pagina2

DE KLOOSTERORDE DER TERENTIJNEN

 

De kloosterorde der Terentijnen. Gesticht door Terentio Rosa in 702. Gemengde kloosters. Strikt ascetische orde. De kloosterlingen eten geen vlees en vis. Drinken geen alcohol. Gebruiken geen zuivelproducten. Eten geen landbouwvoedsel. Zaaien niet, maaien niet, verzamelen niet in schuren. Eten slechts plantaardig voedsel dat ze in de natuur vinden en consumeren dit op de plaats waar ze het aantreffen, ongekookt. Treffen ze dieren aan op dit voedsel, bijvoorbeeld lieveheersbeestjes, dan dienen ze eerst te wachten tot de diertjes gegeten hebben. Bij voorkeur eten ze wilde vruchten en bessen van planten omdat deze planten niet sterven als de vruchten worden geconsumeerd. De ontlasting dient op vruchtbare grond te worden gestort. Het doden van dieren is verboden, het "stelen" van dieren is verboden. Het begeren van hetgeen van dieren is, is verboden. De tien geboden omvatten de gehele schepping. Ze vasten zo'n 120 dagen per jaar. Ze drinken alleen water, maar kennen ook vastentijden waarin ze dat zelfs niet doen.

Ze leven strikt celibatair en zwijgen tegen elkander. Hun kloosters zijn zeer sober, geen beelden. De kloosters zijn gebouwd met stenen die ongeschikt bleken voor de bouw van andere gebouwen en cement met zand waar geen leven, met het blote oog zichtbaar als de zon op z'n hoogst is, is aangetroffen. De kloosters zijn vrij klein en hebben slechts een vertrek. Een kloostergemeenschap telt 12 leden, hier is de bouw op aangepast. Er wordt niet gezongen. Gebeden wordt er alleen in het verborgene, onuitgesproken. Geslapen wordt er slechts 2,4 uur per nacht, of nog korter, de kloosterlingen bekwamen zich in slaapdeprivatie. Alle lichaamsbeharing wordt weggeschoren.

Het klooster der Terentijnen.

12 el lang, 12 el breed, 12 el hoog. De oppervlakte is 29,16 vierkante meter. Inhoud is 157,464 m3 oftewel 1728 cubice el. Het klooster heeft 12 openingen van 1 el breed, 4 el lang. 3 op het noorden, 3 op het zuiden, 3 op het oosten, 3 op het westen. Er zijn 10 slaapplaatsen in de kloosterruimte. Een slaapplaats is geen bed; men slaapt op de stenen vloer. Er zijn 8 grondligplaaten: 1 bij de oosterpoort, 1 bij de noordoosthoek(bij de meest oostelijke noordpoort en de meest noordelijke oostpoort), een diagonale ligplaats, 1 bij de noordpoort, 1 bij de noordwesthoek, 1 bij de westpoort, 1 bij de zuidwesthoek, 1 bij de zuidpoort, 1 bij de zuidoosthoek. In het centrum bevind zich een vierkant van 2 el bij 2el. Dit is de staplaats om te slapen. Boven dit vierkant, 1 el van het plafond, bevind zich een net van 5 el lang, 5 el breed wiens touwen naar alle windrichtingen uitgaan. Elk touw is boven een poort bevestigd. Onder het vierkant is een kelderschacht, 5 el lang, 5 el breed, 1 el hoog. De schacht bevind zich 4,5 meter onder de grond, evenveel meter dan het net zich boven de grond bevind. Dit is de elfde slaapplaats. De kloosterlingen verwisselen elke korte nacht van plaats. Elke cyclus begint in het zuiden. De monnik ligt de eerste nacht op het zuidoosten gelegen op zijn rechterzij als het ware lonkend naar het oosten waar de zon opkomt waar het leven aanvangt, de 2e nacht het oosten, gelegen op zijn rug, de 3e nacht het noordoosten, gelegen op zijn rechterzij, de 4e nacht het noorden, gelegen op de rug, de 5e nacht het noordwesten, gelegen op de rechterzij, de 6e nacht het westen, gelegen op de buik, de 7e nacht op het zuidwesten, gelegen op de linkerzij, dit is de zijde van het sterven, het hoofd naar links, naar het westen, de plaats waar de zon onder gaat, de 8e nacht slaapt men op het zuiden, gelegen op de buik, dit symboliseert de dood, omdat de nacht het donkerst is als de zon in het zuiden is, de 9e nacht slaapt men onder de grond, gelegen op de buik, de 10e nacht slaapt men staand in het midden van de grondslaapplaatsen, men staat met de rug naar het westen, het gezicht naar het oosten, deze slaapplaats symboliseert de wederopstanding en de relativiteit van de dood, de 11e nacht slaapt men in het net bij het plafond, dit symboliseert de hemelvaart, de 12e nacht slaapt men niet maar blijft men waken op het dak van het klooster en geeft men zich over aan gebedsmeditatie, dit waken symboliseert het eeuwige leven. De monnik zit en loopt op het dak, dit symboliseert het bewegings- en rust aspect van God de Vader. De monniken gebruiken de droom van hun slaap voor een soort van droommeditatie passend bij hun slaapplaats. Er wordt slechts 2,4 uur geslapen(in de rest van Terramundo gemiddeld 6 uur, bij de meeste andere kloosterorden zo'n 5 uur). Men legt zich ter ruste 2,4 uur(1 terramundees uur) voordat de zon op komt. Men gaat dus in de winter soms pas om half zes slapen en in de zomer om half vier. Men bezit geen horloges maar heeft zoveel ervaringskennis wat betreft tijd, dat men op de minuut het moment kan bepalen dat 2,4 uur voor zonsopkomst is.

