stuk steiger al klaar.
Om zes uur vertrekken we naar ons "hotel" in Plomion. Het hotel is de voormalige pastorie in Plomion waar volgens de verhalen generaal Patton in 1944 nog de nacht heeft doorgebracht.


Hotel Plomion


Aart Wildeboer, bij mij bekend vanwege de relatie met pastoor Suasso, heeft de kamers opgeknapt en verhuurt ze. De benedenverdieping vervult de taak van parochiehuis, waar de pastoor in de keuken catechese geeft aan de schooljeugd en waar de oudjes een ruimte hebben om te kaarten en de vrouwen van het dorp bij elkaar komen om onder het handwerken de laatste nieuwtjes uit te wisselen. De bovenverdieping bestaat uit 4 kamers, twee douches en een toilet. Voldoende voor ons om te slapen en vooral om ons te wassen. In de douche loopt evenveel water buiten de bak als in de bak. Het water dat buiten de bak terecht komt loopt onder het zeil via de planken vloer naar een ruimte op de begane grond. Zolang we daar gelogeerd hebben ben ik er nooit achter gekomen hoe die ruimte er uitzag, omdat ze was afgesloten. Maar gezien de paddestoelen die in de loop van dat jaar begonnen te groeien tegen de muur in de douche moet het er niet florissant hebben uitgezien.


Na onze wasbeurt gaan we naar Auberge de la Brune in Burelles een paar dorpen verder. Het is een restaurant met streekgerechten en een imposante wijnkaart die bestaat uit drie boekwerken. Dit restaurant zal voor de verder restauratie onze vaste pleisterplaats worden als we gaan "uit" eten. Als we zitten wordt er eerst gevraagd naar een telefoon. Hoe staat het met het thuisfront. Otto is het eerst aan de beurt en Manfred vraagt begrip voor het feit dat Otto voor het eerst 's nachts van huis is en bezorgd is over vrouw en kinderen. Als Manfred gaat bellen vraagt Otto hetzelfde begrip voor Manfred. In deze situatie merk je hoe deze "binken" die zoveel ontzag inboezemen, in wezen zeer gevoelig en aanhankelijk zijn. Het eten is voor hen een gebeurtenis op zich. De wijn wordt hier uitgebreid gedecanteerd en met alle égards geserveerd en het eten is in verhouding tot de bekende cafetaria's iets bijzonders, zeker als het bekende plateau Franse kazen wordt opgediend om uit te kiezen.
Als we op woensdagochtend voor zevenen opstaan voelen mijn knieën pijnlijk van de ongewende arbeid maar na een paar uur strompelen gaat het weer beter. Er wordt hard gewerkt en het duurt hen te lang voordat ze 's avonds weer hun vrouwen kunnen bellen. Tot laat in de avond worden bomen opgezet.


Donderdagochtend staan we voor zeven uur weer bij de kerk. Het regent, maar daar trekken onze jongens zich niets van aan. Er wordt stevig doorgewerkt. Gelukkig trekt om tien uur de lucht open. Het tempo wordt nog opgevoerd. Om een uur of vijf blijkt waarom. Men wil het werk klaren en dan nog dezelfde avond naar huis. Maar dan moet ik wel mee naar huis, want in het donker alleen de weg naar huis terugvinden is toch teveel gevraagd. Zo gezegd, zo gedaan. Zij nemen zich nauwelijks de tijd om op te ruimen en ... op weg naar Limburg. In Dinant houden we nog een tussenstop om iets te eten en bij het afscheid blijkt hoezeer het werk hun heeft bevallen en hoe sterk een band kan groeien op drie dagen tijd. Voldaan keren ze huiswaarts, boordevol verhalen. De vrijdag is een vrije dag om met het gezin in te vullen.


