Home

Leidse brouwers in 1500

Van Tetrode

Door R. Ladan

Ga direct naar Plattegrond Leiden, Willem van Tetrode en het Sint Stevensgilde , Jacob Danelsz van Tetrode, Dirc Aerntsr van Tetrode en Kerst van Tetrode, Overmare landzijde, Hogewoerd, Noten, Bijlage

Bier was voor de inwoners van een Middeleeuwse stad de dagelijkse drank. Wijn was te duur, water vaak schadelijk voor de gezondheid en andere dranken als thee en koffie raakten pas later bekend of in zwang. Elke Middeleeuwse stad had een brouwindustrie, die in ieder geval de lokale markt bediende en soms het lokale belang oversteeg.

In de Hollandse steden Delft, Gouda en Haarlem ontwikkelde de brouwnijverheid zich tot een sterke exportindustrie, waarin een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking werk vond. De Leidse Middeleeuwse brouwnijverheid heeft het zo ver nooit gebracht. Zij bleef een bedrijfstak van plaatselijk belang, bescheiden van omvang in vergelijking met de dominerende lakenindustrie in eigen huis en de brouwerijen van de Hollandse biersteden.

In en rond het jaar 1500 stroomde het Leidse bier alleen door de kelen van de Leidenaren. Er was geen export, zoals in Haarlem, Gouda en Delft. Wie behoorden tot deze Leidse beroepsgroep en wat was hun positie binnen de stad? Centraal staan de brouwers die tijdens de eeuwwisseling in de stad leefden, het eerste moment dat voor Leiden een reconstructie van deze beroepsgroep is te maken.

Belasting van 1%
Aan het einde van de 15de eeuw besloot het armlastige Leiden een belasting van 1% op het vermogen van alle inwoners te heffen, een "looste penning" in de taal van die dagen.03 De belastinglijsten, uit de jaren 1498-1502, leveren de Leidse huishoudens uit die tijd. Combinatie met gegevens over brouwers, met name uit een rentenboek van het brouwersgilde, geeft een naar bon (stadswijk) gerangschikt overzicht van de Leidse brouwers uit ca 1500 (zie plattegrond Leiden). 04 De kern van het overzicht is een lijst (datering 1505-1510) van 19 brouwers uit het rentenboek. Van hen zijn 16 zelf en van 2 à 3 de vader in de belastinglijsten terug te vinden.06

Het rentenboek geeft ook een lijst (datering 1505-uiterlijk 1508) met 10 betalers van oorcondspenningen aan het gilde.07 Twee van hen, Mees Dircxz en Dirck Cornelisz, komen niet voor in de belastinglijsten, de overige acht wel.08 Twee van de tien hadden zeer waarschijnlijk geen eigen brouwerij: Willem van Lodensteijn en Katrijn, de weduwe van brouwer Danel van Tetrode. Willem, die in 1502 in het bon Burchstreng woonde, nam de zaken voor zijn bejaarde schoonvader Jan Claisz uit het bon Maredorp Landzijde waar.09 Katrijn en haar zoon Jacob Danelsz komen met verschillende woonplaatsen voor in de belastinglijsten.

Jacob van Tetrode
Jacob van Tetrode had de brouwerij in Maredorp Rijnzijde overgenomen, het bon waar vader Danel rond 1480 ook woonde.10 In de stad leefden bovendien rond 1500 nog verscheidene oude brouwers die enkele decennia daarvoor al actief waren" en personen die niet in het rentenboek voorkomen maar van wie aangenomen mag worden dat zij brouwer waren. Een vijftal mensen werd in de belastinglijsten als "(die) brouwer" aangeduid, maar had dat beroep niet.11

De lijst van 19 brouwers uit het rentenboek geeft het minimum aantal actieve beroepsgenoten, het overzicht van 29 zekere (en enkele waarschijnlijke) brouwers bevat brouwers in ruste. Het aantal brouwerijen in bedrijf is rond 1500 dus minstens 19, maar waarschijnlijk enkele meer (20 à 22) geweest. Voor wat hun positie binnen de stad betreft mag de groep in haar geheel als de Leidse brouwwereld van die jaren worden gezien.

Naar boven

Burgemeester Dirk Ottens van Leiden voor een brouwerij - Door Cornelis Engelbrechtsz 1518 Kon. Museum Brussel Anno 1500: Spreiding brouwerijen over de stad
Waar een brouwer woonde had hij ook zijn bedrijf: de bronnen spreken van woning en brouwhuis op één erf.14 Brouwerijen lagen aan water, om direct die belangrijke grondstof te kunnen putten. Op een schilderij uit ca. 1520 met een Leids stadsgezicht is een brouwerij, het bedrijf van Dirck Ottensz aan het Gangetje, te zien.15 Het was een fors gebouw van drie verdiepingen, nodig voor de verschillende handelingen van het brouwproces. 16

De brouwerijen lagen niet willekeurig over de oevers van de Leidse waterwegen verspreid, maar geconcentreerd binnen een aantal bonnen.17 Brouwerijen kwamen in 11 van de 18 bonnen voor, hoewel ook onder de resterende bonnen waterrijke stadsgedeelten waren. Binnen die 11 sprongen enkele bonnen er duidelijk uit. De bonnen met (betrekkelijk) veel brouwerijen lagen aan de Rijnarmen, dus breed, stromend water (alleen bon Gansoord lag met een "korte" kant aan de Nieuwe Rijn, wel woonde daar brouwer Willem Willemsz). De bonnen met het grootste aantal brouwerijen, Maredorp Rijnzijde en Burchstreng, lagen bovendien aan de oostzijde van de stad, waar de beide Rijnarmen de stad binnenstromen. Ook Gansoord en Hogewoerd, bonnen met voor hun omvang relatief veel brouwerijen, lagen aan de oostkant. Het water van de Rijn was daar nog zuiverder dan aan de westzijde van de stad. De vele watervervuilende vollerijen en ververijen van textielstad Leiden maakte het extra belangrijk te zorgen voor zo zuiver mogelijk water.

Goed water bepaalde de vestiging. Dat blijkt ook uit het feit dat de bonnen met veel brouwerijen weinig gemeen hadden. In het eerste jaar van de belastingheffing (1498) was de gemiddelde aanslag in Leiden iets meer dan 3 pond.18 Negen bonnen zaten boven, de andere negen onder dat stadsgemiddelde. Burchstreng was met gemiddeld 9 pond ruimschoots het rijkste bon, Gansoord zat met 5 pond boven het gemiddelde, Maredorp Rijnzijde met bijna 3 pond daar onder. Overmare Rijnzijde en Hogewoerd, ook met veel brouwerijen, scoorden beide nauwelijks meer dan gemiddeld één pond.

Brouwerijen lagen dus in de rijkste tot in enkele zeer arme bonnen. De brouwers uit Burchstreng bezaten gemiddeld 2000 pond vermogen, uit Gansoord 1725 pond, Maredorp Rijnzijde 1343 pond, Overmare Rijnzijde 1200 pond en Hogewoerd 883 pond.19 Binnen een op zich vermogende beroepsgroep woonden de rijkere brouwers in de gemiddeld rijkere bonnen, en de minder vermogende in armoediger bonnen. Anno 1500: Vermogenspositie Leidse brouwers De belastinglijsten van 1498-1502 tonen de vermogenspositie van de brouwers, zowel individueel als in vergelijking met de gehele stedelijke bevolking. Een indeling in vier klassen van de vermogens van de 3011 aangeslagen gezinshoofden geeft een globale indruk van de vermogens binnen de stad in het eerste jaar van de belastingheffing.20

Tabel 1 Vermogensverdeling Leiden 1498

vermogens-         aantal       % per-       som vermogens     % van 
    klasse         personen     sonen        per klasse        totale som  

   1000 lb         241           8%          638.055  lb       70,6% 
100-999 lb         885          29,4%        236.692  lb       26,2%
tot 100 lb         998          33,1%         28.705  lb        3,2%
geen               866          28,8%          -                 -    

Naar boven

Van de 30 brouwers en brouwersweduwen uit 1498-1502 van wie we het vermogen kennen, bezat één minder dan 100 pond, 11 zaten in de groep van 100 tot 1000 pond, de overige 18 in de klasse 1000 pond en hoger, waar slechts 8% van de stedelijke bevolking onder viel.21 Als beroepsgroep behoorden de brouwers dus zonder meer tot het welvarende deel van de bevolking. Bij een verdere uitsplitsing blijken de verschillen tussen de brouwers onderling en hun vermogenspositie ten opzichte van de andere Leidenaren.22

Tabel 2 Vermogensvergelijking brouwers-overigen 1498

vermogen in lb     aantal personen     van wie brouwer
14.000                1                  0
12.000-14.000         4                  0
10.000-11.999         3                  0
  8000-9999           6                  0 
  7000-7999           4                  1
  5000-6999           7                  1
  4000-4999           7                  1   
  3000-3999          30                  1
  2000-2999          50                  3
  1500-1999          51                  7 
  1000-1499          78                  4
   600-999          116                  4
   400-599           89                  2
   200-399          260                  5
   l00-199          420                  0
    50-99           192                  1

Naar boven

De brouwers hadden een gemiddeld vermogen van 1690 pond, wat ver uitsteeg boven het gemiddelde van een aantal andere beroepen.23 Tabel 2 laat zien dat zij ook individueel hoog scoorden. Bij de 14 rijkste Leidenaren zat weliswaar geen brouwer, maar bij de volgende 18 (vermogens dalend van 7999 tot 4000 pond) waren zij met 3 vertegenwoordigd. De rijkste Leidenaren vinden we onder de drapeniers.24 Afgezet tegen het grote getal van drapeniers, 275 volgens Posthumus, waren de brouwers niet slecht vertegenwoordigd.