De monnik die staand slaapt, met het gezicht naar het oosten word als eerste gewekt, door de zon. Deze monnik wekt zijn broeders, niet door te roepen, Terentijnen zwijgen, maar door uit te stralen dat er licht is, dat de slaaptoestand relatief is, dat er leven is, dat er waken is. Als de monniken ontwaken blijven ze nog even liggen, men staat immers op, op hun beurt. Eerst het oosten, dan het noordoosten, vervolgens het noorden. Iedere ontwaakte monnik gaat bij de poort staan waar zijn gezicht tijdens de slaap het dichts bij was. De monnik die in het net sliep gaat voor de noordoostpoort staan. De monnik die onder de grond sliep gaat voor de zuidwestpoort staan. De monnik die staand geslapen heeft gaat voor de noordwest poort staan. Men wacht op de monnik die wakker is geweest. De wakkere monnik springt of klautert van het dak en gaat bij de zuidoostpoort staan. De monniken zijn compleet en vangen het ochtendgebed aan, zonder woorden. Na het ochtendgebed lopen de monniken het klooster uit, de heuvel waar het klooster op is gebouwd af, naar een plateau. Men loopt door de oostpoort, daar waar de zon is opgekomen. Voor het verlaten van het klooster heeft de monnik die op het westen sliep uit de schachtruimte messen gehaald. De monniken zitten aan de oostzijde. De monniken scheren elkaars lichaamshaar weg. Als een monnik wordt geschoren dient hij zich zo te concentreren dat hij het op de plek waar hij geschoren wordt weinig bloed stroomt en weinig gevoel is. Wordt zijn hoofd geschoren, dan maakt hij zich een ongevoelig hoofd. De broeder of zuster die scheert dient het lichaamsdeel dat hij/zij scheert ook bij zichzelf ongevoelig te maken. Het gebeurt wel eens dat een jonge monnik bij het wegscheren van het schaamhaar van een jonge non een erectie krijgt, als de andere kloosterlingen dat merken, en dat wordt bijna altijd wel opgemerkt, wordt naar de jonge monnik in kwestie geseind dat hij in staat van devotie is bij het aanschouwen van een poort des levens en dat hij de poort des levens in zichzelf, in Christus, dient te vinden. Aardse lusten dienen overwonnen te worden, het mannelijke en het vrouwelijke dienen in een persoon samen te smelten, seks brengt sterfelijk leven voort en wordt daarom door de kloosterlingen niet in praktijk gebracht. Erecties zijn bij de Terentijnen geen zonde, maar een stuiptrek van de oude wereldse staat. Terentijnen ontwikkelen de beide geslachten in zichzelf zodanig dat sommige uiterlijke geslachtskenmerken van beide geslachten gaan vertonen. Na het scheren en knippen van de nagels, het is immers een uur na zonsopkomst gaan de monniken verzitten, naar het noordoosten van het perk van het kloosterterrein om de heer te danken. Men blijft na het gebed in de richting van de zon, men treed alleen de zon te gemoed. Waar de zon is, is leven. Waar de zoon is, is leven. Als collectief bezit hebben de monniken slechts hun gebouw(oppervlakte 29,16 vierkante meter) en de schacht onder het gebouw, het slaapnet in het gebouw is het enige inventaris, de messen zijn hun enige voorwerpen. Een geel omslagkleed van 1 bij 4 el is hun enige persoonlijke bezit, dit omslagkleed moet hen beschermen tegen hitte en koude. Vaak loopt men naakt, men streeft immers de schaamteloosheid van voor de zondeval na. Ze wassen zich in de poel op het kloosterterrein, elke dag, als de zon op haar hoogst is, na het middaggebed. Een vaak gehoord misverstand is dat ze dicht bij de natuur zouden willen staan. Integendeel. Hun doel is de natuur