29 april 1993


Op 29 april 's avonds vindt de volgende tocht naar Jeantes plaats. Jacqueline, mijn overbuurman Jo en ik vertrekken al op de vooravond van Koninginnedag naar het hotel in Plomion voordat de eerste stroom vrijwilligers op 30 april aankomt. Voor vele zijn het vrije dagen van 30 april tot en met 5 mei en daarom heb ik vele vrijwilligers bereid gevonden om mee te gaan. Vooral de mensen die zijn meegeweest tijdens de bruiloft in 1991 zijn weer van de partij. Het bestuur van de restauratiestichting heeft me geld meegegeven voor reis en verblijfskosten en mijn auto is volgeladen met proviand en keukengerei. De dames die meekomen zullen de heren foerageren want iedere dag uit eten met zo'n grote club is er niet meer bij. Vanaf dat moment heb ik ingevoerd dat bij elke gelegenheid dat met een groep vrijwilligers gewerkt wordt er een keer uitgegeten wordt en dat we voor het overige zijn aangewezen op onze eigen kookkunst.


De volgende ochtend vroeg wordt de salle de fête in gereedheid gebracht en de koffie gereedgemaakt voor de nieuwkomers. Voor de kerk staande zie ik de 400 m² dak die eraf moeten. Ik wil bewust niet verder denken dan datgene wat nu moet gebeuren anders zie ik geen eind. En dan komen de eerste aan: Jos, Michel, Bertie en Willem. Er wordt niet lang nagedacht. De sloopijzers en de hamers worden ter hand genomen en we beginnen aan het dak van de sacristie. dat is niet zo hoog en nu kunnen de mensen die hoogtevrees hebben wat wennen aan de steiger. De energie is niet te stuiten. De leien en de planken vliegen ons om de oren. Roland Charlier, onze plaatselijke hulp, komt aanrijden met een vooroorlogse tractor met dito aanhanger. Dat blijkt onze container tijdens de sloopwerkzaamheden.


Lunchpauze aan de salle de fête.

V.L.N.R. Jacqueline, Willem, Jo, Harrie, Jos en Michel.

30 april 1993

Michel is nog geen half uur bezig of hij zakt door het plafond van de sacristie, die bestaat uit leem.
Ik heb al overwogen of ik het plafond ook zou moeten slopen, maar Michel maakt me de keuze wel erg gemakkelijk. Binnen het uur zijn al een aantal stelen van de hamers gebroken. Ik moet de energie wat temperen, maar dat is makelijker gezegd dan gedaan. We zien er binnen de kortste keren uit als schoorsteenvegers. De zon begint op onze ruggen te bakken. De dames dragen koffie en water aan. Voor de lunch wordt nauwelijks tijd genomen. Het sloopwerk schiet goed op en om 6 uur zijn een flink aantal meters leiwerk, dakbeschot en een paar schoorstenen beneden. Omdat er onweer is gemeld moeten we het dak afdekken met zeilen, maar daar hebben we ons op verkeken. Het is al na achten als we voor het avondmaal naar de zaal kunnen om te eten


Het dak van de sacristie afgedekt met zeilen

Tijdens en na het eten worden de 5 liter kruiken wijn van de plaatselijke négociant goed aangesproken en rond middernacht gaan we met hele kleine oogjes terug naar het hotel. Het is hard werken maar het is ook oergezellig. Op zaterdag worden de werkzaamheden voortgezet. De meeste van ons met een houten kop, maar gelukkig hoef je bij dit sloopwerk niet echt je hoofd te gebruiken. Mr Roland rijdt af en aan met zijn container. Als de kar vol is rijdt hij weg. Na een kwartier komt hij terug, leeg. Ik weet nu nog niet waar het puin is gestort, maar wij kunnen door.
Rond de lunch komt de dakdekker kijken, wat straks moet gebeuren. Hij heeft de ploeg al klaar staan voor 12 mei. Hij proeft figuurlijk en letterlijk al wat van de Franse sfeer maar vraagt zich af wat hij over twee weken moet komen doen als hij ziet wat er nog dient te gebeuren voordat hij aan de goten en het leiwerk kan beginnen.


