Wij Dichters (*)

Wie zijn wij dichters? Ik hoop niet dat wij te zeer bedroefd zijn, of de onder een gebroken hart zuchtende jongemannen en jongedames. O, niet dat wij iemand een gebroken hart misgunnen en de verloren liefdes die zo tot dichten aansporen. En niet dat enige droefheid de dichters zou misstaan. Want droefheid is minder dan het lijkt een vingerwijzing naar een moegestreden ziel die het bijltje er bij neergooit, dan de uiting van een fijngevoelig mechaniek. En niet dat zuchten een andere verwerpelijke zaak is, want nauwelijks treft ons iéts dieper in het hart dan deze met de minst mogelijke woorden geuite klacht. Wie zijn wij dichters dan? Wij verwachten, niet de luien die in een geveinsde Weltschmerz een alibi hebben gevonden om in het geheel niets te doen; zij zeggen dat zij, nee, niet tijdelijk inactief zijn, doch dat hun nietsdoen inherent is aan de verdrietelijkheden van het dichterschap. Wel vreemd, dat terwijl men in echt dichterschap onmiskenbaar perioden van hard werken afgewisseld ziet met tijdelijke malaises, hier een meer permanente malaise tijdelijk afgewisseld wordt met dichterlijke aanvallen. Daarbij mag dunkt ons niet meetellen of zij zich in soortgelijk gezelschap bevinden; lieden die elkaar gevonden hebben in een klimaat dat zulke dingen mogelijk maakt.

In oorlogen mag het zo zijn dat het aaneenscharen van vele onmachtigen een macht vormt. Het samenvoegen van wie mank zijn op het gebied van de taal maakt evenwel geen bolwerk. Dan vindt men slechts lieden die op een stut van kreupele woorden op elkaar aanhinken. Wij geloven niet eens dat zulk gezelschap zich aan elkaar laaft om daardoor bekwamer te schijnen aan wie hun wrochtsels beziet. Want niet zelden is het ten genoege van hun maecenassen dat dichters van de laatste soort zich elkaars onvermogen komen indrinken. De broodheren trekken aan de touwtjes en hun ledematen volgen maar al te gewillig. Zoet is de beneveling die pseudo-poëten en begunstigers omhult: de eersten spiegelen zich aan elkaar en zien hun incompetente gedrag niet. Ook dit is vreemd, want kijkend naar elkaar ontwaren zij immers niets dan zichzelf. De begunstigers blikken vergenoegd op het door hen bevorderde melancholieke tijdverdrijf, doch hebben een groter oog voor de goedkeurende opstelling die hen bereikt van de zijde van hun vrienden. Dat zijn niet zelden zelf begunstigers die, door hun waarderend geknik, zich een even waarderend onthaal garanderen voor het moment waarop het om het beoordelen van hún ondersteuningen gaat. Als dat moment aanbreekt, stijgt dadelijk hun wereldse ster. Geen wonder dat maecenassen elkanders waardering met meer energie zoeken dan inzicht in de hoge dichtkunst zelf.

Een grote afstand van dichters en begunstigers zal hij innemen die dit spel wenst te doorzien. Maakt hij van de eerste partij geen deel uit, dan zal dit doorzicht wel uitblijven. Er naar zoeken zal hij zeker niet. Komt het u voor dat het dichterschap schamel is? Zeker is het dat niet, voor wie bedenkt dat de aard van de ware dichter onbesproken is gebleven. En dit is niet zonder reden. Dikwijls heeft een prijzenswaardig fenomeen pas recht glans gekregen nadat het in een omgeving van minder allooi was tentoongesteld. Exposeert men niet geslepen diamanten te midden van rauwe steenkool, waaruit ze is voortgekomen? Valt een edele natuur niet des te meer op wanneer ze is geplaatst tussen rabauwen? Het doet goede dichters onrecht te zeggen dat zij zouden zijn voortgekomen uit mindere godheden en dat zij te midden van hen hun kunst beoefenen; dit bedoelt de vergelijking niet. De pure beschouwing van zulke uiteenlopende schepselen is reeds genoeg om helder te laten inzien wie wij zijn. Echte dichters zijn wel degelijk de zonen van Terpsichore en dochters. Zij brengen op hun beurt slechts kinderen voort wanneer zij bewezen hebben niet steriel en rauw te zijn. Waar vindt men zulke, of, waaraan herkent men hen? Haastigen zouden antwoorden "In plaatsen van droefheid" en "Aan het ontbreken van vreugde", al is het duidelijk dat wanneer een ding het ene niet is, het daarom nog niet het andere is.

