Home

Marktschipper Jan Tetroode
1699
Boter, kaas, eieren en groente voor Leiden en Rotterdam

Laurenskerk Rotterdam met spits rond 1640, gezien vanaf het Leidse veer en de Groenmarkt Jan Pietersz. Tetroode is marktschipper, een beschermd ambt dat de drager ervan onder meer een vast inkomen garandeert. Maar ook een vaste belasting van 25 gulden aan de rentmeester van Onse Domeinen in Wateringen.

Dit ambt is ingesteld om de kwaliteit van de veerdienst te waarborgen en wildgroei te voorkomen. Op 29 juni 1699 verwerft hij dit ambt. Zijn zoon wordt meestergrutter in Delft.

Jan Pietersz trouwt twee keer. De eerste keer op 14 februari 1694 in Wateringen met Japie Jansdr. Schipper. Zij is overleden op 3 april 1697.

Ruim een jaar later, op 14 mei 1698, trouwt hij in Wateringen met Marijtje Dircsdr. de Hoog. Zij is op 14-9-1722 in Wateringen overleden.

Jan Tetroode krijgt na het overlijden van zijn vrouw Japie Jansdr Schipper een zandschuit. Dat was op 12 december 1697. Die schuit was daarvoor van haar vader Jan Schipper. Zie: (1)

``Een Zantschuijt met sijn toebehoren, waerdigh omtrent een somme van tseventigh guldens``

Leiden vanuit het noordoosten 1650 Jan van GoyenJan Tetroode kan deze schuit hebben gebruikt om als marktschipper boter, kaas, eieren en groenten naar de Leidse en Rotterdamse markten te brengen. Hij bezit de schuit nog geen twee jaar toen hij op 29 juni 1699 het beschermde ambt van marktschipper verkrijgt.

Acte voor Jan Pieters Tettro, als marcktschipper op Leyden en Rotterdam in dato 29 juni 1699. Zie: (2)

Sijne Maj. t van Groot-Brittagne nodighachtende, dat tot dienst, en commiditeyt vande resp. In, en Opgezetenen sijner Dorpe, ende heerlijckt van Wateringe opgerecht werde, een gereguleert Veer vande voorz. Heerlijckheyt op Leyden, en Rotterdam, ende ten dien eijnde een of meer Schippers aen te stellen heeft mits ít goet rapport aen hem gedaen van den persoon van Jan Pieters Tettro denselven gestelt, en gecommitteert, stelt ende committeerde hem bij desen tot marcktschipper vande voorz. Sijner Dorpe ende Heerlijckheijt van Wateringe, op de gemene Steden van Leyden en Rotterdam, mits dat hij sigh in die functie getrouwelijck sal hebben te acquiteren, ende Onze Ingesetenen en anderen naer behooren te dienen.

Lastende allen ende eener ijegelijcken die ít selve soude mogen aengaen den supplnt, voor schipper van Wateringen op Leyden en Rotterdam voorz. ít Erkennen, ende hem ít selve Veer rust, ende vredelijck te laten bevaren, sodanig en indiervoegen als bij sijnen predecesseur en den voorz. Tettro tot nu toe is geschiet voor welcke gunste denselven gehouden sal sijn, aenden rentmr. van Onse Domeinen van Wateringe te betaelen, die daer van ít onsen behoeve in rekening sal hebben te verantwoorden de somma van vijf en twintigh gulden eens.
Actum op ít Loo den 29 juni 1699.


  1) de akte is uitvoeriger opgenomen in de genealogie Tettero(o), een Westlandse tak van ca. 1600-1900, 1983, door W.C. Tettero en Joh. H.J. Tettero, aanwezig in het CB v G. in Den Haag.

  2) NAA ZH Archief Nassause Domeinraad (1581-1811) 1.08.11 inventaris 611 blad 177 vo.

Noot
Op 25 mei 1728 krijgt Pieter Jansz. Tetroode dit ambt. Op 18 juli 1751 gaat het ambt over op Jan Pietersz. Tettero en op 22 februari 1763 Marijtje Floris weduwe van hem en op 27 november 1763 Cornelia Westermeer vrouw van Pieter Jansz. Tetrode.


Trevaart, eindpunt bij Amsterdam vanuit Haarlem

H.C. Vroon schilderde in 1615 de plek waar schepen uit Haarlem bij Amsterdam afmeerden. Pas later, 1631-1632, is de trekvaart, de eerste trekvaart in Holland, tussen beide plaatsen gegraven.

De trekvaarten

De snelweg van de Gouden Eeuw

De groeiende handel in Holland vroeg om een nieuwe, betrouwbaar vervoerssysteem. De lage landen hadden veel water. Maar de meren, zoals het IJ en het Haarlemmermeer, waren bij harde wind onveilig. Kanalen, of beter gezegd, trekvaarten, waren veel veiliger.

In 1631 en 1632 is de eerste vaart gegraven tussen Haarlem en Amsterdam. Paarden trokken de schuiten met zo`n 35 personen. Bijna alle grote steden in Holland kregen zo`n verbinding1770 De Vliet bij Voorschoten in de jaren daarna. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. Leiden en Utrecht kregen pas in 1664 een jaagpad toen de Gouden Eeuw allang over z`n hoogtepunt heen was. De steden beconcurreerden elkaar op leven en dood. Want een goede verbinding voor grote schepen tussen Leiden en Utrecht zou de tolinkomsten in Haarlem flink doen dalen.

De trekvaart was goedkoop, comfortabel (stil), redelijk snel en stipt op tijd. Tussen Haarlem en Amsterdam kon je elk uur op de boot stappen. De komst van de stoomtrein in de negentiende eeuw deed de trekvaart na twee eeuwen pas de das om.

(Paulus Constantijn la Fargue tekende rond 1770 De Vliet bij Voorschoten. De schuit ligt hier bij boerderij Bethlehem. Er wordt vee in- en uitgeladen).

(Bron gegevens Rotterdam: www.engelfriet.net/Alie/Hans/43laurens.htm)

Zie ook: de opa van m`n opa was schuitenjager

Home
Terug naar boven