Een muzikaal avondje

Daar komen de dames orkestleden binnen. De laatste hand is aan het haar gelegd, dat is te zien. De verplichte zwarte kledij kan toch nog verschillende creaties opleveren, naar blijkt. Zeker driekwart van de speelsters zien wij naar binnen hobbelen in een kokerrok. Daarmee vallen ze meteen af als potentiële pianistes of harpistes. Geen rok van deze nauwte is bestand tegen de naar voren geplaatste pedaalvoet en een gelijktijdig achterwaarts gerichte pendant. Of ze cellisten kunnen zijn, is een twijfelgeval. Die hoeven niet meteen het instrument tussen hun knieën te klemmen, maar het wordt toch ook niet helemaal voor ze uitgeduwd. Wellicht kunnen ze in amazonezit op hun instrument plaatsnemen. Het lopen in de enge creaties maakt de draagsters ademloos, zo is ook het publiek. Eén misstap en zij zullen als een blok hout omkieperen. In gedachten zien wij van het uitgestrekte lichaam beurtelings het hoofd en de voeten op de grond klepperen, zoals een veerkrachtig stuk hout aan elke kant dan weer tegen de grond stoot, dan weer opspringt, als een wip zonder steun. De realisatie van mijn denkbeeld blijft ons echter onthouden.

De dames zijn intussen tot het podium gekomen. Hun voeten schuifelen niet tijdens het ingehouden lopen. Zulk lopen zou ook onverstandig zijn: men blijft gemakkelijk op stroeve zolen steken, en dan kunnen alleen series heel snelle inhaalpasjes het voorover hellende lichaam nog overeind houden. Nee, onze muzen hebben een vernuftige manier van lopen ontworpen. Ze zetten, net als de stereotype oosterlingen uit de oude Mr. Motofilms, eerst de hak op de grond en veren dan in een vloeiende beweging via de voetholte door naar de tenen. Het is lopen op rolletjes. De gehele voet wordt tijdens het gaan bewust benut. Pas op het allerlaatste moment, als het convexe deel der voetzool bij de uiterste puntjes van de tenen het contact begint te verliezen met de houten vloer, wordt de loopbeweging door het andere been overgenomen. Hierna begint alles van voren af aan.

De heren lopen heel anders. Zij hebben ruimte genoeg. De mode sloeg bij hen minder onbarmhartig toe. Een knellende boord lijkt haast hun enige ongemak. Aan de paar van nature stramme gestalten geeft het stijfjes omhoogtillen van de panden van de rok hun een aureool van gedistingeerdheid.

Op de rol staat voor deze avond onder meer een pianoconcert van Liszt; Brendel bemant de toetsen. De rijen om ons heen beginnen vol te lopen. Een mengelmoes van soorten kledij; smokings komen niet meer voor. Dat is in deze entourage buiten proporties. Aan sommige offeraars aan de muzen is te zien hoe zeer ze hun best doen om in de pas te blijven met wat de ongeschreven wetten van het orkestbezoek bepalen. De melange van komende klanken is voor hen bedoeld, waarbij de organisatoren ervan zijn uitgegaan dat het om kenners van harmonie gaat, die alles schatten op zijn waarde. Het orkest ritselt in de papieren, stemmen moet nog gebeuren. De aangever van de 'A' is doordrongen van de onrust die er nog heerst en wacht even. Publiek dat aanwezig is, schuift hier en daar op voor nieuwkomers. Na het zitten is er nieuw ritueel. Nieuw is het eigenlijk niet, het is nu pas aan de beurt. Allereerst wordt er even in het programmaboekje geblikt, dat echter alleen volgbaar is voor een schaarse, echte kenner. Waarom dan toch, koop ik altijd zo'n boekje, dat ik gedurende het concert in elkaar zit te frommelen of tot een toeter zit op te rollen? In de pauze neem ik het geschriftje mee naar buiten of leg het onder mijn stoel als een herkenningspunt. Zelfs aan het einde van de avond kan ik er geen afstand van doen. Terwijl we staande applaudisseren, kijk ik er dan met een scheef oog naar, overwegend of ik het in mijn jaszak zal stoppen of toch maar zal laten liggen. Als de concertstukken de moeite waard zijn geweest om ze later nog eens te beluisteren, ben ik altijd bevreesd dat ik niet meer op hun naam zal kunnen komen. Je kan ze proberen te onthouden, maar lukken doet dit nooit.

Dan wordt de zaal verkend. Achteloos natuurlijk. Terwijl je achterom kijkt en naar de ingang zoekt, ogenschijnlijk om te zien wie er nog binnenwandelen, laat je je blik dwalen langs de rijen mensen. Er gaat een lichte schok van prettige herkenning door je heen bij het zien van een bekende. Een lichte knik, een halve glimlach, meer hoort niet. Toch fijn gesignaleerd te zijn, vooral als je er bij zit alsof het de gewoonste zaak van de wereld is: ook in de ogen van de buitenwereld moet ons theaterbezoek een vanzelfsprekendheid zijn. 's Morgens haal je brood bij de bakker, 's avonds zit je bij een concert. Easy living. Je gaat niet voorbereid een concertzaal in. Dat riekt te veel naar uitzonderingen op het dagelijkse leven. Een concertzaal betreed je onvoorbereid, zoals je voor het naar buiten gaan nog gauw even je jas aanschiet of je sleutels meegraait. Casual, dat is het woord dat de Engelsen hiervoor hebben. Het concert doe je even tussendoor, zoals je thuis voor het weggaan nog gauw even de kopjes in de afwasbak zet, en een paar lichtjes aanlaat voor het thuiskomen. Niets valt méér op in de orkestzaal dan de dagtourist der symfonieën. Vooral dus niet ademloos om je heen staren naar de kristallen luchters en de wandbekleding. Rustig in het programmaboekje bladeren en dan, terwijl je als het ware in gedachten de delen van de orkeststukken nog even analyseert, schampt je blik langs al dat moois.