Het is goed gezien dat het dichterschap de geest verheft, doch verhevenheid van gemoed is daarom nog niet gelijk aan droefheid. Het is daarentegen ook niet gelijk aan vreugde, al zal het de mantel zijn van melancholie waarin men de dichters gehuld ziet, die eerder verdriet in gedachten brengt dan vreugde. Een dichter trachten te herkennen aan het ontbreken van blijdschap is een werk dat enig succes belooft. Behalve de lach kent de poëet de droefenis. Hij is onder het uitbrengen van geween ter wereld gekomen, net als elk ander kind en zijn ouders hebben tranen geplengd. Daarin zijn zij gelijk oceanen waarvan druppels zich afscheiden. Zou een echte poëet nimmer bedroefd zijn en zou hij zich afwenden van het gesnik van de andere telgen van zijn hemelse moeder? Is hij zeer begaan met het lot van andere stervelingen, dan stort hij menige traan allereerst om zijn stiefbroers en stiefzusters, die in zelfgenoegzaamheid en van de wereld afgesloten door en met hun maecenassen, zich tevreden stellen met schaduwen en een ware koninklijke afstamming ontberen. Een verdriet dat zijn wortels niet heeft in een ledigheid zoals die bij de anderen zichtbaar is. Het ontspruit uit het besef dat hetgeen nu geen eenheid is ook in de toekomst eenheid zal missen. Bitter is het niet, daarvoor is de droefheid te zeer vermengd met begrip. Wie ziet niet als een wetmatigheid in, dat hetgeen kwaliteit bezit noodzakelijk gescheiden moet zijn van hetgeen kwaliteit ontbeert?

Voorts tobben wij met een verdrietige eenzaamheid door een raadsbesluit van onze moeder, van welk besluit wij de wijsheid niet in twijfel zullen trekken. Een vorstendom moet goed beheerd worden, vooral in de verre gewesten. Daarom verspreidde Terpsichore ons, zusters en broeders, haar kinderen, zonder dat wij in alle gevallen in staat werden gesteld elkaar te herkennen en in elkanders armen te vallen. Want hoewel zij goed begreep hoe hard het is als soortgenoten uit elkander gerukt te zijn, zo was haar ook het beginsel duidelijk dat het smartvolle gescheiden zijn, de poort is tot grote scheppingen. Creaties die geïnspireerd zijn door verdrietelijke separatie en daardoor een warmte weerspiegelen die niet uit een toestand van samenzijn kan voortkomen. Dat nu is het lot van wie geroepen zijn de goddelijke dichtkunst te belichamen. Het heeft er de schijn van dat onze prinselijkheid ons voorgoed aankleeft, want de kinderen van Muzen is het niet toegestaan hun adelbrieven te verbranden. Uiteengeplaatst als wij zijn, doen wij vele pogingen de verbroken banden te herstellen. Vanuit vele bosschages en velden zenden wij zulke ontroerende geestesscheppingen ten hemel dat wij tekenen aan elkaar te zien geven. Die signalen treffen ons over en weer op een manier die door een lijfelijk tête-à-tête niet kan zijn teweeggebracht.

Zonder afgeleid te zijn door elkaars fysieke gestalten roemen wij ons geluk dat ons samenbrengt op het niveau van onze moeder. Terpsichore, komt zij ooit zelf nog toe aan dichten? Zij die de edele kunst personifieert, heeft na de geboorte van haar kinderen de handen vol. Om te zwijgen van de schande die haar met regelmaat wordt aangedaan door hen die zich voor haar kroost uitgeven. Zij die ooit persoonlijk de dichtkunst beoefende, moet zich ermee tevreden stellen anderen te instrueren, hen er met de hoogste lof vandoor te laten gaan en de aan haar rokken hangende valse afstammelingen van zich af te schudden. Die haar er later op aanzien dat zij niets kunnen presteren, onder het voorwendsel dat dit door haar verstoting is gekomen! Terwijl de koekoek haar eieren in andermans nest legt om ze daar te laten uitkomen, is hier een nieuwe methode in zwang. Hier worden de eieren niet in Terpsichore's nest gelegd, nee, zij komen eerst uit en dan, zonder enige gêne, claimen de koekoeken een plaats onder haar vleugels. Aan de identiteit van deze parasieten is geen twijfel, maar wat deert hun dat! Zij zijn geborgen, sollen met hun voedster, laten zich met moeite verdringen en als de ware kinderen niet gewend waren zelfstandig te zijn en voor zichzelf op te komen, zouden deze zich warempel van hun rechtmatige plaats verstoten zien! Het verdriet van dichters dat op hun gezicht getekend is, is daarom ook zichtbaar op dat van hun moeder. Doch het past niet, aan Terpsichore's onwettige borelingen meer aandacht te geven dan nodig is om haar echte kroost die accenten te geven welke het verdient. De eersten vinden toch wel hun weg van ons vandaan, in een nieuw nest, naar het schijnt 'literair café' genaamd, al weten wij niet goed wat dit onderkomen inhoudt en wie er hun nieuwe voedster is. Onze moeder, die dit onderwerp het liefst vermijdt, zegt dat het haar zuster, onze tante Urania is, de muze der sterren. Doch nadat zij ons dit meegedeeld had, blonk er zulk een merkwaardig licht in haar ogen ...

