Carrière

Op de hellingen van de vulkaan stijgen wolken in pluimen de lucht in. Ze leggen een rookgordijn bij tijd en wijle, als om de indruk voor te zijn dat ze uit een gevaarlijk nest komen, maar wij weten het allemaal uit ervaring: niemand verloochent zijn ware karakter lang. De snelle stoten waarmee het dodelijke gas de schacht verlaat, geven herhaaldelijk het driftige karakter van hun bron aan. De peristaltische bewegingen hebben zoveel kracht dat de grote berg er alles uitbraakt. Als hij gediagnostiseerd zou kunnen worden, zou men hem een hystericus noemen. Gas, hitte, stenen, as: een paar van de producten van zijn gemoed. De as komt neer, waaiert uit als een handvol graan en bezwangert het land. Een groepje pterodactylussen komt aanvliegen. Met uitgestrekte nek gaan ze in volle vaart rond hoge bomen. Vanaf hellende vlakten kolken rivieren en beken de vallei binnen; ze zijn breed van verlangen. De natuur kan zich uitstekend alleen redden en lijkt wel opgetogen omdat de mens er nog niet is. Demonstratief rolt een rotsblok langs de bergwand en stuitert, na op een stronk te zijn afgeketst, opgewekt de afgrond in. Boven de waterkristallen die in het zonlicht knipperen, springt oranje-gele lucht in zinderende vlagen op en neer. Het kost niet veel moeite om hier ademloos te leven.

Zomer, winter, herfst en lente; alle jaargetijden gedragen zich zoals we dat in een sprookjesboek zien gebeuren. Seizoen na seizoen trekt ongeschakeerd voorbij. De vogels nestelen en doen daarna hun oprechte best om zonder enig opzien in cycli te sterven. De rusteloze natuur gaat al zo lang op deze manier haar gang, dat het heden en het verleden vuurspuwend naast elkaar voortleven en in elkaar vervloeien.

Wij kijken in een voormenselijke wereld. Daar verwachten we dus niets te zien dat op de aanwezigheid van een mens duidt. Maar hoe zat het met de reuzen die in sprookjes opduiken? Zijn zij er in prehistorische tijden dan toch geweest? Tot in de wijde omtrek lijkt namelijk een reusachtige kunstenaar te zijn rondgetrokken, die met oude, bevende hand op een paneel dat toch al niet vlekkeloos en egaal was, grote hopen verf en klei heeft neergegooid. Zoals dikwijls het geval is met kunstwerken, is het niet de chaotische structuur van het geschapene die aantrekt of afstoot, maar komt de sympathie of antipathie voort uit een ondefinieerbare bron. Met de rede heeft het niet veel van doen. Veeleer is het het gevoel dat de drijfveer is. Het landschap wordt gevuld door veraste bergmonden, die eruit zien als bepoederde oliebollen waaruit iemand een grote hap heeft genomen. Ze liggen binnen handbereik, onder een kleed van mosgrond. De grond is bijzonder vruchtbaar en heel de natuur heeft daar plezier in. Zelfs het basalt wordt aangestoken door het idee dat er iets voor de toekomst moet worden achtergelaten. Het klontert samenzweerderig onder een dekbed van geërodeerde bomen, waar het leven wordt uitgebroed. De aarde stoot op sommige plekken warme adem uit. De tijd schrijdt voort ... Alles is zwanger.

- - -

Het is de twintigste eeuw. Al deze herinneringen komen mij voor als de schakels van een ketting die te lang is uitgerekt. Het gevolg van de rek is, dat het verleden er een punt achter moet zetten en met vandaag breekt. De eens zo woeste omgeving ziet er nu heel anders uit. Met het oproer dat door de vele vulkanen werd veroorzaakt, is het uit. Wat er aan gesputter zichtbaar is, beperkt zich tot een paar kleine schermutselingen van overgebleven kornuiten. Het hele stel ligt er wat uitgeblust bij. Niets is meer tot een flinke activiteit aan te sporen. Over de hele wereld buigen deskundigen zich in technische stations over de schaal van Richter, om nog iets te ontdekken van de oude drift. De trillende, armetierige lijntjes die meestal op de rol papier verschijnen: is dat echt alles wat er is overgebleven van een planeet die ooit zo mooi, zo vol leven was?