Als derde ritueel is er het gemompel. Je hoort even met elkaar te smoezen. Niet op een amicale toon. Je hoort mekaar niet eens aan te kijken. Je buigt alleen je hoofd in de richting van je mede-concertganger.

De toon is gezet, het orkest zit klaar. De dirigent komt op en drijft op het applaus naar het podium. Nu wordt het rustig. Publiek blijft plechtstatig de zaal in lopen. Het orkest mag nog even wiebelen of aan zijn dasjes friemelen, dan wordt het ernst en heft de dirigent zijn stok. Terwijl de zaal langzaam in duisternis verzinkt, komen flarden van muziek onze oren strelen. Na een kwartier gaan we peilen. Voorzichtig om ons heen kijkend naar de reacties kunnen we nu al onze strategie bepalen voor de soiree van morgenavond. Zo te zien, wordt het stuk met redelijk enthousiasme aangekeken. Ons oordeel staat daarom ook vast. Gelukkig, want we hebben net te weinig tijd om de krant te kopen voor de recensie. Morgenavond overigens, dat vergaten ik te vertellen, zingt onze achternicht Schubert bij de piano. De pianist op déze avond schijnt volgens het programmaboekje een virtuoos te zijn. Plezier hebben we evengoed, maar men leest het morgen ongetwijfeld in jargon in de krant. Kenners zijn we niet, dus genieten we gewoon van de muziek. Als je je ogen sluit, word je niet onnodig beïnvloed door de houding van de solist. Ik moet me afsluiten bij musici als Alfred Brendel, die ik alleen maar als een wereldvreemde professor Zonnebloem kan zien en niet als virtuoos. Muziek van Brendel moet men mij op de plaat voorzetten, zonder vooraf te zeggen wie hij is. Dan kan ik onbekommerd genieten. Te veel zie ik anders achter Brendel kapitein Haddock opdraven of Janssen en Janssens. Ook krijg ik de neiging mee te mummelen met elk akkoord. Dit zijn mijn overwegingen terwijl ik in mijn programmaboekje blader en 'casual' een blik op de wanden werp. Daarna praten wij - goed gebruik - besmuikt met elkaar achter onze hand, waarin het programmaboekje zich opgestoken bevindt. Onze torsen zijn daarbij licht voorovergebogen. Enig gewapper met het boekje om onszelf pseudo-nonchalant koelte toe te wuiven.

We hebben ons op de juistheid van ons oordeel niet verkeken. De muziek komt in deze zaal goed tot zijn recht. Het gaat geleidelijk, maar toch ... Na een kwartier zitten is het ons wel duidelijk. Je moet je ogen dicht doen. Ashkenazy had nog gekund, maar dit geeft problemen. De strijkers hebben plezier in hun werk en spelen niet alleen voor brood. En dan dit orkest, zo gerenommeerd! Dat herinneren we ons toch echt van het boekje van vorig jaar ... Het orkest, waarin de bassen zwoegen en een geluid voortbrengen dat niet gedenatureerd genoemd kan worden; de violen een eind voortzagen op weg naar de slotakkoorden die maar niet willen komen. Ik praat even niet over het gesnurk dat een kort moment in de gehoorzaal opsteeg. Dat moet een vergissing zijn geweest. En dan de pianist. Het resultaat van zijn verbeten gelaatstrekken en gebibber is beklemmend. Niets komt er gemakkelijk uit, maar het resultaat is wat telt. Alsof hij een baal goederen onder handen heeft die hij om den brode van de ene kant van de haven naar de andere sjort: van hoger wal naar lager wal, hoge tonen, bastonen, hoge tonen, bastonen. Wij zien dat Brendel worstelt met de ivoren vijand. Hij is niet gekromd, maar het hoofd houdt hij bijna tussen de schouders. Dat past wel bij het beeld dat we hebben van een musicus. Zo heeft bijvoorbeeld het gipsen beeldje bij ons op de schoorsteenmantel ... enfin ... Als een havik laat Brendel de vleugel akkoorden voortbrengen. Zelf brengt hij ze niet meer voort, de piano snelt onder zijn handen uit. Op de vlucht voor de meester brengt het instrument primaire angstkreten uit. Bestaat er zoiets als pianomishandeling? Dan wordt het tijd dat er tegenwicht tegen geboden wordt. Ik denk aan een equivalent van de Amerikaanse dierenbescherming. Laat ons een A.S.P.C.P. oprichten: the Attuned Society for the Prevention of Cruelty to Pianos.


PAUZE

Op dit punt heeft de componist onwetend genade met ons betoond: hij laat zijn stuk hier eindigen. Opgelucht applaudisseren we, wetend waarvoor. Obligaat staan we op, dat is onze ouverture voor de gang naar de koffiekamer. Onze avond is geslaagd, het concert blijft betaalbaar onbetaalbaar. We hebben een abonnement.


terug naar de pagina Korte verhalen

Kies [pagina Korte verhalen] om terug te keren naar de pagina Korte verhalen.


naar de Hoofdpagina

Kies [hoofdpagina] om terug te keren naar de Hoofdpagina.