U weet nu van wie wij afstammen, doch dit maakt onze roem niet uit. Menig vorstenhuis telde krankzinnigen onder zijn gelederen, zodat een kroon geen garantie lijkt te zijn voor vaardigheid of goede toon. Het Huis der Dichters waaruit wij stammen, kan slechts echte poëten voortbrengen, daar dit inherent is aan zijn aard. Onze roem wordt door twee dingen gevormd. Het ene is te vanzelfsprekend om over uit te weiden, het tweede is ook vanzelfsprekend, doch niet in onze kring. Het eerste is de taal die wij in ons hemelse huis spraken. Het laatste de keurslijven die de critici ons aanrijgen. Van onze taal valt dit te zeggen: wij, mijn broeders, zusters en ik, zijn er zeer op uit de aarde niet alleen met tranen te verzadigen. Wat baat het ons als wij de ganse dag met roodomrande ogen de vreugde een doodsteek geven, vrolijkheid doen verdorren en daardoor mensen tegen ons in het harnas jagen. Wij volgen hierin liever het geheim van goede koks. Die garneren een gekruide schotel met enig zuur, om daardoor des te beter het gehalte van hun maaltijd te benadrukken. Een volledig zure of bittere schotel zou de gezonde eetlust op de loop doen gaan.

En dan de critici: ook zij doen vaak een aanval op onze eetlust! Ach, wij hebben haast de koekoeken méér lief. Het is het lot van de criticus daar roem te veroorzaken waar hij die dikwijls niet wenst, nu de ervaring leert dat het publiek ons des te welwillender beziet naarmate wij eer het mikpunt zijn. Het is niet het soort roem dat wij zoeken. De constructeur van een wankel bouwwerk roemt men ook niet door zijn intrek in het gebouw te nemen. Dat laat men na, minstens zoveel uit lijfsbehoud als om niet de indruk te wekken een leek te zijn op bouwkundig terrein. Naar het werk van een bespotte dichter ziet men uit, uit angst als leek te worden beschouwd wanneer men het niet op plank heeft liggen, liefst met de kritiek er bovenop. Er is verschil tussen critici en kritieken. Een kritiek kan goed zijn, of bevooroordeeld en niet beargumenteerd, rationeel zijn of gevoelsmatig en beide nog met een gevoelige of genadeloze ondertoon, en toegepast op goed of slecht werk. Wie zal in staat zijn een literaire bespreking in zijn juiste verhouding te beoordelen, wanneer deze het kind is van zoveel ouders? Behalve dit alles moet men het karakter van de criticus kennen, zijn kennis en achtergrond. Voorts op welke wijze hij de avond tevoren heeft doorgebracht. Is hij doorgezakt, matig, zeer of in het geheel niet dronken geweest, werd het gezelschap dat hij zocht door hem ingewijd in de arbeid die hij van plan was te ondernemen? Hebben zijn tafelvrienden hem opgehitst of bewerkt dat hij ging schrijven zoals hij deed? En al die tijd lag het te bespreken werk bij hem thuis roerloos in de la, niet in staat zich te verdedigen en overgeleverd aan de goedgunstigheid van de criticus of het promillage van zijn drank. Wie krijgt geen medelijden met een gedicht dat in het donker ligt te wachten tot het oordeel aan hem wordt voltrokken? "Hebt u nog een laatste wens?" "Nee, ik maak het kort", wil het slachtoffer uitbrengen, maar levert daarmee de criticus diens beste wapen: het zichzelf ontregelende gedicht, de schuldbekentenis waarop hij wacht. Toch kan alleen kortheid de schade beperken die de criticus aanricht. Niet dat in 's dichters beknoptheid de voorwaarde voor een juiste kritiek verscholen ligt, maar hetgeen hij verzwijgt, kan geen schade aanrichten. Zonder vorm van proces wordt het gedicht als het klaar is beoordeeld en veroordeeld en belichamen de critici de inquisitie van de literatuur.