Een oneindige loomheid heeft bezit genomen van de landerijen. Zo nu en dan is er beweging te zien. Het is alsof het mechaniek van een uurwerk, na eeuwen van stilzwijgen, op gang komt, geschrokken nadat het geölied is. Boeren die half en half indommelen, gezeten op tractoren waar zij met een knoestige vuist het pookje van het wiel omklemmen, doen het werk dat niet kan blijven liggen. Met ploegmessen verrichten zij de autopsie. Zij zijn de chirurgen van de woestenijen, de agrariërs, de chirurgen van de aarde. Het zwermen van grof uitziende vogels is versteend, het is legende. Een eeuwigheid geleden - op de tijdschaal van de wereld zijn het slechts een paar minuten - zijn de grote dieren definitief met wiekgeklap of gedreun opgehouden. Het suizen van de wind is niet gestopt, het is alleen van karakter veranderd. Woei er eerst een stroom van hot naar her en rilde de natuur onder de indruk van de vegen die over haar oppervlak gingen, nu is er een kleine bries overgebleven. Zij wordt gedempt door alle hoge gebouwen die onze straten ontsieren. Dat de stoom nalaat, is weldadig: te weten dat de vulkaan niet meer zal spreken, geeft rust.

Natuurlijk is het werk op de akkers niet het enige wat men in onze tijd tot stand brengt. Het is wel het enige wat dicht bij de tijd staat waarin de natuur zelf haar land omploegde. In ander opzicht is er nog zo het een en ander veranderd. Niet door de boer die zijn voet op de schop zet en in kleine putjes het eten voor de komende maanden inzaait. Anderen onder ons hebben zich drastischer bewogen. Die moesten en zouden de aarde bedwingen, haar hechten op zo'n manier dat bij een nieuwe vulkaanuitbarsting haar mond gesloten kon worden gehouden. De heipalen doen niets anders dan bedwingen. Als een fysiek middel zijn ze slechts symbolisch, want ze zijn niet bestand tegen een magma-eruptie. Op de palen zijn betonnen of stenen kolossen neergezet. Net bruggen die in kaken zijn verankerd. Die bouwsels zijn onze fabrieken; net als bij de vulkanen komt er rook uit de schoorstenen. De hoop van de mens om de aarde te bedwingen, heeft maar een korte duur gehad. De industrieën hebben het werk van de vulkanen overgenomen. Kijk maar naar de rookpluimen. De dampen zijn minstens zo giftig als wat het binnenste der aarde verliet. En van bedwingen kan nauwelijks meer worden gesproken.