Vermogens onder de 4000 pond waren veel dikker gezaaid. Daar vielen de overige brouwers onder, met een vrij grote spreiding. Een koppeling van de vermogens met het benodigde bedrijfskapitaal is niet te maken. Zo wisselde f 1500 een "huysinge ende brouwerije" in Maredorp voor 1300 pond van eigenaar. Het vermogen van de koper, Jan Adriaensz brouwer, werd in 1498 op 600 pond getaxeerd.25

Het verloop onder de brouwers
De groep brouwers uit 1500 kan worden vergeleken met het aantal brouwers dat ca. 1477 en in 1528 in Leiden werkte. In de jaren rond 1477 hebben zeker 23 brouwers, maar ongetwijfeld enkele meer, in de stad gewerkt. (Bijna) dertig lijkt aannemelijk.26. Onder hen maar liefst vijf Van Tetrodes: vier zonen van Aernt van Tetrode en familielid Jan.27 Van deze 23 komen 10 brouwers zelf, 2 weduwen en minstens 3 brouwende zonen terug in 1500. "In 1528 waren 12 brouwers bij het gilde aangesloten. Twee van hen kwamen al voor in 1500; minstens drie zijn nakomelingen van brouwers uit + 1500." De lijst uit 1528 is wellicht niet uitputtend, maar meer dan 15 à 16 brouwers zullen er niet in de stad zijn geweest.30 De tegen de dertig brouwers uit ca. 1477 stonden nog voor de welvarende jaren zeventig, waar later met weemoed als "hertog karels tiden" op terug werd gekeken. In aanmerking genomen dat de jaren 1480-1500 een tijd van politieke troebelen en economische stagnatie waren, valt 20 à 22 actieve brouwers in 1500 nog mee.

Wellicht bleef in eerste instantie het aantal bedrijven vrij stabiel, en uitten de slechte tijden zich in vermindering van werkzaamheden per brouwerij. In 1497 stonden inderdaad brouwerijen in de stad ongebruikt en werd een productiebeperking opgelegd, opdat elke brouwer werk zou hebben.31 Later zette de daling van het aantal brouwers door. In 1528 waren er aanmerkelijk minder brouwers, ongeveer de helft, in de stad werkzaam dan 50 jaar daarvoor. In bijvoorbeeld Haarlem was het al niet anders. Daar werkten in de 15e eeuw 100 à 115 brouwers, van 1496 tot 1530 daalde het aantal geleidelijk van 106 naar 76, door concentratie van de produktie bij de grotere bedrijven.32 Op bescheidener schaal kan zich in Leiden hetzelfde hebben voorgedaan. Vrouwen kwamen als zelfstandige brouwer niet of nauwelijks voor, wel zetten zij zonodig als weduwe het bedrijf voort - zoals Marytgen, de weduwe van Willem Hugenzoon.33 In 1528 maakte een Mary Wolpart deel uit van het gilde, mogelijk de weduwe of dochter van Volpert Roelofsz.34 We moeten tot 1411 teruggaan voor een als "die brouster" aangeduide vrouw, die aan het hoofd van een brouwerij stond.35

Naar boven

Brouwers in de politiek
Als beroepsgroep hebben de brouwers niet vaak invloed proberen uit te oefenen in het politieke leven van de stad. Voorbeelden zijn schaars: in 1484 verscherpte de stad op verzoek van de brouwers de regels voor het tappen van bier.36 De "gemeen brouwers" wendden zich in 1522 tot het.stadsbestuur met het verzoek de prijsstelling van bier en het accijnstarief te veranderen, om het mogelijk te maken een goede kwaliteit bier te brouwen.37 De brouwerij liet zich als een nijverheid in de schaduw van de textiel kennen toen in 1531 bij een stemming van de vroedschap over een brouwerijzaak de brouwers werd verzocht de vergadering te verlaten.38 Het zou ondenkbaar zijn geweest de drapeniers weg te sturen.

Individuele brouwers zijn wel te vinden in de bestuurlijke top van de stad, onder de (vier) burgemeesters en (acht) schepenen. Buiten die ambtenkon men ook respectabele functies vervullen (tresorier, kerk- of gasthuismeester, bonmeester), maar dit waren de begeerde topfuncties. Van de ongeveer 60 bekende brouwers uit de jaren ca. 1477 tot 1530, zijn 15 à 20 man ooit burgemeester of schepen geweest, een hoog aantal. Er was een aanzienlijk verschil tussen de 15de en de 16de eeuw. Van de 23 bekende brouwers uit f 1477 vervulden - in de periode 1470 tot 1500 - zes à zeven brouwers zo'n functie. Afgezien van niet geïdentificeerde brouwers waren in deze 30 jaar ongeveer 20 jaar zonder brouwers in de hoogste ambten.39 De volgende periode geeft een heel ander beeld. Van 1500 tot 1550 waren slechts weinig jaren zonder brouwer onder de schepenen of burgemeesters.40 Van de brouwers uit ca. 1500 waren 10 à 11, dat is een derde, ooit burgemeester of schepen.41

Van de 12 brouwers uit 1528 drong de helft door tot de stedelijke topfuncties.42 Er waren jaren dat brouwers veel plaatsen binnen de bestuurscolleges bezetten: 5616 (3 schepenen), 1517 (1 burgemeester, 2 schepenen), 1532 (2 burgemeesters). Frequent traden op: Dirc Ottensz, Jan Reijersz, Frans Gerijtsz Goel en Gerijt Boekelsz Butewech. Butewech was, ook andere functies in beschouwing genomen, in de zestiende eeuw de absolute koploper.43 Brouwers waren dus in het algemeen niet alleen vermogend, maar ook ruimschoots te vinden onder hen die in Leiden de lakens uitdeelden. De belangrijkste bestuurscolleges bestonden soms voor een relatief groot deel uit brouwers. Maar een aantal van hen heeft zich niet uitsluitend, en misschien zelfs niet in de eerste plaats, brouwer gevoeld.

Naar boven

Brouwen als hoofd- en nevenberoep
De (financiële) positie van een aantal brouwers was niet alleen op de brouwerij gebaseerd. Wie van Posthumus' "Bronnen van de Leidse textielnijverheid" kennis neemt heeft alle reden te veronderstellen dat Dirc Ottensz een drapenier was. Dirc was enkele malen waardijn, betaalde velaccijns en werd beboet wegens het overtreden van de lakenkeuren. Voor Frans Gerritsz Goel, actief als brouwer vanaf ca. 1520, gold dat in nog sterkere mate. Hij was + 1525 één van de grootste lakenproducenten van de stad: in 1527 1605 stuks op een stedelijk totaal van 22.550.45

Brouwers in de textiel
Het jaar daarop was hij homan, dat was bestuurslid, van het brouwersgilde en tekende als Frans Gerritsz Goel brouwer.46

In 1531 behoorde Goel tot de brouwers die de vergadering van de vroedschap moesten verlaten bij stemming over een brouwerijzaak.47 Dirc van den Bosch werkte als blauwverver en drapenier.48 Het zijn voorbeelden. Veel brouwers waren, hoe structureel is moeilijk te zeggen, actief in de textielindustrie, wat blijkt het betalen van velaccijns en uit veroordelingen wegens het overtreden van de lakenkeuren.49 En wat te denken van "Gerijt de brouwer volder"? Wie die daar toe in staat was probeerde een graantje mee te pikken in de textiel. Maar daar niet alleen: Gerijt Beukelsz Butewech was behalve brouwer eigenaar van een steenbakkerij.51

Brouwers en barbier
Willem Claisz uit het bon Gansoord was tegelijk brouwer en barbier.52 Tot welke beroepsgroep rekende men zichzelf? Sommige brouwers kregen, of gaven zichzelf, nooit die aanduiding, anderen juist vaak.53 De verstrengeling van werkzaamheden hing samen met het gereguleerde, Middeleeuwse karakter van de Leidse economisch leven tot ongeveer 1575.

De restrictieve bepalingen, gericht op kwaliteitsbewaking en de bescherming van de kleine beroepsgenoot, stonden een werkelijk moderne bedrijfsvoering in de weg. Dit economisch milieu gaf actieve, rijke ondernemers een impuls om zich op meer dan één terrein te begeven.54

Arme brouwers
Binnen de brouwwereld was er een aanzienlijk verschil tussen de kleine brouwers die zelf full-time bezig waren, gesteund door wat personeel, en de vermogende beroepsgenoten die zich ook met andere zaken bezighielden en dan de brouwerij aan hun meesterknecht overlieten. De sociaal-economische en politieke positie van mensen als Dirc Ottensz en Gerijt Beukelsz Butewech was dan ook niet uitsluitend aan het beroep brouwer verbonden. Deze groep voelde zich, bezig in de brouwerij of actief in het gilde, volledig brouwer - maar op andere momenten geheel drapenier of steenbakker.

Naar boven

Het St. Stevensgilde
Het Leidse bierbrouwersgilde werd in 1461 opgericht. Het was daarmee een tamelijk oud gilde.55 Op de zesde november van dat jaar kwamen voor het gerecht Jacob Pieter Cops, Claes Claesen Jacobse, Willem van Tetrode, Claes Jansz, Rutger Jansz en "andere goede mannen van de brouwerien binnen Leyden". Het gerecht gaf toestemming in de Onze Lieve Vrouwekerk een altaar op te richten, in de omloop van het koor, naast het Heilig Sacrament. Zij mochten op het altaar een broeder- en zusterschap aannemen en diensten houden, net zoals de andere broederschappen binnen Leiden dat deden. Het werd opgericht ter ere van Maria, de heilige martelaren St. Steven en St. Joris, de heilige confessor St. Anthonis en de heilige jonkvrouwe St. Cecilia en op de gebruikelijke manier fraai versierd.