Omstreeks 5 uur komt de burgemeester vragen om een wijntje op de Mairie te drinken met hem. Dat zal de komende jaren een vaste gewoonte worden. Daarna moet nog alles worden afgedekt en nu blijkt het nodig want het dreigende onweer breekt inderdaad los.
's Avonds wordt gedineerd in het restaurant le Huteau te Plomion en voldaan valt iedereen na afloop als een blok in slaap. Op zondag valt het weer tegen. Het is regenachtig grauw weer. Na uren te hebben gewacht op opklaringen gaan we maar naar binnen in de toren en op zolder om alvast wat op te ruimen. Wij Nederlanders weten iets van bewaren van spullen die we misschien nog ooit nodig hebben, maar de Fransen lijken wel alles op te sparen. Containerladingen worden naar buiten gesleept. Bovendien liggen er vele m³ duivendrek en puin overal in het gebouw maar die laten we voorlopig liggen voor de volgende ploeg.



Na de middag vertrekt deze hele ploeg en voor mij is het wachten op de ploeg van maandag. Na het afscheid blijft het weer triest en ik voel me zelf minstens zo triest. Wat doe ik in godsnaam, waar ben ik mee begonnen. Voor de inwoners van Jeantes hoeft het niet zo nodig. Ik heb gemerkt dat ze maar vreemd kijken naar die buitenlander die meent te weten wat er met hun kerk moet gebeuren.
Die avond rij ik naar Laon, naar Berge, de architect die namens de Franse overheid de restauratie begeleidt. Hij, zijn vrouw Anjes, die overigens uit Nijmegen blijkt te komen en hun vier kinderen ontvangen me allerhartelijkst en we eten met zijn zevenen. Na een goed maal en een rondleiding door de kathedraal en door Laon rij ik terug naar Jeantes, een paar vrienden rijker en weer wat opgewekter en moediger.
Op maandag sta ik al om half acht bij de kerk. Ik weet wel dat ik niemand zo vroeg kan verwachten maar de spanning of iedereen komt en de weg kan vinden is groot.


Het opnieuw herstellen van het dak.


Vanaf 9 uur beginnen ze te arriveren.
Van Laudy komen 2 timmerlieden, Frans en Frans en een metselaar, Ger.
Van Nelissen van Egteren komen 2 timmerlieden, Henk en Erik en van Theunissen komt een metselaar, Gerry. Buiten deze vaklieden volgen de vrijwilligers : John, Sandra, Esther, Rene, Wilma en Jos, die na het weekend weer van de partij is. Binnen de kortste keren zijn de timmerlieden bezig met het beschot. De metselaars beginnen met het herstel van het metselwerk onder de muurplaat en de goot. Dat blijkt namelijk een grote puinhoop. De vrijwilligers gaan door met slopen van het dakbeschot en de vrouwen beginnen met de verzorging van de catering. Voor de restauratie van sporen, spanten en gordingen is extra hout nodig en voor het metselwerk is zand en kalk nodig. Met Charlier zorg ik voor de aanvoer met de aanwezige busjes. Ik zie het weer helemaal zitten. De bus van Henk is volgestouwd met frisdrank en benodigde materialen voor de uit te voeren werkzaamheden en van beide wordt driftig gebruik gemaakt. Het weer is terug op het niveau van zaterdag, aangenaam zonnig en warm. Gelukkig blijkt de onderconstructie voor het dakbeschot voldoende om te gebruiken en kunnen de planken van 27 mm dik rechtstreeks worden aangebracht. Na montage zal het dak er weer voor de volgende vijftig jaar tegen kunnen. Tijdens het avondeten krijgen we bezoek van een onbekende vrouw. Ze verkeert duidelijk in verwarde toestand. Ze roept luidkeels om Pierre (de pastoor). Door onze activiteiten rond de pastorie is ze ervan overtuigd dat de overleden pastoor terug is. Ze wordt nogal agressief naar de aanwezige vrouwen en allemaal staan we verwonderd en hulpeloos toe te kijken niet wetende wat er gebeurt en wat te doen.