Over het vlakke land waait een harde wind. Twee stippen trekken een litteken door de lucht. Mochten ze ophouden, dan storten twee F-16's neer en is er opnieuw een lading hydrazine aan het doodskleed om moeder aarde toegevoegd. In een van de complexen die we zojuist tegenkwamen, vieren de directeuren feestelijk omzetverhoging, terwijl ze onder de rook van hun producten staan. De mannen glippen gebukt naar binnen. Het heeft er van weg dat ze benauwd zijn voor een blauwe hemel. Via de lift komen ze op hun stek aan. Als ze daar zijn, zijgen ze neer in comfortabele hi-techmeubelen. Die kiezen ze het liefst van een Italiaanse ontwerper. Met de laatste editie naast zich van een blad dat het in elk geval goed moet doen op de salontafel, vergelijken ze jaarcijfers; rood keuren ze af. In kamer 1038 op de hoogste etage hangt een wandkaart. Op deze kaart is een curve getekend. 's Middags, als iedereen aan de vergadertafel zit en de verhalen afgewisseld worden door het geknip van aanstekers, is een binnenvallend zonnetje te zien dat de helft van het wandtableau verlicht. De curve is in het licht nog maar half zichtbaar en zit op het laatste oordeel te wachten. De mannen om de tafel zijn het met elkaar eens: er moeten resultaten komen. De curve moet door het dak naar de hemel. Ze strandt echter ruim voor haar doel, in de wolk die opgestegen is van het grauwe gezelschap dat sigaren rookt. Deze lieden moeten ooit een jeugdig uiterlijk gehad hebben, maar ze zijn reeds lang geleden een te vroege dood gestorven. Ze zijn in streepjespakken gestoken. Het is dat de conventie dit niet toestaat, anders namen ze hun zwarte koffers nog mee naar bed. Vroeger knikkerden en lachten ze met elkaar op het schoolplein, maar nu gaan ze te gronde.

Het lijkt onwaarschijnlijk, maar al deze mannen moeten ooit op de lagere school hebben gezeten. Ze hebben in de klas gezeten en braaf sommetjes gemaakt en ze zijn vast ook wel eens ondeugend geweest. Ze hebben hoe dan ook een bepaalde indruk gemaakt op de onderwijzers. Zal er toen al iets hebben doorgeschemerd van wat de toekomst deze jeugd zou brengen? Mogelijk hebben alerte leerkrachten peinzend in zichzelf de oorzaak gezocht van het intuïtieve vermoeden dat het mis ging. Ze observeerden de tollende kinderen en na dit een tijdlang te hebben volgehouden, moet hun hun wantrouwen gerijmd zijn voorgekomen. Dat is niet zo vreemd. Want ontsporing kan zich in een jeugdig kleed aankondigen. Op docentenvergaderingen stippelde men uit, welke ondersteuning geboden was. In zulke plannen was simpelweg geen plaats voor het denkbeeld dat een kind ook wel eens verkeerd kon terechtkomen. Zo bevochten visies elkaar. Aan de ene kant stonden de optimisten en aan de andere kant vond men de twijfelaars die op het schoolplein surveilleerden. Liep daar een grijs pak in de dop of een kind? Terwijl nu andere onderwijzers, getekend door te vroeg oud wordende leerlingen, op een voortijdig zijspoor gezet wachtgeldformulieren invullen, speelt hun angstvisioen verder op een hogere school. Daar neust het - als gegrepen door moderne Donald Ducks en zich beroepend op noodzaak - in folders van BMW's met spiegelende ruiten, en van aktekoffers met een vak voor 's werelds valuta.

Hoe deze leerlingen hun vrije tijd inluiden, is bekend. Om vijf uur verlaten ze de scholengemeenschap en lopen even naar de kroeg. Ze leggen de eerste steen van hun zakelijke bolwerk. De kaarten zijn al verdeeld en dit symboliseren zij door van elkaar een munt te lenen voor een eenarmige bandiet. Niet één persoon in het hele gezelschap vraagt zich af of de buurman waarin hij zich spiegelt, kan breken. Een ieder wordt op een draaggolf van de muziek samengebracht rond de bar. Schuimend bier verlaat zijn plaats in de kelder en komt als sluipend gif door leidingen omhoog en gaat het glas in. Als het wordt afgestreken, blijft de handpalm van de man achter de bar geduldig rusten op de rand van de tap, de spaan routineus dwars gestoken tussen zijn vingers. Het rumoer van de in kinderlijke vermomming rondhangende, afgematte scholieren vult 's barmans hoofd. Het schuim is uitgewerkt. De spaan gaat er nog eens langs. Tegen etenstijd versplintert het gezelschap met zijn dunne façade. Ter linker zijde vertrekken twee, drie man naar de bus, terwijl rechts een of twee jongelui door een pa met zijn voorbeeldig gestroomlijnde kar worden opgeslokt. De geblindeerde ramen doen hun werk. Pa's aanzien stijgt naarmate men buiten de auto staand zich in de ruiten beter spiegelt. Binnen kan zijn joch zich verbergen. Het gaat snel aan op huis. De teller op het dashboard geeft een snelheid aan die nu eenmaal past bij auto en chauffeur; beide storen zich nergens aan. Men nadert de woning in de voorstad. Er wordt een elektrisch signaal uitgezonden en de cocon openbaart, na de garage te zijn ingereden, reeds voorgoed bedorven jeugd. Het eten staat bijna op tafel. De heer des huizes rept zich naar boven om, gezeten aan een eikenhouten bureau, andermaal de laatste hand te leggen aan de das die de belastinginspecteur moet strikken. Drie dagen kostte het om het formulier aan te sluiten op losse wetgeving. De almanak gaat terug in de boekenkast, wordt volgend jaar door een nieuw exemplaar vervangen. Met geluk wordt komende maand de serre uitgebouwd met dat wat reeds twee jaren van de keizer is. Beneden verbloedt jeugd.