St. Steven was de heilige die de brouwers zich in het bijzonder als patroon kozen. Het gilde heette in de wandeling St. Stevensgilde of -broederschap en het hofje dat brouwer Willem van Tetrode in 1487 op de huidige Haarlemmerstraat stichtte kreeg de naam St. Stevenshofje. Het brouwersgilde zal de gebruikelijke religieuze en sociale activiteiten hebben ontplooid.

Het gilde bezat in 1505 zes renten, met een gezamenlijke opbrengst van bijna 12 pond hollands per jaar. Eind jaren dertig was dat 23 pond hollands.57 Met de jaarlijkse bijdrage van 16 groten aan de Vrouwekerk zat het brouwersgilde (als één van de 14 broederschappen binnen deze kerk) beslist niet hoog.58

26 december
Het gilde werd bestuurd door vier homans. De homans werd "omstreeks Nieuwsjaarsdag" gekozen, op één van de twee gildemaaltijden. Waarschijnlijk kwam men op 26 december bijeen, de feestdag van St. Steven.

Om de continuïteit te bewaren werd uit de oude bestuursleden een "out homan" herkozen, de anderen werden "nieuwe homans" genoemd. De homans gaven leiding aan het gilde, ontvingen de renten van het gilde en haalden jaarlijks tegen Kerstavond de oorcondspenningen op.59

Naar boven

Recessie
In Leiden werkten in de jaren rond 1477 minstens 23 brouwers, in 1500 hoogstens 20 à 22, in 1528 nog 12 à 16. De dalende reeks is in overeenstemming met de demografische stagnatie en de neergaande economische bedrijvigheid. De Hollandse biersteden met hun exportindustrie telden, hoewel kleiner dan Leiden, een veelvoud aan brouwers. Haarlem had in 1490 114 brouwers, 95 in 1503, 79 in 1528. In Gouda stonden rond 1500 156 brouwerijen.61

Het schaalverschil is evident, de aantallen Leidse brouwers bevestigen de positie als lokale nijverheid. En van de thuismarkt moesten de brouwers nog een deel afstaan: rond 1500 werden aanzienlijke hoeveelheden bier van buiten afgezet, vooral uit Delft.62

Stromend water
De brouwers zochten breed, stromend water op. De bedrijven concentreerden zich in een aantal bonnen, met name aan de oostzijde van de stad. Rond 1500 waren Maredorp Rijnzijde en Burchstreng de bonnen met de meeste brouwerijen. In 1498 bezaten van 30 brouwers en brouwersweduwen, actief en in ruste, 18 een vermogen van 1000 pond of meer, een vermogensklasse waartoe slechts 8% van de bevolking behoorde; het gemiddeld vermogen van de 18 was 2610 pond, van alle brouwers 1690 pond.

De brouwers waren als beroepsgroep in het algemeen vermogend. In 1498 waren bij de 32 rijkste Leidenaren drie brouwers. In de 16e eeuw brachten veel brouwers het tot schepen of burgemeester. In de periode 1470-1500 gebeurde dat minder vaak. Het beeld van de brouwers was dat van een Leidenaar in tamelijk goede doen, onder wie - in de eerste helft van de 16e eeuw - ook veel met politieke macht. Dit groepsprofiel was echter niet alleen op het beroep brouwer gebaseerd. Juist onder de prominente brouwers vinden we vermogende ondernemers die zich ook met andere (economische) activiteiten bezighielden, of beter, niet alleen brouwer waren.

Naar boven


BIJLAGE

De brouwers leefden verspreid in een aantal wijken (bonnen).
Leiden in 1500

Leiden

R = Rapenburg E = Over `t Hof C = Vleeshuis Q = Nieuwland
P = Levendaal A = Wanthuis H = Kerkvierendeel

WOLHUIS = B
1. Volpert Roelofsz. Vermogen 2400 pond. 63 In 1509 homan van het gilde.64 Schepen en burgemeester.65 Actief in de textiel.66 Volpert overleed in 1527 / 1528, mogelijk zette vrouw of dochter Volpart het bedrijf voort.

GASTHUIS = D

2. Huge Willemsz Vermogen 1800 pond.68 Huis met brouwerij op de oude Vismarkt, tussen de Maarsmans- en Mandemakerssteeg.(j' Getrouwd met Marytgen; 6 kinderen. Huge overleed in 1505, waarna Marytgen het bedrijf leidde tot zoon Jacob Hugenr het overnam." Huge liet een forse erfenis na, onder andere huizen en land." In 1522 was Jacob homan van het gilde.72 Hij huwde Aechte Gerritsdr Smaling, zij kregen kinderen. Aechte overleed vóór juli 1549.73 Jacob woonde + 1560 op het Rapenburg (nu no. 7).74

Naar boven

ZEVENHUIZEN = F
3. Dirc van Leeuwen Vermogen 300 pond. " Er woonden meer personen van die naam in Leiden, dit zal de brouwer zijn.76

BURCHSTRENG = G
4. Aernt Jansr brouwer. Vermogen 1100 pond." Weduwnaar, voerde met zijn kinderen een huishouding. Al in 1470 kocht Aernt Jansz die brouwer huizen, waar onder een brouwerij met inventaris, in Maredorp.

5. Florìjs van Bosch. Vermogen 1600 pond. " Zoon van brouwer Dirc van Bosch uit de bon Hogewoerd." Schepen. Een rijk man, zoals ook blijkt uit zijn testament van mei 1513." Toen gehuwd met Alijdt Hugendr; hun enige kind, Comelis, was waarschijnlijk net overleden." Floris stierf 31 mei 1521, zijn vrouw 5 november 1546, zij werden begraven in de Pieterskerk.83

6. Gerijt Heije 7200 pond vermogen, verreweg het grootste onder de brouwers, maar hij kon zijn aanslag niet opbrengen en werd "gelicht".84 In 1508 vermogen tot 3000 pond geslonken." Afkomstig uit Gouda; werd in 1484 Leids poorter en dochter Magaretha huwde Nicolaas van Zijl." In 1509 homan van het gilde.** Overleden na 1521."

7. Jan Reyer (Dircsz) Vermogen 900 pond.90 In 1501/02 in het bon Burchstreng komen wonen, betrok huis met brouwerij op de Nieuwe Rijn, ter hoogte van de Burcht, tussen Ghijsbrecht Gerijtsz en Peter Comelisz, schilder. Daarvoor Koepoortsgracht, bon Nieuwland." In 1530 daksubsidie en nogmaals in 1532, voor leidak op woonhuis en brouwerij.93 In 1509 homan gilde.94 Zoon van Reyer Dircxz, waarschijnlijk drapenier, overleden na 1510.95 Eerste huwelijk (kort voor 1500) met Elsgen Symonsdr, die vóór einde 1517 overleed; 6 kinderen.96 Tweede huwelijk (1518) met Geertruyt Jansdr; 2 kinderen." Jan Reyersz overleed in 1553. Zijn nageslacht zou de familienaam Heemskerk gaan voeren.98 In 1518 bezat hij landerijen, renten, huizen en voor 400 pond aan zilverwerk; jongste zoon Willem behoorde in 1584 tot de 18 rijkste Leidenaren.99 Jan en na hem zijn zonen Symon, Dirck en Willem, waren vele malen schepen en burgemeester; Jan in de periode 1516-1537.

8. Martijn Pietersr brouwer Vermogen 900 pond."' Hoewel niet geheel zeker, waarschijnlijk een brouwer. Er waren nog twee Martijn Pietersz', de toevoeging brouwer kan een onderscheid door beroepsaanduiding zijn."' Bovendien liet hij aan het Catharinagasthuis in plaats van de gebruikelijke som geld 3 vaten bier na, wat brouwers vaker deden."' Martijn Pietersz was schepen.103 Hij overleed februari-november 1509."' Zijn vrouw stierf vóór juli 1499; twee dochters.105

9. Kerstant/Cornelis Ghijsbrechtsz. Vermogen 300 pond.106 Hij woonde elders, maar gebruikte de brouwerij van de familie Bijman in dit bon." 4 Comelis was gehuwd geweest met Katrijn (overleden 23 maart 1492), dochter van Pieter Bijman.108 Moeder Katrijn, weduwe van brouwer Pieter Gerijtsz Bijman, en "Comelis hoir zwager" werden in 1489 / 1490 samen beboet.109 Na het overlijden van zijn schoonmoeder (vóór 1498) zal hij het bedrijf hebben voortgezet.

Naar boven

GANSOORD = I
10. Willem Willemsz brouwer Vermogen 4800 pond."' Woonde op de Nieuwe Rijn, tussen Hooigracht en Middelste Gracht."' In 1509 homan gilde."' Zoon van brouwer Willem Claisz en Hillegond Willemsdr (overleden resp. 17 november 1491 en 2 oktober 1492); vader van brouwer."3 Rond 1490 verwierf hij het Leidse poortrecht, maar legde dat in 1493 al weer neer.114 Eerste huwelijk met Comelie Dammas Symonsdr (overleden 21 april 1505), zij kregen 9 kinderen.115 Tweede huwelijk met Pietertgen Adriaensdr (overleden uiterlijk 1527).116 Willem gebruikte het familiebedrijf "op Gansorde". Zoon Quirijn Willemsz begon een eigen brouwerij die in 1512 werd uitgebreid.'17 Willem was schepen.