Na aandringen verdwijnt ze uit de zaal en buiten bij de pastorie wordt ze opgevangen en meegenomen door een voor mij onbekende man. Een beetje vervreemd blijven we een poos stil achter. Ook dit behoort tot Jeantes. Van Aart begrijp ik later dat de vrouw uit het naburige dorp is en af en toe verward door de buurt dwaalt. Ik heb haar overigens nooit meer gezien. Het voorval wordt echter snel vergeten en de wijn en het bier zorgen voor een opperbeste stemming. We keren terug naar het hotel om ons te wassen en te verkleden. We schuiven met zijn dertienen aan op een kamer en leren mekaar beter kennen.

Op dinsdag is er voor zeven uur al weer actie. De dorpelingen kijken slaperig toe. Voor de middag komen we al tot de ontdekking dat we op woensdag door de spijkers van het schietapparaat heen zullen zijn en dat het werk voor de timmerlieden niet verder kan. Ik bel naar Nederland voor nieuwe spijkers. Dan blijkt er een probleem. De voorraad bij de toeleveringsbedrijven is op. De spijkers moeten uit Engeland komen. Toch geen probleem: onze contactman bij Nelissen van Egteren, Jac Schaeffer, pakt de auto, rijdt naar Schiphol waar de spijkers uit Engeland aankomen, pikt ze daar op en rijdt vervolgens naar Jeantes. In het donker zoekt hij uren de weg maar ver middernacht komt hij aan bij de pastorie. Hij laat een bericht voor ons achter bij de spijkers voor de deur van de salle de féte want hij weet niet waar wij logeren. Wij vinden de spijkers op woensdagochtend en kunnen verder. Ik heb begrepen dat Jac op woensdagochtend weer vergadering heeft gehad. Hoe hij deze is doorgekomen weet ik niet, maar fris kan dat in ieder geval niet zijn geweest na bovengenoemde acties. Wel geeft deze gebeurtenis aan hoe gedreven ieder met de restauratie bezig is.

Harrie op de steiger

De timmerlieden geven dinsdagmiddag aan dat ze niet klaar zullen komen met het werk binnen een week. Ik moet bellen dat ze nog een week nodig hebben. Voorlopig bel ik toch maar niet, want ik heb zelf vertrouwen in de goede afloop. Op dezelfde dag komen twee journalisten voor een interview. Er is dus toch interesse voor het werk van die buitenlanders. Om half zes zitten we weer op de mairie voor de nodige telefoontjes naar huis en de gebruikelijke wijn. Het wordt gezellig en de tijd en het eten worden vergeten. Als we om acht uur in de zaal arriveren krijgen we op onze mieter van de dames die met het verpieterd eten zitten te wachten. Het smaakt echter nog uitstekend.


Woensdag beginnen we weer vol goede moed. Het weer is prachtig en het werk schiet goed op. De metselaars houden de timmerlieden goed bij en de organisatie verloopt ideaal. Dan blijkt aan de noordzijde de golving in het dak te groot om het beschot en later zeker de leien goed aangebracht te krijgen. Dat wordt uitvullen. Hier komt de restauratie ervaring van onze Frans en Frans goed van pas. Het vergt wat tijd, wat vloeken en zuchten maar na een paar uur hebben we de draad weer opgepakt. Intussen is Satijn met zijn vriend Kruiver aangekomen om wat filmopnamen te maken en in de namiddag komt zelfs de Franse TF3 opnamen maken voor een regionaal TV programma. De interviews in het Frans beginnen te wennen...
Alle vrijwilligers vertrekken, behalve Jos en ik. Nu de dames weg zijn, gaat de weg 's avonds weer naar Burelles, ons restaurant. Erik die geen alcohol gebruikt probeert met de wijn mee te doen. Dat levert een spraakwaterval op die we niet bij Erik voor mogelijk hebben gehouden. Hij blijkt vloeiend Frans te spreken.