Wij dichters kunnen ons niet aan het verhoor onttrekken door ons werk af te leveren en ons om te keren. Wie laat zijn schepping in de steek en bovendien: hoe dikwijls zijn wij niet nageroepen? Niet alleen om de kanonnades te incasseren die men voor ons heeft bedacht, maar ook om verantwoording af te leggen. Hoe doen wij dit? De heksenproef wordt gedaan. Steek de dichter eens door het lijf en kijk of hij reageert. Ja, ziende dat zijn werk wordt aangetast, gilt hij. Aha, schuldig!

Uit ongeloof over de autoriteit die de criticus zich aanmeet, wilden wij het liefst in schaterlachen uitbarsten, maar dát mogen gedaagden niet. Dan kunnen zij hun vrijheid vaarwel zeggen en blijven zij achtervolgd met analyses. Hun werk wordt uiteengerekt, eeuwigdurend drijft men er pennen in. Stilzwijgen dan? Hoe kunnen wij dat, als wij bij het lezen van een kritiek over ons werk bemerken dat wij het niet eens als het onze herkennen? Dichtwerk is meer dan de optelling van letters. Wordt de schoonheid van de natuur gelezen door haar uiteen te rafelen? Als dat tot methode wordt genomen, wat blijft er over van het hart van de poëet, dat verweven is met zijn coupletten? Snij erin en het leven verdwijnt eruit.

Een criticus, door 't oog van poëten bekeken
Snijdt met een pennemes in versvoeten
Dicht dan alles gehaast met grove steken
Geschrokken van z'n onheilzaam wroeten ...

Kan men een gedicht een effectievere doodsteek toebrengen dan wanneer men het ontleedt? Daarin gelijkt het op een levend corpus, waarin men ook niet het scalpel kan zetten zonder dat men het berooft van zijn vitaliteit. Poëzie hoort op het nachtkastje te liggen. Ze mag op de tafel liggen in de serre, bij een ouder echtpaar, of onder het hoofdkussen van een jong meisje. Op de heide mag poëzie liggen, naast iemand die op zijn rug gelegen naar de wolken staart en soms treft men ze aan bij personen van wie men dit niet verwacht: een generaal bijvoorbeeld. Daar is het acceptabel. Maar de operatietafel van een criticus is een ontheiligende plaats. Zijn verstand staat als een felle lamp boven de patiënt. De gevoelvolle beschouwing heeft hij als een besmet instrument ter sterilisatie in een ketel neergelegd. De diagnose is al bekend, alles moet uit elkaar! Als ergens een chirurg bij voorbaat gerechtvaardigd werd voor zijn handelen, is het hier, want een tuchtcommissie heeft men voor dít soort snijmeesters niet in het leven geroepen!

Wat staat ons leven ver af van de ontleding waaraan wij zijn onderworpen. Bij de eenzaamheid, ontstaan door het gescheiden zijn van Terpsichore's andere kinderen, komt nog deze drukkende last. Het enige panacee om ons aan dit alles te onttrekken zou sterven zijn, zodat terugkeer naar ons Huis mogelijk is. Ook zijn wij, al ziet menigeen hier anders tegenaan, niet onsterfelijk. Gelukkig komt de roep die wij genieten op dat punt niet met de werkelijkheid overeen. Dit maakt alles draaglijk, te weten dat wij ooit het juk van het dichter-zijn zullen afleggen. Doch als wij dit doen, zal het zijn - onze beproevingen ten spijt - als 'aan een droom vol weelde ontstegen'.

* publicatie
De Revisor, 1988


terug naar de pagina Korte verhalen

Kies [pagina Korte verhalen] om terug te keren naar de pagina Korte verhalen.


naar de Hoofdpagina

Kies [hoofdpagina] om terug te keren naar de Hoofdpagina.