De dagen verglijden terwijl kilometers verderop gewone mensen genieten van de zon. 's Morgens gaan de handwerkslieden met sportnieuws, brood en appel de deur uit. Ze staan even stil op het met mos begroeide tegelpad dat naar een rijtjeshuis leidt en zien de zon. Met hun eigen warmte, die van boven en een kleine zucht lopen zij de poort van werk tegemoet. Onderweg wordt even geknipperd tegen het door spiegelende ruiten weerkaatste zonlicht op een voorbijsnellende blindganger. Het is de zoon - terug van een party - in de kar van pa. Het komt wel voor, dat beide werelden elkaar bij de bakker ontmoeten. Dichter dan daar zullen zij vermoed ik niet van elkaar vervreemd staan.

Het eindexamen is gehaald. De jongelieden, die al licht beginnen te vergrijzen, reppen zich met diploma's op zak en de toekomst in de bol richting academie. Na vijf, zes jaren, als de op wachtgeld geparkeerde onderwijzers nog eens terugdenken aan het onduidelijke schoolpleinkind, stapt klaar voor de maatschappij een getransformeerd wezen het bedrijfsleven in. Dag jeugd, wij groeten u ten afscheid! Wezenloos gapend in almanakken van door voorgangers in chaos achtergelaten bedrijven, spelen hier jonge managers koning voor een dag. Kijkend uit het raam van het op grote hoogte liggende mahoniehouten kantoor ontwaren zij kleine witte vierkanten op grote afstand. Daar, op het plein waar de stad het durft te gedogen, protesteert een ander universum tegen de moord op de wereld, de mens. Statig achter hun bureaus zittend, schrijven de minnaars der hedendaagse bedrijvigheid fusie-orders. In de komende jaren zal een en ander van hen te zien zijn. Is het niet in de lijn van wie roepen om beheersing, dan is het iets anders, als het maar geschikt is voor een prijzenkast. Doch na een lange incubatietijd bezwijken zij aan de roem.

- - -

Op het schoolplein speelde lieflijk nog een kind, dat zich, geheel in zichzelf verdiept, met bloemen vermaakte. In de verste verte leek het niet op haar kornuitjes die in het oog van de leraren van zo een verdacht gehalte waren. Dit kind kwam braaf naar huis, het huppelde vrolijk van haar ene op haar andere been en zwaaide haar boekentas in het rond, waaromheen ze een mooi lint had gebonden. De boeken borg ze in de kast en ze speelde met haar ouders de spelen der jeugd. Zij was bemind, beminde. Op woensdagavond en vrijdagavond kreeg ze vioolles van een leraar die het kind adoreerde. Met pijn op haar gezichtje maar vol moed en wilskracht, bracht zij het instrument tot steeds zuiverder tonen. En soms huilde zij daar om. Iets later in haar leven kreeg ze zangles. Haar lerares schoolde haar stem, maar verzuimde niet haar ook wat te vertellen over de rol die de schone kunsten in de geschiedenis hadden gespeeld. Wie het meisje hoorde, kon slechts denken aan een hemelse moeder, zingend voor haar kroost. Het maakte niet veel uit of men dacht aan de muzen of aan de romantiek van een arm bloemenmeisje. Geen der ouders van het begaafde schepseltje had zorgen om haar aard of haar toekomst.