Het eten in de zaal was altijd uitstekend en gezellig

12 mei 1993


De dakdekkers vertrekken met een ploeg van 4 man naar Jeantes. De baas Gerekens, gaat zelf mee omdat hij met mij alle noodzakelijke dingen heeft doorgesproken en de jongens in de vreemde niet aan hun lot wil overlaten. José, zijn vrouw, heeft proviand meegegeven voor de hele week. Bovendien is de friteuse en de braadpan van de partij. Er worden kookgroepen, afwasploegen en andere ondersteunende activiteiten geregeld. Dan kunnen ze met een gerust hart het dak beklimmen voor het werk waarvoor ze zijn gekomen.
Ik ben voor het eerst niet aanwezig op de bouw als er mensen van ons aan het werk zijn, maar in gedachten ben ik steeds in Jeantes. Ik heb hun erop gewezen dat Aart als aanspreekpunt kan dienen omdat geen van de dakdekkers enige kennis heeft van de Franse taal.
Als ze vrijdag terugkeren hebben we overleg. Alles is naar wens verlopen behalve een onverziende gebeurtenis die niets met het werk maar alles met menselijke aard te maken heeft. Via Aart verloopt de communicatie met de plaatselijke bevolking. Dat is ook wel nodig gebleken want een van de arbeiders is vervroegd naar huis moeten terugkeren vanwege heimwee. Pillen, zalfjes, een bemoedigend woord, Niets heeft mogen baten. alle zorgen ten spijt hebben zijn ouders hem op donderdag moeten ophalen. Ik realiseer me dat wat voor de een oase van rust is, kan voor de ander een onmogelijke verblijfplaats zijn. De rest van de ploeg heeft er niet onder geleden en de volgende maandag vertrekt de groep weer, aangevuld met vers personeel. Op woensdag zal ik me bij hen voegen voor het volgende hoofdstuk van de restauratie.


19 mei 1993


Als ik woensdagmiddag 19 mei vertrek, ben ik erg benieuwd hoe het dak is opgeschoten. Het weer is droog en bloedheet geweest. Niet ideaal, maar wel goed voor dakdekkerswerk. Bij aankomst loop ik eerst rond de kerk. De goten hangen rondom de kerk en het zuidelijk dakvlak van het schip is tot aan de sprong in het dak naar het koorgedeelte gereed. Ze zijn al gestart aan de noordzijde. Er is niemand te zien maar vanaf de kerk kan ik de muziek vanaf de zaal al horen. Er wordt gegeten en om het einde van een vruchtbare werkdag af te sluiten ook behoorlijk gedronken. Alles staat er keurig bij in de zaal. Discipline wordt betracht.


Ik begrijp dat ze enkele werkdagen van 12 tot 14 uren achter de rug hebben en nu is de energie onder invloed van de hete zon opgeteerd. Er wordt wel verschrikkelijk veel lol getrapt en de radio speelt onophoudelijk en keihard "Schatsie lein" en andere Duitse schlagers. Zij spreken geen van allen Frans, maar voortdurend worden de raarste Franse termen, die nergens op slaan, de lucht ingeslingerd. Hier is een eigen Frans, Duits, Limburgse taal en cultuur uit Bocholtz ontstaan, nodig om het hier naar de zin te maken en uit te houden. 20 mei komt de ploeg vrijwilligers. Het is tijd om de zolder te ontruimen en te poetsen en het timmerwerk aan de zoldervloeren, galmborden, gaaswerk voor de openingen, luiken, kapspanten etc. uit te voeren. De groep bestaat uit 4 man te weten Jules, Jeu, Giel en Peter. Ikzelf zal de komende drie dagen alleen maar zuigen met zo'n industriezuiger. Stof zuigen, puin zuigen, duivendrek zuigen: je wordt er gek van. Maar tientallen zakken vuil verdwijnen naar beneden. Intussen wisselen de manen het vuile opruimwerk af met het schonere timmerwerk. Ik vraag me af wie hier op deze manier nog vrijwilliger wil zijn. Maar als we zaterdag afscheid van elkaar nemen, klinkt als laatste roep uit de auto "we hebben genoten, dus als je ons nodig hebt staan we paraat".
Het wijnuur bij de burgemeester, het uit eten de fantastische sfeer hebben hun werk weer gedaan. Later heb ik begrepen dat Giel nog weken onder doktersbehandeling is geweest voor een door stof aangetast strottenhoofd. 's Avonds ben ik weer alleen in Jeantes en bezoek ik de dansavond in de salle de fête te Plomion ter gelegenheid van de opening die middag van een tentoonstelling van fotografie met als thema "het leven in de Thierache" door studenten van de kunstacademie te Utrecht.
Zij hebben onderdak gekregen bij ons in de salle de fête te Jeantes en zodoende hebben ze ons uitgenodigd. Die avond kom ik erachter dat er inderdaad een hele Nederlandse kolonie in Jeantes en omgeving woont.