11. Jan Willemsr brouwer. Vermogen 300 pond. "' Niet bijzonder gefortuneerd en geen stedelijke topfuncties, wel "klein" werk als de schutterij."' Overleden in 1510/1511.120

12. Heijnrick Dircxr brouwer Vermogen 75 pond. "' Mogelijk de vader van brouwer Claes Hemijksz dief 1508 in Leiden werkte'**, die weer de Claes Henrijksz kan zijn die in 1512 in Gansoord woonde. lz3 Bij elkaar reden hem onder voorbehoud als brouwer op te nemen.

St. NICOLAASGRACHT = J

13. Dirck Ottenrz Vermogen 1000 pond.124 Dirc Ottensz (1476.1544), behoorde tot de prominente Leidenaren van zijn tijd. Ook actief in de lakenindustrie. Vader Otte Heymicsz overleed op 28 september 1486, moeder Ymme op 6 oktober 1505.6 Dirc was in 1511 homan van het gilde.127 Hij trouwde met Comelie Pietersdr, hun twee kinderen, Gilles Dirck Ottensz (?-1559) en Adriaen Dirck Ottensz (?-1571) werden ook brouwer. Dirc en zonen vervulden stedelijke bestuursfuncties. Dirc was in de jaren 1517-1542 vele malen schepen of burgemeester. Hij verhuisde vóór medio 1511 naar de Hogewoerd/Gangetje, waar hij een huis met brouwerij betrok.

Naar boven

MAREDORP RIJNZIJDE = K

14. Willem Symonrz brouwer. Vermogen 500 pond.131 Brouwerij aan Oude Rijn, in 1499 vervanging 9 roeden rietdak door pannen."' Echtgenote overleed in 1509.'32

15. Jacob Danelsz van Tetrode Vermogen 1600 pond.133 Zoon van brouwer Danel van Tetrode (aan de pest overleden in 1494). 134 Zijn moeder Katrijn (vermogen van 6000 pond) woonde elders in de stad.135 Jacob stierf op 10 januari 1519 (begraven in de Pancras); zijn vrouw Agatha Jansdr op 25 mei 1518.136 Brouwerij overgenomen door zoon Danel Jacobsz, die trouwde met Haesgen Dircksdr.137 Geen kinderen, zodat met Danel een eind kwam aan deze tak van de brouwersfamilie Van Tetrode.138 Danel overleed in 1535.139

16. Quirajn Dircsr brouwer. Vermogen 1800 pond.140 Vader van brouwer Willem Quirijnsr, die trouwde met Genefeva Pietersdr (overleden in 1518); drie dochters. 141 Quirijn was toen nog in leven.

17. Jan Aerntsz van Tetrode. Vermogen 2200 pond. Ca. 1477 al actief. Woonde naast de "doetbaan" aan de Vest(sloot).143 Gehuwd met Machteld Heijnricksdr.144 Jan Aemtsz overleed, op hoge leeftijd, op 20 januari 1527; hij werd in de Pancras begraven.145

18. Jan de Wilde brouwer. Vermogen 1300 pond. 146 Al brouwer rond 1477. In 1506 daksubsidie voor pand bij Jan Vossensteeg, mogelijk zijn brouwerij.147 Zijn echtgenote stierf in 1499, Jan zelf in 1507; zij hadden kinderen.148

19. Allert Meesr Vermogen 200 pond.149 Brouwerij aan de Oude Rijn, in 1514 subsidie voor aanbrengen leien."' Overleed vóór februari 1522.151 Testament (uit 1526) van weduwe Sophie beschreef behoorlijk vermogen.152 Vier kinderen; één van de twee zonen, Quirin Allertsr, volgde op in de brouwerij. Allert Meesz had in 1498 een bescheiden vermogen en drong niet door tot de hogere bestuurlijke functies, wel was hij bonmeester. Quirijn Allertsz (1500-1559) was vele malen schepen.154 Hij trouwde met Lijsbet Jan Comelisdr.55 Hij heeft onder meer in de Hoogstraat, op de hoek bij de Visbrug, gewoond."s

20. Jacob van Noorde. Vermogen 1800 pond. "' Rond 1480 al in dit bon werkzaam als brouwer.158 Jacob overleed in 1502, zijn vrouw Claesgen Claes Victorsdr op 2 september 1509. 151 In 1507 vertrok een Aelbaem van Noorde brouwer uit de stad, mogelijk een zoon van Jacob die in 1502 de brouwerij had overgenomen.

Naar boven

MAREDORP LANDZIJDE = L
21. Jan Claisz brouwer. Vermogen 3600 pond.161 Vrouw Adriane stierf op 3 september 1504, hijzelf, op hoge leeftijd, op 27 maart 1510.162 Schepen en behoorde in 1492 tot de 4 man die uit de vroedschap werden gekozen om 2 dagen per week de burgemeesters op het stadhuis bij te staan.163 Jans' dochter Katrijn was gehuwd met Willem van Lodensteijn, die in het renteboek van het gilde wordt genoemd.164 Waarschijnlijk voerde Willem het bedrijf voor zijn bejaarde schoonvader, en kwam zo in het gilde terecht. Katrijn overleed op 19 juni 1504; twee dochters.165 Willem overleed waarschijnlijk tussen 1506 en 1515.166

OVERMARE RIJNZIJDE = M
22. Dirc Aerntsr van Tetrode
Vermogen 1200 pond.167 Al brouwer in 1477. Waarschijnlijk overleden hij, zijn vrouw Neeltgen en drie kinderen in 1517/18.168

23. Dirc van Delff. Vermogen 1800 pond.169 Ook al actief in 1477. Voerde samen met zijn dochter een huishouding. Overleden februari-november 1504.171 Claer, zijn dochter, hielp het Leidse Weeshuis aan een eigen brouwerij.172

24. Jan Adriaensz brouwer. Vermogen 600 pond.17' Kocht vóór juni 1502 woonhuis met brouwerij van zwager Hobbe Pietersz, in Maredo 'p, naast heer Willem van Petten.173 Moeder Hadewij stierf in 1499 als begijn.' ' Adnaen leefde nog in 1520.175

OVERMARE LANDZIJDE = N
25. Kerst+ van Tetrode
Vermogen 2400 pond.76 Kerstijn Aerntsdr was de weduwe van brouwer Willem van Tetrode, die mogelijk overleed op 4 december 1487, kort na stichten St. Stevenshofje op de huidige Haarlemmerstraat, naast hun huis.177 Geen kinderen; de brouwerij zal door iemand anders gebruikt zijn. Kerstijn overleed tussen februari en november 1508.178

20. Willem Gerijt Heerenz. Vermogen 300 pond.179 Overleden 1512/13.80

HOGEWOERD = O
27. Dirc van Bosch. Vermogen 1600 pond. "' Als brouwer in 1477 genoemd. Actief in de textiel.182 Schepen en burgemeester. Overleden in 1505.183

28. Gerijt Aerntsr (die lange printer) Vermogen 450 pond.184 Leefde nog in 1514.185

29. Willem Stoep Symonsz Vermogen 600 pond.186 in 1518.187 Schepen.

Naar boven


NOTEN
GAL = Gemeentearchief Leiden, met de archieffondsen: SA 1 = Secretariearchief 1253-1575; Ke = archief Kerken; Gh = archief Gasthuizen; Weesk = archief Weeskamer; ORA = Oudrechterlijk Archief; Gi = archief Gilden. ARA = Algemeen Rijksarchief, archieffondsen: HvH = Hof van Holland; Rekrek = Grafelijkheidsrekenkamer Rekeningen.

01. Aan de Middeleeuwse Hollandse brouwnijverheid is nog geen monografie gewijd. Naast de algemene literatuur zijn er studies over enkele steden: J.C. Loenen, De Haarlemse brouwindustrie vóór 7600 (Amsterdam, 1950); V.C.C.J. Pinkse, "Het Goudse Kuitbier" in: J.E.J. Geselschap e.a. (ed), Gouda zeoen eeuwen stad, hoofdstukken uit de geschiedenis Darz Gouda (Gouda, 1972) 91-129. Aanzet voor Leiden: R. Ladan, Bier, brouwer en belasting. Aspecten van de Leidse brouwnijverheid van f 7400 tot f 7540 (ongepubliceerde doctoraalscriptie RUL; Leiden, 1988).

02. Deze bijdrage richt zich uitsluitend op de brouwers (een artikel over de Leidse brouwnijverheid is in voorbereiding). Buiten beschouwing blijven het personeel van de brouwers en de brouwerijen/brouwers van gasthuizen en kloosters, die in het Middeleeuwse Leiden aanwezig waren.

03. De lijsten staan in de stadsrekeningen over (1497)-1498, 1499, 1500, 1502, respectievelijk GAL, SA 1, inv. 578, f'27v-98v, inv. 579, f27r-f56r, inv. 580, f34r-f52v en inv. 581, f30r-f54v. Het ging om 3011 aangeslagen gezinshoofden van wie een aanzienlijk deel te arm was om aan de belasting bij te dragen. De heffing werd genoteerd per bon, stadsgedeelte, waarvan Leiden er in die tijd 18 telde. De stadsrekeningen liepen van 10 november tot 10 november; rekeningjaar (bijv.) 1497-1498 als "1498" in bijdrage. In dit artikel de jaren 1498-1502 bijeengenomen als " 1500".