te overwinnen en volledig de christusstaat bereiken. Ofschoon zij na hun wijding niet meer lezen, niet meer schrijven, niet meer spreken, geen beelden meer maken, geen beelden meer lezen, geen muziek maken en niet naar muziek luisteren hebben ze zich wel op taalkundig, beeldkundig en muzikaal gebied bekwaamd. Allen kennen de bijbel en vele andere boeken uit het hoofd, vele symbolieken der beeldtaal zijn hen bekend als mede zeer veel melodieen en harmonieen. Onderlinge communicatie vind door telepathie plaats. Ze bevinden zich voortdurend in een personelijk proces en een groepsproces. Ze worden zeer oud. 120 jaar, zoals de meeste Terramundesen, doch de monniken maken geen gebruik van de beschikbare medische technologie. Ze worden niet zeer zelden ziek en als zij ziek worden genezen ze elkaar door handoplegging of genezen zij zichzelf door meditaties. Sommige kloosterlingen sterven omdat ze zodanig het aardse hebben afgelegd en in harmonie zijn gekomen dat ze het lichaam niet meer nodig hebben. Het hart staat stil en er is sprake van hersendood, tegelijkertijd; volmaakte harmonie. Het aardse is voorbij, het hemelse is gekomen. Dit is het streven van elke kloosterling, het wordt niet gezien als een langgerekte zelfdoding, maar als een zelfleving. De aardse wereld is de wereld van de dood, Christus is leven. Als een kloosterling gestorven is en zijn broeders en zusters vinden hem wordt er geglimlacht, een zeldzaam gebeuren bij Terentijnen. De gestorven kloosterling wordt onder het klooster begraven, in de houding en richting van zijn slaapfase bij moment van overlijden. Als hij in de staande slaapfase was, wordt hij met het hoofd naar beneden begraven. Als hij in het net bij het plafond sliep, krijgt hij een plaats heel diep in de grond, de kloosterling die in de waakfase was bij moment van overlijden wordt het allerdiepst, zittend, met het hoofd onder begraven. De kloosterling begraven hun gestorven broeder of zuster niet zelf. Laat de doden hun doden begraven is hun devies. Ze verbranden het kleed van de gestorvene als de zon op z\rquote n hoogst is. Wie in de omgeving rook ziet bij het klooster, waarschuwt de doodgraver. Bij hoge uitzondering mag een niet-terentijn, de doodgraver, die een domitijner monnik dient te zijn, het terrein betreden. Als dank krijgt de doodgraver een inwijdingssessie en worden eventueel pijnen en ziektes weggenomen middels handoplegging. Binnen 24 uur wordt een aspirant-terentijn, een leerling van de terentijnenschool, door de domitijnermonnik die de overleden kloosterling heeft begraven afgeleverd bij het terentijnerklooster. Voordat de nieuwe kloosterling het terrein betreed geeft hij een verklaring aan de domitijner monnik, dat hij al zijn bezittingen nalaat aan degenen die het behoeven en willen, hij legt zijn klederen af en ontvangt van de domitijner monnik zijn omslagdoek. De woorden die door de nieuwe kloosterling tot de domitijner monnik worden gesproken zijn tevens zijn laatste. Mijn naam was ...