Van de burgemeester heb ik begrepen dat er alleen al in de zeven gehuchten van Jeantes 27 van de 220 inwoners Nederlander zijn. In een straal van circa 20 kilometer rond Jeantes wonen ongeveer 200 Nederlandse gezinnen. Iedereen kent iedereen en bij dit soort gelegenheden zoekt men elkaar op. Vele zijn verbonden door het vak kunst en zij verdelen hun tijd tussen de jachtige randstad en het rustige platteland. Ik maak kennis met een aantal van hen. Zij willen wel graag helpen bij de restauratie van de schilderingen, maar als ik erop wijs dat het stof eten nu ook bij de werkzaamheden hoort en niet alleen het leuke werk later, verdwijnt het enthousiasme als sneeuw voor de zon. We zullen daarom, ook in de toekomst, zijn aangewezen op onze eigen inbreng.
Op zondag vertrek ik na het nodige meetwerk van de mee te brengen materialen weer naar huis. Tot Pinksteren...


30 mei 1993


Met zijn vieren, Michel Pinxt en ik en onze echtgenotes zijn we weer op weg. Die Pinksterzondag zullen we ons beperken tot het inspecteren van "onze kerk" en het verkennen van de omgeving. We bezoeken diverse andere vestigingskerken in de buurt en chauvinistisch als we intussen al zijn, vinden we dat die van Jeantes het mooiste wordt. Overigens valt het me op dat er in de afgelopen jaren toch veel gebeurt aan restauratie van de kerken. Weliswaar wordt het werk nergens echt afgemaakt en beperkt de restauratie zich tot hoogst noodzakelijke conserveerwerk, maar er gebeurt tenminste iets in tegenstelling tot de andere jaren dat ik de kerken heb bezocht. De streek begint toeristisch toch meer in de aandacht te komen en dat is zeker niet ten onrechte. Als ik in Jeantes aankom heb ik het idee dat ik thuis kom. Op maandag moeten we flink aan de slag om het timmerwerk van de afzaten van de steunberen klaar te maken. Deze moeten worden afgedekt met leien en de leidekkers zijn al zover opgeschoten dat we moeten opschieten om ze voor te blijven. Vanaf maandag worden we twee dagen gevolgd door een journaliste van het Limburgs Dagblad.


Zij heeft gehoord van de activiteiten in Jeantes en mag van de krant een rapportage maken voor de zaterdagbijlage. Zij raakt geboeid door het werk en enkele weken later verschijnt onder de kop "Besmet met het Jeantes virus" een paginagroot artikel in de krant.
Op dinsdag komen de dakdekkers weer aan, samen met de onafscheidelijke schlagermuziek. Zij zullen nog tot 10 juni bezig blijven met het dakdekkerswerk. Later in juni wordt door Henk, Manfred en Otto de steiger afgebroken en afgevoerd. Een gedeelte van de steiger blijft staan. Die hebben we overgenomen van de aannemer. Op die manier kunnen we beginnen met de restauratie van het metselwerk en het voegwerk, want dat is er nog slecht aan toe.
Tot aan de zomervakantie volgt nu een periode van rust aan het front te Jeantes. Stilte voor de storm...?


Lunchpauze met de dakdekkers, mei 1993

De pastorie

Jeantes la ville Het Verhaal 1 Het Verhaal 2 Jeantes la ville
Nieuwe pagina 1
© Jeantes la Ville / Michel Pinxt / mei 2001 -