Een korte typering van de belastingheffing in: D.E.H. de Boer, "Te vongelinc geleit." Sociale en economische problemen in Leiden aan het eind van de middeleeuwen", Leidse facetten. Tien studies ouerleidsegeschiedenis (Zwolle, 1982) 7-22, aldaar 8-11. Analyse in: N.W. Posthumus, De geschiedenis van de Leidse lakenindustrie I. De Middeleeuwen (veertiende tot zestiende eeuw), ('s-Gravenhage, 1908) 386-405 en bijlagen.

Naar boven

04. Het rentenboek van de St. Stevensbroederschap (het brouwersgilde) loopt over de jaren 1505.1538 (GAL, Ke, inv. 373). Overig materiaal: o.m. stadsrekeningen, rekeningen van het St. Catharinagasthuis, voogdijregelingen, rechterlijke archieven.

05. GAL, Ke, inv. 373, f24v (lijst verder rentenboek-B te noemen). Datering lijst: na aanleg rentenboek (1505) en vóór overlijden Jan Willemsz (tussen 21 februari 1510-21 februari 1511; GAL, Gh, inv. 335, no. 5, f3v), die op de lijst voorkomt.

06. De 16: no's 1,2 (inrenteboek-B deweduwe), 3,4,5,6,7,9,10,11,13,14,15 (Jacob), 17, 19, 22. De zonen: Willem Quirijnsz in rentenboek, vader Quirijn Dircsz in belastinglijst (no. 16), idem Quirijn Willemsz met vader Willem Willemsz (no. 10) en (mogelijk) Claes Henrijksz met vader Heijnrijk Dircxz brouwer (no. 12). De 19e naam was Willem Hugenz, mogelijk de Willem Hugenz van Noorden uit de belastinglijsten, maar die was toen zeker (nog) geen brouwer (GAL, SA 1, inv. 578, f34r). Zijn vermogen was in 1498 slechts 60 pond, hij bracht slechts 1/3e van zijn aanslag op. Hij woonde in het bon Hogewoerd, terwijl brouwer Willem Hugenz later zou wonen en brouwen op de Nieuwe Rijn, ter hoogte van de Nieuwstraat (GAL, SA 1, inv. 1541/R 1427).

07. GAL, Ke, inv. 373, f22v (verder te noemen: rentenboek-A). Datering: na aanleg rentenboek (1505) en vóór overlijden Kerstijn van Tetrode in februari/november 1508 (GAL, SA 1, inv. 587, f3r in combinatie met GAL, Gh, inv. 335, no. 4, f4r).

08. Mees Dircxz overleed op 22 april 1511 (GAL, Ke, inv. 417, f74r). In de belastinglijsten één Dirck Comelisz, bon Rapenburg, (uitsl. 1498). Vermogen geschat op 40 pond, maar wegens armoede betaalde hij niets. Geen brouwer (GAL, SA 1, inv. 581, f54v).

De acht: no. 5,15 (alleen Katrijn), 16,17,21 (alleen Willem van Lodensteijn), 25,26,28. Delijst wekt de indrukveel inactieve" te bevatten. Slechts 2 van de 10 (4,17) komen ookvoorin lijsten met actieve brouwers, wat kan betekenen dat de betalers van oorcondspenningen van rentenboek- A een bijzonder positie in het gilde innamen, bijv. weduwen en brouwers-in-ruste. Van de 10 zouden relatief veel snel na f 1507 komen te overlijden, wat op hoge leeftijden kan wijzen.

09. GAL, SA 1, inv. 581, f44v. Buiten renteboek-A is mij geen vermelding van Willem van Lodensteijn als brouwer bekend.

10. ARA, Rekrek, inv. 178, f15r.

Naar boven

11. Actief in i. 1477, mogelijk niet meer in f 1500: no's 18,21,23,27; in f 1500 nog wel actief: no's 4, 17, 22 (allen rentenboek-B).

12. De no's 8, 12, 24, 29.

13. De aanduiding "brouwer" in de bronnen sloeg niet altijd op een beroep. Het kon een (zich vormende) achternaam zijn, zeker als behalve het lidwoord ook een patroniem ontbrak. De verkoop van bier in 1513 door brouwer Dirc Ottensz aan Symon brouwer is een sprekend voorbeeld (GAL, SA 1, inv. 685, los blad tussen fl2-f13). Bij de vermelding van een"brouwer" is bevestiging uit andere bron geëist voordat iemand als brouwer is opgenomen: personen uit het rentenboek van het gilde en zij die als "die brouwer" voorkomen zijn als brouwer opgenomen, tenzij er redenen zijn daar van af te wijken (hoewel brouwersknechten doorgaans met die term werden aangeduid noemde het Catharinagasthuis haar knechten ook wel "die brouwer" of "onse brouwer" (GAL, Gh, inv. 302, passim)). Verder is van geval tot geval een afweging gemaakt.

De vijf niet-brouwers f 1500: 1. Gerijt (Aemtsz) brouwer (GAL, SA 1,inv. 578, f68r). Geen aanwijzing dat hij een brouwer was; wel actief in de textiel (o.a. genoemd in opsomming waardijns en drapeniers uit 1493 (N.W. Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid `s-Gravenhage, 1910-1922),1 enII,met nameII,no. 703). 7 augustus 1509overleden (GAL, Ke, 417, fl72r). Wel in deze tijd een "Gerijt die brouwer" als knecht Catharinagasthuis (GAL, Gh, inv. 302, no. 28, f21v). 2. Claes brouwer;uitsl. 1502 (GAL, SA 1, inv. 581, f46r). Vermogen 75 pond, laag voor een brouwer. Geen aanwijzing dat hij een brouwer was, hoewel brouwers van deze naam in Leiden hebben geleefd (van 1438 tot 1479 vermeldingen van brouwerclais Claisz (GAL, ORA, 4A, p99; GAL, Gi, inv. 81; GAL, SA 1, uw. 84, fl80r). Een brouwerclaes Claesz overleed voor of in 1493 (GAL, SA 1, inv. 563, f29v). Na Claes brouwer een Claes Claesz brouwer genoemd in 1512 (GAL, SA 1, inv. 655) tot in de jaren dertig (GAL, ORA, 76C, acte 86). 3. Aemt (in 1502: Gerijtsz) brouwer, Gansoord (GAL, SA 1, inv. 578, f73v). In latijnse tekst "brouwer" i.p.v. "braxator" genoemd, dus geen brouwer (GAL, Ke, 417, f172r; anno 1509). 4. Jan Jacopsz de brouwer; vermogen geschat op 50 pond, betaalde slechts deel (uitsl. 1498; GAL, SA 1, inv. 578, f8Ov). Waarschijnlijk brouwersknecht. Jan van Stagen, een brouwersknecht, ook op 50 pond getaxeerd (GAL, Gh, inv. 302,36, f3r; (GAL, SA 1, inv. 578, f7Ov). 5. Jan brouwer, Maredorp Landzijde. Vermogen op 40 pond getaxeerd, maar betaalde niets wegens armoede (GAL, SA 1, inv. 578, f91v). Woonde temidden van andere armen in de Duizendraadsteeg.

Naar boven

14. Voorbeelden: GAL, Weesk. inv. 113A, f109r; GAL, ORA, inv. 41H, f63r; GAL, SA 1, inv. 593, f98r.

15. Het schilderij hangt in het Museum voor Schone Kunsten te Brussel. Afbeelding o.a. in J.D. Bangs, Cornelis Engebrechtsr's Leiden. Studies in Cultural History (Assen, 1979) 216. Na enige discussie wordt thans niet meer betwijfeld dat het Dirc Ottensz en diens brouwerij betreft (zie: Leidenaars voor de Grote Raad 7470-1580, (Leiden, 1981) 27).

16. De ruimte op de begane grond werd ingenomen door eest, brouwketel en beslagkuipen. De eerste en tweede verdieping waren voor het mouten van het graan en opslag. Op het schilderij is men juist bezig voorraden naar de tweede verdieping te hijsen. Bij het maken van mout uit graan werden korrels bevochtigd om te ontkiemen. Op de zolder werd het natte, ontkiemde graan in een tochtstroom weer gedroogd; een luik staat daartoe open. Voor de brouwerij staat een hefboom om water te putten, dat via een goot de brouwerij binnen werd geleid. Links van de brouwerij staat een varkenshok. Varkensmesten was een voor de hand liggende bijverdienste: een brouwer had bostel (afvalproduct brouwerij), een veel gebruikt veevoer, in overvloed. Ontwikkeling van het brouwproces van de 14 tot de 17e eeuw: Loenen, De Haarlemse brouwindustrie, 22-30

17. De aantallen brouwerijen zijn gelijkgesteld aan de 29 brouwers uit het overzicht van 1500. Vanzelfsprekend is het mogelijk dat brouwerij en woonhuis in verschillende bonnen lagen, maar in de regel lagen woonhuis en brouwerij op één erf. Gescheiden wonen en werken kwam verder de 16e eeuw waarschijnlijk vaker voor, met vermogende Leidenaren met meer dan één economische bezigheid (vergelijk de paragraaf over "Hoofd- en nevenberoep").

18. De Boer, Te uongelincgeleit, 10. NB: Geldbedragen staan in ponden (in de tabellen: lb) van 40 groten en een enkele keer (uitdrukkelijk) in het pond hollands van 30 groten.

19. Het gemiddelde voor Gansoord wordt nog gedrukt door de 75 pond van Heinrick Dircksz brouwer, die onder voorbehoud in het overzicht van brouwers 1500 is opgenomen. Zonder hem 2550 pond. NB: gezien kleine aantal waarnemingen mogen de gemiddelden slechts als indicatie worden gezien.