(naam)...Ik ga. In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. Hij spreekt voor de laatste maal en slaat voor de laatste maal een kruis. Zijn aspirant-kloosterlingschap zit erop, hij betreedt het terrein. Hij wordt verwelkomd door zijn broeders en zusters, hij wordt ontdaan van zijn haar en nagels. De terentijnerschool is een groot onthechtingsproces. De eerste vijf jaar van zijn opleiding volgt de leerling de opleiding terentiologie aan de faculteit theologie van de universiteit. Hier leert hij de bijbel en de geschriften van Terentio Rosa uit het hoofd. Hij leert meditatietechnieken en moet lange verslagen schrijven over zijn godservaring. Zijn proefschrift moet geheel en al gaan over zijn eigen geloofservaring. Er mogen geen bronnen vermeld worden. Citaten, verwijzingen naar andere geschriften zijn verboden. Als de leerling doctor in de terentiologie is gaat hij in een grote stad wonen, als hij nog niet in een grote stad woonde. Drie jaar lang observeert hij de wereld en zoekt hij plaatsen op die hem het meest verleiden, zonder aan verleidingen toe te geven. Leerlingen die bijvoorbeeld van muziek houden gaan veel naar concerten en brengen het op om alleen te genieten van het goddelijke aspect in de muziek. Leerlingen die mannen of vrouwen aantrekkelijk vinden en een erectie of vochtige vagina krijgen brengen het op te beseffen dat hun opwinding in wezen goddelijke devotie is. Het gaat hen erom niet de tonen of het vlees, maar God te beminnen. Ze eten in hun stadse periode uitsluitend vegetarisch en mijden elk lichamelijk contact. Na drie jaar stad gaat de leerling in een Johannieterklooster, hier legt hij dezelfde gelofte af als andere kloosterlingen. De maaltijd van de leerling is echter soberder en zijn gewaad is bruin. De aspirant-terentijn volgt een ander dagprogramma dan de tijdelijke leerlingen die in het Johannieterklooster verblijven. Na drie jaar kloosteropleiding verhuist de leerling na een domitijnerklooster waar hij 6 jaar verblijft. Hier leert hij voedingsstoffen uit de lucht te halen, extreem diepe meditaties en omgaan met stilte. Na de minimale 17 studiejaren te hebben doorlopen is de leerling aspirant-terentijn en mag een lichtbruin gewaad dragen. Bij overlijden van een terentijner kloosterling wordt er door de domitijner kloosterlingen bepaald wie op dat moment het meest klaar is voor het terenetijnerschap. \par Er bevinden zich terentijner kloosters nabij Mons, nabij Toge en nabij Anrisa, allen in het hoogland. Het kloosterterrein is 144 bij 144 el(4.199, 04 vierkante meter, oftewel 0,4199 hectare). In het centrum van het terrein bevind zich het klooster ten noorden bevind zich een poel waarin men zich wast, waar men hun omslagdoek wast, waaruit men drinkt. Plassen en poepen doet men bij de vruchtebomen en bessestruiken waarvan men gegeten heeft, om nieuwe voort te brengen. Eenmaal opgenomen in de kloostergemeenschap verlaat men het nooit meer. De jongste leden zijn 33, de oudsten 120. De meesten komen tot kloosterlingenschap als ze een jaar of 40 zijn. Nooit verlaat men een gebied, kleiner dan een half sportveld. Bezoek krijgt men slechts van een domitijner monnik, als een broeder of zuster is overleden. Er zijn thans 3 kloosters der terentijnen, de 36 broeders en zusters zijn ongetwijfeld de meest ascetische mensen ter wereld. Gemiddeld 1 keer in de drie jaar overlijdt er een kloosterling en kan er een nieuwe intreden. Er staan 2 aspirant-kloosterlingen in de startblokken, er is 1 leerling in opleiding in het domitijnerklooster, er zijn 2 leerlingen in opleiding in het Johannesklooster, er zijn 5 leerlingen in de stadsfase van de opleiding en er studeren 8 mensen Terentiologie. Waarschijnlijk kan de kloosterorde nog lange tijd voortbestaan.

terug naar mijn thuispagina: http://members.home.nl/oscarmasira/

verder naar De Taal van Terramundo: http://members.home.nl/oscarmasira/pag3.htm

Bezoek de website van het Genootschap voor Geofictie:

http://www.hqlist.demon.nl/gvg/index.htm