In de meisjeskamer slingerden de met noten volgeschreven papieren in het rond. Hun geestelijke moeder was het kind. Terwijl seizoen na seizoen verstreek, legden de jonge knapen op school en daarna, de ene steen na de andere aan het verlies in hun toekomst. Het meiske meed hen als vertegenwoordigden zij in haar levenspartituur de dissonanten. Haar leraren hielden haar een spiegel voor en zij zag zichzelf zoals zij was: talentvol, moedig, bestemd tot bloei, een bloem. Na haar conservatorium-tijd gaf ze les. Vol blije levensverwachting componeerde ze muziek, leefde en bloeide als een roos in de ongerepte begintijd, die der dinosaurussen.

De tijd kwam dat zij optrad en muziektheaters het hart schonk dat zij ontbeerden. Zij bleef niet onwetend, kende het gewoel om haar heen, maar als men haar belaagde, nam haar rust toe noch af. In een auto reed men haar van podium naar podium. Kwam zij langs, dan kon iedereen haar zien. En als men verblind werd als zij voorbijging, was het door de glans in haar ogen. In de concertzaal bracht zij snaren aan het trillen waarvan het bestaan niet meer bekend was. Wat haar gehoor tot haar komst was vergeten, hadden haar klasgenoten nimmer bezeten. Als taxi's af- en aanreden, dames in zijde, heren in het zwart huiswaarts keerden, gaf zij ze een ontroering mee die traag wegebde. In weinig uren schiep zij schoonheid, ontvouwde het plan der muzen. Haar architectuur emotioneerde, was eenvoudig. Van stad tot stad werd dit haar spoor. Een droom was wat zij schiep.

Doch wakend koos zij zich een metgezel en gaf een kind het leven. In haar ongerepte minnarij voegde zij aldus bloesem toe aan de sedert prehistorische tijden bewaarde schat. Lang geleden moet in de moerassen, zij het in Afrika of Europa, een orchidee zijn opgeschoten tussen het gevaarlijke drijfzand. Geen moment van de wijs gebracht, steunend en leunend op zonnestralen, klom de steel omhoog uit de wateren. Wortels had hij gevormd, bladeren en knoppen kwamen. En een in dankbaarheid openvouwend gezicht. En het lieflijke kind is evenzeer heliotroop. Na miljoenen jaren van wisselingen der seizoenen en draaiingen der afkoelende aarde, spreekt nog steeds een deel der wezens de taal van oerbloemen, orchideeën en schoonheid. In de boezem der natuur bleef dit lieflijke bewaard in het muziekminnende meisje. Schijnbaar stilde ze haar hart door niet te evolueren, in contact te blijven met natuurlijkheden van weleer. Aan haar voeten wordt nog steeds de wereld onveilig gemaakt door verscheurende dieren. Nog immer, nog altijd weten de tyrannosauriërs der twintigste eeuw van geen ophouden. Zij scheuren, stampen, vermorzelen, laten sporen van vernieling na en zijn vreeswekkend - in hun gepantserde high speed-omhulsels nog steeds even afzichtelijk.


terug naar de pagina Korte verhalen

Kies [pagina Korte verhalen] om terug te keren naar de pagina Korte verhalen.


naar de Hoofdpagina

Kies [hoofdpagina] om terug te keren naar de Hoofdpagina.

27 januari 2005