Naar boven

20. Posthumus, Geschiedenis lakenindustrie, 388.

21. De brouwers zijn de 29 van het bongewijze overzicht van 1500, plus Katrijn Danel van Tetrode weduwe, wier vermogen immers uit de brouwnering voortkwam.

22. Tabel 2 gebaseerd op Posthumus, Geschiedenis lakenindustrie, 386-387.

23. Posthumus, Geschiedenis lakenindustrie, 397-398.

24. Posthumus, Geschiedenis lakenindustrie, 397-398.

25. GAL, ORA, inv. 41H, f63r (met 1299 Rijnsgulden à 40 groten). Zie noot 172.

26. In de stadsrekening over 1477 een lijst van 10 brouwers die bier aan de stad verkochten (GAL, SA 1, inv. 556, f141v-142r). Het waren: Dirc van Bosch, Dirc van Delff, Dirc Hont, Dirc Wouter Danelsz, Heijnric Baselaer, Jan Claisz anden Roden Steen, Jan van Tetrode, Willem van Tetrode, Willem Claisz op Gansoord, Willem Jacob Eversz. De overigen komen uit 1477, met een marge van max. 8 jaar naar beide kanten. Het zijn: Aernt Jansz, Jacob van Noorde, Danel van Tetrode, Dirc Aemtsz, Jan Aerntsz van Tetrode en Jan de Wilde (zie voor hen de bijlage).

Voorts: Clais Claisz die brouwer (GAL, SA I, inv. 84, f180, anno 1479); Dirc Jansz die brouwer (GAL, ORA, inv. 4C, f34r, f43r); Dirc die man die brouwer (GAL, ORA, inv. 4B, f275r; anno 1476); Hobbe Pietersz: verkocht brouwerij (GAL, ORA, 41H, f63r); Michiel Claisz brouwer (anno 1473 in GAL, Klo, inv. 1091; hij moet de Michiel Claisz zijn bij wie de stad in 1456 bier kocht (GAL, SA 1, inv. 1021, f5r)); Willem Claisz brouwer a!d Rode Steen: door plaatsbepaling onderscheiden van de andere brouwer Willem Claisz (GAL, SA 1, inv. 552, fl59v); Willem Gerij& brouwer (GAL, SA 1, inv. 558, f161v) acht ik identiek aan Willem Gerijt Heerenz uit renteboek-A. Mogelijk nog brouwers onder (enkelen waren dat zeker niet): Willem brouwer uit 1473 (GAL, Gh, inv. 456, pag. 90). Aemt (Gerijtsz) brouwer (oa 1475): zie noot 13. Ghijsbrecht brouwersz (1470; betaalde velaccijns) zo genoemd omdat hij de zoon van Reinier de brouwer was (en kleinkind van een Ghijsbrecht) (GAL, Ke, inv. 416, f103v; Posthumus, Bronnen textielnijverheid, 1, 467). Jan brouwer (Jansz) (1476; GAL, SA 1, inv. 522, fllr) en Pieter (Jansz) brouwer (oa 1472; Th.H. Lunsing Scheurleer e.a., Het Rapenburg. Geschiedenis van eenLeidsegracht 1 (Leiden, 1987) 81,121) mogelijk zonen van Jan brouwer (oa 1449; GAL, SA 1, inv. 522, fl Ir). Pieter was timmerman, (GAL, SA 1, inv. 524, fl80r). Schatting getal 30: onder de 23 brouwers zitten zeker 14 Hoekse partijgangers (criterium: voorkomen in lijsten (148112) met beboete Hoeken; ARA, Rekrek, inv. 178 en 179). Gesteld dat er ook 14 Kabeljauwse brouwers waren, dan komt het totaal al op bijna dertig.

27. De 5 zonen (en 3 dochters) van Arent van Tetrode bij: H. Kleibrink en R. Spruit, Hofjes in Leiden (Leiden, 1979) 37.

28. Terug in overzicht 1500: de no.% 3,4, 17, 18, 20, 21, 22, 23, 26, 27. Zonen: no. 5, 10, 15. Weduwen: no.% 15, 25.

Naar boven

29. GAL, Ke, inv. 373, f29r. Lijst zonder datering; in de bron tussen ontvangst renten uit 1527 en 1529, in hand ontvanger renten in 1528. Conclusie: 1528. De 12 waren: Dirck Ottensz, Jan Reijersz, Aryan Jansz, Claes Aryansz, Comelis Poelsz, Danel Jacobsz van Tetrode, Frans Gerritsz Goel, Gerrit Boekelsz Butewech, Jacob Hugenz, Mary Wolpart, Quirijn Allertsz en Willem Dircksz. De ArentJansz brouwer uit dezelijst vereist uitleg. Van 1470 tot jaren veertig 16e eeuw wordt regelmatig een brouwer Arent Jansz genoemd (o.a. in renteboek). Conclusie: twee personen, met de overgang van personen op onbekend tijdstip.

30. Buiten de 12 in ieder geval: Willem Willemsz brouwer, 26-3-1528 (GAL, SA 1, inv. 384B, f9r) en Baertout die brouwer, 1529 (GAL, Gh,uw. 302, no. 54, los tussen f6/t7).

31. GAL, SA 1, inv. 497, f12r; oktober 1497.

32 . Loenen, Haarlemse brouwindustrie, 20, 71-74.

33. GAL, Ke, inv. 373, f24v.

34. GAL, Ke, inv. 373, t'29r.

35. Typische vrouwentaken in het brouwbedrijf waren het "wryngen" (beslagmaken) en koken van de wort (het eigenlijke brouwen). De laatste werd als "brouster" aangeduid (Loenen, Haarlemse brouwindustrie, 29,125). "Beatrijs die brousterupten Rijn" ontving in 1411 uit erfenis 27 pond, waarschijnlijk i.v.m. kosten bij uitvaart. Dat maakt aannemelijk dat zij een bedrijf leidde, en niet het personeelslid belast met het koken van wort was.

36. GAL, SA 1, inv. 953, fl lv.

37. GAL, SA 1, inv. 383, fJ17v-f318v, f323v-324r.

38. GAL, SA 1, inv. 384C, f'22r; oktober 1531 (Dirc Ottensz, Jan Reyersz, Claes Adriaensz en Gerijt Boeke& Butewech).

39. En wel Dirc van Bosch, Hobbe Pietersz, Willem Jacob Eversz, Jan van Tetrode, Dirc Wouter Danelsz en Jacob van Noorde. Van Jan Adriaensz (schepen 1491/93) is niet te zeggen of hij de brouwer van die naam was. Bron: alle namen van schepenen en burgemeesters ontleend aan P.U. van der Laaken, Magistruatslijstcn 7260-7647 (Leiden, 1987), in Bibliotheek GAL, no. 15077. Het jaar is jaar van benoeming.

Naar boven

40. Vijfjaar zeker zonder brouwer (1503,1507/1510). Het jaar 1501 is onzeker,omdat onbekend of Willem Stoop = brouwer Willem Stoop Symonsz.

41. De 110's 1,5,6, 7,8, 10,13,20, (21), 27,29. N O 21 onzeker: Willem van Lodensteijn. Iemand van die naam wordt van 1515 tot 1535 frequent als schepen of burgemeester genoemd. Onze Willem overleed echter waarschijnlijk tussen 1506-1515 (zie noot 166).

42. Dirc Ottensz, Jan Reyersz, Frans Gerijtsz Goel, Gerijt Boekelsz Butewech, Adriaen Jansz (van Barrevelt, vgl. S.A. Lamet, Men ia goncrnmeti: the pariciatc of Leiden 1550-7600 (Massachusetts, 1979)), Quirijn Allertsz.

43. Zie Lamet, Patriciate, 250, voor een kenschets van zijn opmerkelijke publieke loopbaan.

44. Waardij": in periode +1513-11533 (Posthumus, Bromzen textielnijverheid 11, pag. 834, 926, 381). Velaccijns: idem, pag. 165, 173. Overtreding keuren: idem, pag. 215.

45. Lakenproductie: Lamet, Patriciate, 192. Acht keer waardijn tussen 1519 en 1546 (idem, 398).

46. GAL, Ke, inv. 373, f28v.

47. GAL, SA, inv. 384C, f22r.

48. Posthumus, Bronnen textielindustrie 11, 35, 38, 50.

49. Betalingen velaccijns in Posthumus, Bronnen textielindustrie 1 en 11, passim. Voor overtredingen van de lakenkeuren de Correctieboeken (GAL, ORA, inv. 4, diverse delen) en de Schoutrekeningen (GAL, SA 1, inv. no.'s. 1001-1011).

50. ARA, Rekrek, inv. 178, f36v.

51. Lamet, Patriciate, 2 0 5 .

52. ARA, Rekrek, inv. 178, f51r: Meester Willem Claisz brouwer ende barbier, bon Gansoord.

53. Niet brouwer genoemd: Dirc en Florijs van Bosch, Dirc Ottensz, Allert Meesz. Wel: Jan de Wilde brouwer, Jan Claisz brouwer, Adriaen Jans brouwer. Zowel Gerijt Beukelsz Butewech als Frans Gerritsz Goel, beiden uitdrukkelijk niet allen brouwer, noteerden zichzelf in het rentenboek van het gilde met "brouwer" achter hun naam (GAL, Ke, inv. 373, !26r (Butewech; anno 1525) en t'28v (Goel; anno 1528)).

Naar boven

54. Vergelijk Howell, Women, production andpatriarchy, (Chicago, 1986) 59-69 met Posthumus, Geschiedenis lakenindustrie 1, 403-405, voor discussie over karakter Leidse economie ("vroegkapitalisme" versus "smal1-commodity"-industrie).

55. GAL, Gi, inv. 181; een afschrift uit de zeventiende eeuw.

56. D.E.H. de Boer, "Het Sint Stevenshofje tot het eind van de 18e eeuw, De Leidse hofjes 3 (1973) 25-37.

57. GAL, Ke, inv. 373, f2rv, f34rv. Met de Engelse Nobel op 96 en de Rijnsgulden op 40 groten.

58. F. van Mieris, Beschryvinge der stad Leyden f...) (3 delen; Leiden, 1762-1784), deel 1, 88.

59. GAL, Ke, inv. 373, f32v, f33r, f34r.

60. Loenen, Haarlemse brouwindustrie, 20.

61. Pinkse, Gouds Kuitbier, 125.

62. Ladan, Bier Leiden, 25-26.

63. GAL, SA 1,inv. 578, f28v. Kwalificatie brouwer (verder"Kw.br."): rentenboek-B. NB: tenzij anders aangegeven, verwijzing naar de vindplaats in de stadsrekening over 1498.

64. GAL, ORA, inv. 4F, f22r.

65. Ook in de bijlage functies van burgemeester en/of schepen ontleend aan Van der Laaken, Magistraatslijsten. Bij brouwers die schepen of burgemeester zijn geweest verder geen verwijzing naar Van der Laken.

66. Overtreding lakenkeuren: GAL, SA 1, inv. 1001, f8v (in 1487); GAL, ORA, 4G, f120 (in 1525).

67. GAL, Gh, inv. 302, no. 53, f&. Veel overlijdensjaren ontleend aan de rubriek inkomsten uit testamenten in de rekeningen van het St. Catharinagasthuis (GAL, Gh, serie inv. 302). Die rekeningen lopen van 21 februari tot 21 februari. Overlijdens tijdens dat rekeningjaaraangegeven met (bijv.): 1487/88. Vergelijking met exacte sterfdata (GAL, Ke, inv. 417) leert dat uitbetalen testament vrij snel op overlijden volgde. Hetzelfde geldt voor de rubriek pondgelden/ besterften uit de stadsrekeningen, die ook is gebruikt voor sterfjaren.

68. GAL, SA 1, inv. 578, f65v. Kw.br.: rentenboek-B.

69. Huge Willemsz staat genoteerd *upten Rijn", tussen kopjes Mandemakers- en Maarsmanssteeg (GAL, SA 1, inv. 578, f65rv).

70. GAL, Sa 1, inv. 584, f2r.

71. Rentenboek-B noemt in lijst brouwers "Huge Willemsz weduwe", zij leidde dus bedrijf. GAL, Weesk, inv. 113A, no 509 (voogdijzaak 24-3-1506).

72. GAL, SA 1, inv. 602, f5v.

73. H.J. van der Waag, "Het Leidse voorgeslacht van Anna Kramer", Ons Voorgeslacht 33 (1978) 50-5 1, aldaar 50.

74. Lunsingh Scheurleer e.a., Het Rapenburg 1, 156.

75. GAL, SA 1, inv. 578, f56r. Kw.br.: rentenboek-B en GAL, SA 1, inv. 953,3e katern, f4r (anno 1494).

76. De twee naamgenoten: GAL, SA 1, inv. 578, f39r (Coenensteeg, bon Hogewoerd) en f80r (St. Nicolaasgracht) konden slechts 4s resp. niets opbrengen. Het lijkt een cirkelredenering om iemand op zijn vermogen af te wijzen en elders te concluderen dat de brouwers in het algemeen niet onbemiddeld waren, maar van een zeker vermogen kunnen we bij deze beroepsgroep à priori zeker uitgaan. Ook rond 1480 leefden er zeker 2 Dirc van Leeuwens in de stad (ARA, Rekrek, inv., 178, f26r en f39r).

77. GAL, SA 1, inv. 578, f68v. Kw.br.: rentenboek-A en -B.

78. GAL, SA 1, inv. 1516.

79. GAL, SA 1, inv. 578, f68r. Kw.br.: rentenboek-B.

80. Familierelatie: GAL, Gh, inv. 118: Floris Dircx van Bosch.

81. GAL, ORA 76A, f102r-104r.

82. GAL, Gh, 302, no. 38, f4r, over 1513/14, waarschijnlijk naar aanleiding van overlijden zoon het testament gemaakt.

83, C. Hoek, Grafschriften te Leiden en Rotterdam", 0n.s Voorgeslacht 16 (1961) 10-12, aldaar 11, in combinatie met GAL, SA 1, inv. 1840 en GAL, Gh, inv. 302, no. 46, f3r.

84. 1498: GAL, SA 1, inv. 578, f68r, 1499: GAL, SA 1, inv. 579, f45r. Nieuwe taxatie: 6000 pond.

85. Posthumus, Geschiedenis lakenindustrie 1, 392.

86. Gerijt Heije "vander Goude"; GAL, SA 1, inv. nrs. 21, f122v en 84, fl82r.

87. Margaretha overleed 15-2-1505 (GAL, Ke 417, fl80v).

88. GAL, ORA, inv. 4F, l22r.

89. 1521 nog in leven: GAL, ORA, 4G, f52r.

90. 1502: GAL, SA 1, inv. 581, f44v. Kw.br.: Rentenboek-B.

Naar boven

91. H.J. van der Waag (ed), Grote Bewijren B, O N Voorgeslacht 29 (1974) 249-328; 30 (1975) l- 146, aldaar 257. Zie over hem ook: R.C.J. van Maanen, "Vroegere eigenaren en bewoners van de Kooyker-panden", in: H.S. Broekhuis, "Met uerschuldigde achting". Honderdvijfentwintig jaar boekhandel Kooyker te Leiden, 1863-1988 (Leiden 1988) 44.

92.1498: GAL, SA 1, inv. 578, f43v (verm. ook 900 pond). Onzeker of op Koepoortsgracht al brouwerij, daarom onder Burchstreng opgevoerd.

93. GAL, SA 1, inv. 614, f73v; inv. 615, f46v.

94. GAL, ORA, 4F, f22r.

95. O.A. van der Meer, "Rondom het gezin van Jan Reyer Dirckxz. (van Heemskerck)", De Nederlandse Leeuw LXXVIII (1961) 286-321, aldaar 291.

96. Van der Waag (ed), Grote Bewijzen B, 257; trouwdatum volgens Van der Meer, Rondom Jan

Reyer Dirckm., 307. De verhuizing in 1501/1502 van de Koepoortsgracht naar de Nieuwe Rijn

kan met het huwelijk hebben samengehangen.

97. Huwelijkse voorwaarden: GAL, ORA 76C, acte 58 (dd 1981518). Van der Meer, Rondom Jan Reyer Dirckxz., 295-298.

98. GAL, SA 1, invnr. 976 (dd. 5-1-1545) J.J. Woltjer, "De "alderrijcste" te Leiden in 1584", Leidsefacetten. Tien studies ooer Leidre geschiedenis (Zwolle, 1982) 23-34, aldaar 25.

99. GAL, ORA, inv. 76C, acte no. 58. 1584: Woltjer, "De aldem'jcstc", 24-27.

100. GAL, SA 1, inv. 578, f68v. Kw.br: zie bijlage.

101. De andere twee: GAL, SA 1, inv. 578, f39r,f90v. 1483: MartijnPietersz wielemaker (GAL, Weesk, inv. 113A, f405r).

102. GAL, Gh, inv. 302, no. 35, f4r. BrouwerJan van Rijn liet het Catharinagasthuis een vat bier na (GAL, Gh, inv. 302, no. 3, f4v; anno 1456/7), Katrijn, de weduwe van Meynairt Pietersz testeerde ook vat bier (GAL, SA 1, inv. 302,l7r); haar vooroverleden man moet de Meynairt Pietersz brouwer uit 1489 zijn (GAL, SA 1, inv. 953, flr, tweede katern).

103. In de gasthuisrekening over 1509/10 het testament van Martijn Pietersz "scepen"; valt samen met overlijden Martijn Pietersz brouwer in stadsrekening over 1509 (zie noot 104). Conclusie: onze brouwer was de schepen van die naam.

104. GAL, SA 1, inv. 589, PLSv, in combinatie met GAL, Gh, inv. 302, no. 35, f5v

105. GAL, Wee&, inv. 113A, f467r.

106. GAL, SA 1, inv. 578, f42v. Kw.br.: rentenboek-B.

 

107. 1498-1501 bon Nieuwland (SA 1, inv. 580, f38r); 1502 bon Gasthuisvierendeel (inv. 581, f43r). In 1502 zeker actief als brouwer (GAL, SA 1, inv. 680, los blad tussen fll B-12A). Gebruik brouwerij: in 1503 liet Cornelis Ghijsbrechtsz die brouwerop Trijn Bimans brouwerij pannen leggen (in april 1504 betaling; (GAL, SA 1, inv. 649; kwitantie dd 15-4-1504)). De erven van Katrijn Bijman woonden + 1500 in het bon Burchstreng (GAL, SA 1, inv. 578, f68r), evenals Katrijn zelf in 1481 (ARA, Rekrek, inv. 178, f51r). Ik neem aan dat daar de brouwerij stond. Ooklaternog band Kerstant-fam. Bijman: in 1512 stond Kerstant Ghijsbrechtsz brouwer borg voor Pieter Bijman (GAL, ORA, inv. 4F, f57v).

108. GAL, Ke, inv. 417, f152v.

109. GAL, SA 1, inv. 1002 (Schoutrekening), f8r.

110. GAL, SA 1, inv. 578, f75r. Toevoeging "brouwer" in 1502 (GAL, SA 1, inv. 580, f49r). Kw.br.: rentenboek-B.

111. GAL, Weesk, inv. 113A, no. 509.

112. GAL, ORA, 4F, f22r.

113. Overlijden Willem Claesz resp. Hillegond: GAL, Ke, inv. 417, f156v resp. f157r. C. Ligtenberg, De annezorg te Leiden tot het einde van de zestiende eeuw ('s-Gravenhage, 1908) 275.

114. GAL, SA 1, inv. 563, flv.

115. GAL, Ke, inv. 417, f170r; GAL, Weesk. inv. 113A, no. 509.

116. Van der Waag, Grote Bewijzen B, 283.

117. Een nieuw tegeldak op zijn brouwhuis dat hij "uitgeset ende gelanget" had (GAL, SA 1, inv. 591, f76v; anno 1512).

118. GAL, SA 1, inv. 578, f75r. Kw.br.: rentenboek-B.

119. GAL, SA 1, inv. 84, f87r.

120. GAL, Gh, inv. 335, no. 5, f3v.

Naar boven

121. Uitsluitend genoemd in 1502: GAL, SA 1, inv. 581, f47v.

122. GAL. Ke. inv. 373. f24v (rentenboek-B): GAL. SA 1. inv. 685. los tussen f12-f13.

123. GAL:I&ntaris Gásthuiz& R/1465, lÖl5.

124. GAL, SA 1. inv. 578, f f82r. Kw.br: rentenboek-B

125. Geboorte- en sterfdatum: Leidemars noor de Grote Raad 1470-1580, 27.

126. Overlijden Otte en Ymme: GAL, Ke, inv. 4 17, fl5Ov resp. fl70r. Zie ook GAL, Weesk, inv. 113A, f49r (dd 7-8-1487; twee broers van Dirc: Heynric en Comelis). Ymme woonde t_ 1500 in het bon Burchstreng; vermogen 500 pond (GAL, SA 1, inv. 580, f49r).

127. GAL, Ke, inv. 373, fllr. Hij registreerde renten; parafeerde in het rentenboek

128. Lamet, Patriciate, 441.

129. GAL, ORA, 41H, f165v; kenning van 18-8-1511 over de koop door Dirc van een huis op de Hogewoerd. Ik neem aan dat het de aankoop van zijn huis met brouwerij op Hogewoerd / Gangetje betrof.

130. GAL, SA 1, inv. 578, f83r. Kw.br: rentenboek-B.

131. GAL, SA 1, inv. 579, fl30r.

132. GAL, SA 1, inv. 589, fl2r.

133. GAL, SA 1, inv. 578, f84v. Kw.br: rentenboek-B.

134. GAL, Ke, inv. 417, f155v (28-5-1494).

135. Katrijn woonde elders in de stad (GAL, SA 1, inv. 578, f f9Ov). Zij bleef wel in het gilde (rentenboek-A). Zij overleed 1511/12 (GAL, Gh, inv. 302, no. 36, f4r).

136. GAL, Ke, inv. 417, f181v, f182v.

137. GAL, Ke, inv. 1364.

138. GAL, Gh, inv. 390.

139. Overleden tussen januari 1535 en januari 1536 (GAL-Inventaris SA 1, R/1480, R/1487).

140. GAL, SA 1, inv. 578. f85v. 1502 met toevoeging "brouwer" (GAL, SA 1, inv. 581, f5Ov). Kw.br: rentenboek-B.

141. Van der Waag, Grote Bewijzen B, 259.

142. GAL, SA 1, inv. 578, f85v. Kw.br: rentenboek-A en -B.

143. E. van der Vlist (ed), Chronologische lijst van de stukken in de collectie diverse charters (Leiden, 1987) 99.

144. GAL, Ke, inv. 417, f171r.

145. GAL, Ke, inv. 417, f186r.

146. GAL, SA 1, inv. 578, f85v. Kw.br.: "braxator" i.p.v. "brouwer" genoemd in Latijnse tekst (GAL, Ke, inv. 4 17, fl65v).

Naar boven

147. GAL, SA 1, inv. 585, f50r.

148. Overlijden vrouw resp. Jan: GAL, SA 1, inv. 586, f4r resp. inv. 579, f3r.

149. GAL, SA 1, inv. 578, f85v. Kw.br: rentenboek-B.

150. GAL, SA 1, inv. 593, f98r.

151. GAL, ORA, 4G, f63r.

152. GAL, ORA, inv. 76A, f166r-167r (dd 31-8-1526).

153. GAL, SA 1, inv. 579, f53r (in 1499).

154. Lamet, Patriciate of Leiden, 389. GAL, SA 1, inv.nr. 976 (dd. 2-1-1545).

155. Van der Waag, Grote Bewijzen B, 21.

156. L. Barendregt e.a., Hoogstraat op stelten. De restauratie uan de Hoogstraat en de Visbrug te Leiden(Leiden, 1987) 20.

157. GAL, SA 1, inv. 578, f83r. Kw.br: ARA, Rekrek, inv. 178, f91r.

158. ARA, Rekrek, inv. 178, f13.

159. lacob: GAL. SA 1. inv. 581. f50r. Claeseen: GAL. Ke. inv. 417. fl78r.

160. GAL, SA 1, inv. 586, f4r; ook broer Jan vin Noord; verliet de stád. In 1511 waren zij met Leiden in rechtsgeding verwikkeld (GAL, inv. 387, t28v).

161. GAL, SA 1, i&. 578, f88v. Kw.br: Jan Claisz die brouwer (GAL, SA 1, inv. 382, f339v; anno 1492).

162. Man: GAL, Ke, inv. 417, fl69v. Vrouw: GAL, Ke, inv. 417, f178r.

163. Schepen: GAL, inventaris-Ke, R/398 ( anno 1498). Burgemeesters bijstaan: GAL, SA 1, inv. 382, f339v.

164. Willem van Lodensteijn uitsl. 1502; bon Burchstreng (GAL, SA 1, inv. 581, f44v).

165. Overlijden Katrijn: GAL, Ke, inv. 417, f169v. Voogdijregeling en familieverhouding: GAL. Weesk. 113A. f496r: dd 17-3-1505.

166. Willem voetboogschutter gekozen op 3-6-1506; naam doorgehaald en kruis in marge. In lijst voetboogschutters van 23-5-1515 afwezig (GAL, SA 1. inv. 84. f185v. fl98r). li7. GAL, $A 1, inv. 578, f93r. Kwbr: GAÏ,,'SA 1, inv..556, flilv-fli2r; rentenboek-B. Vermelding als brouwer nog in 1502: GAL, SA 1, inv. 681, f8v.

168. GAL. Gh. inv. 3 0 2 . no. 4 3 . f3v.

169. GAL; SA'I, inv. 5i8, f93r.'Kw.br.: GAL, SA 1, inv. 556, f141v-f142rv.

170. GAL, SA 1, inv. 3 0 2 , 1 x34, f8r e n GAL, SA 1. inv. 583, f6v.

171. In 1507 kreeg de Heilige Geest van claer, docht van Dirck van Delff, '/2 ten geschenke en '12 door koop, een huis aan de Rijn, bij het Heilige Geesthuis, dat tot brouwhuis werd ingericht. Liatenbere, Armezore Leiden, 180.

175. GAL:SA 1, invY578, f94r. Kw.br: Jan Adriaensz die brouwer (GAL, ORA, inv. 4 lH, f37r; anno 1507); aankoop brouwerii (GAL, ORA, inv. 41H. f63r).

173. GAL. ORA, in\. 41H, f6ir. GAL, SA 1, inv. 6 4 8 .

174. GAL, SA 1, inv. 579, f7.v.

175. GAL. Klo. inv. 901. f27v. f28r. GAL. Klo. inv. 902. Hii verkocht 1518-1520 eraan aan de kloosterb&w&ij v a n h&ië~poel. 2 "

176. GAL, SA 1, inv. 578, f96r. Kw.br: rentenboek-A en van Willem van Tetrode: GAL, SA 1, inv. 556, fl41v-f142rv.

177. De Boer, Sint Stevenshofje, 27.

178. GAL. SA 1. inv. 587, f3r in combinatie met GAL. Gh. inv. 335. no. 4. f4r

179. Alleen in 1502 genoémd (GAL, SA 1, inv. 581, fi4r).

180. GAL, Gh, inv. 302, no. 37, f4v.

181. GAL, SA 1, inv. 5 7 8 , f35v. Kw.br: GAL, SA 1, inv. 556, f141v-f142rv

182. Zie paragraaf "Hoofd- en nevenberoep" met noot 48.

183. GAL, SA 1, inv. 5 8 4 , f2r.

184. GAL, SA 1, inv. 578, f35v. Kw.br: rentenboek-A noemt Gerijt Aemtsz printer. In 1498 verkocht "die lange prijnter" 10 vaten bier aan het Catharinagasthuis (GAL, Gh, inv. 302, no. 28, f8r).

185. Gerijt Aerntszprinter leefde nog in 1514 (GAL,ORA,inv,41H,f286v) en is dus zeker niet Aernt (Gerijtsz) brouwer, aangezien die overleed in 1509 (GAL, Ke, inv. 417, f172r; nog afgezien van gelijktijdig voorkomen in verschillende bonnen).

186. GAL, SA 1, inv. 578, f34v. Kw.br: Willem Stoop die brouwer (GAL, SA 1, inv. 680, los blad tussen f%flO).

187. Bangs, Conelis Engebrechtsz's Leiden, 44, noot 45.

Naar boven