SCHOLTENBOER

ScholtenWapeni



Bijdrage van Ren Scholten.

Uitgezocht in de 80er jaren door Theo Scholten sr.


Bewoner van een hoofdhof of groothoeve waaronder een aantal onderhorige
erven ressorteerde in latijnse oorkonde o.a. uit de 10e en 11e eeuw worden
deze hoven curtes curiae of villea genoemd.
De hoofdhof werd bewoond en bebouwd door een scholte,die namens de
landsheer opzicht hield over de andere erven en hun bewoners.Hij was de
rentmeester en tevens de voorzitter van het hofgericht,dat hoofdzakelijk
de horige rechten en plichten behandelde.Velen houden die hoven,althans
de hoofdhoeve,voor de vroon- of zadelhoven van de prefeodale Saksische edelen,
die door het (groot)grondbezit gerechtigd waren zich tot de adel te rekenen,
met de verplichting dat zij daardoor man en paard moesten leveren
in tijd van oorlog.Vandaar de benaming Zadelhof.Van de grootte hing het
af hoeveel gewapende mannen te paard zij op de been moesten brengen.

De latere richters en schouten waren in wezen gelijk aan de
scholten met dit verschil dat zij meer uitsluitend een rechterlijke functie
als ambtenaar uitoefenden over een groter ambtgebied,het schoutambt of
scholambt.De meeste hoven zijn reeds voor 1600 verdwenen,doch de
scholtenhoeven bleven veelal de naam scholtenhuis behouden en daarmee
bleven de scholtengeslachten bestaan.De eigenaren van zo,n scholtenhuis
worden nog heden ten dage scholte en scholtinne genoemd, o.a. in de
omgeving van Winterwijk en onder Zutphen evenals in Westfalen.Bijv.is
dit ook bij de familie Tenkink op het goed 't Lintum het geval in 't Woold
onder Winterswijk.De scholtenfamilies beschouwen zich als een stand op
zich zelf.Het was gebruikelijk dat scholtenzoons slechts scholtendochters
ten huwelijk vroegen.De oudste zoon volgde meestal om op de oude
scholtenhof.Was dat om de een of andere reden niet mogenlijk en moest het
jonge paar een nieuw gebouwde of bestaande boerderij betrekken,dan bleef
de bevolking de jonge mensen toch scholten en scholtinnen noemen en als
zodanig erkennen.

In de Achterhoek is het zelfs zo,dat men van halve scholten hoort spreken,
om aan te duiden,dat de eigenaar van de hoeve niet voor "vol" wordt
aangezien,waarbij dan ik het bijzonder wordt gelet op het grondbezit.
Ook hier geldt bij deze boerenadel als criterium van welgesteldheid het
" eigen edel " bezit gelijk overal van oudsher : Adel.
Over het algemeen is de zin voor traditie bij deze oude gegoede
boerengeslachten groot, evenals het saamhorigheidsgevoel,
hoewel de tijd ook hier veranderingen bracht,dikwijls noodgedwongen en
men zich aanpaste aan de veranderde omstandigheden, ook ten opzichte van
de huwelijken.In Vreden bestaat nog altijd de Kernebeekhof, de Stamhof
van het geslacht , waaruit wijlen oud-minister jhr. van Karnebeek, later
commissaris de Koningin in Zuid-Holland gesproten is.
En zo zijn er meer zoals de Roerdinks,de Meerdinks en anderen.
In Winterswijk en omgeving bestaan nog zeker een 20-tal scholtengoederen,
waarvan de eigenaren het grootste gedeelte van de buurt-kerspelgrond in hun
bezit hebben.

Gemiddeld behoren tot een scholtengoed een tiental nachthoeven met bouw-
en weide- en bosgrond, de trots van de echte scholtenzoon, het van de
vaderen gerfde goed.Van de heerlijke rechten bezat de scholte onder meer
het jachtrecht en het recht van hand- en spandiensten op de zgn.
" helpedagen ", welk laaste recht bij contract was vastgesteld over een
bepaald aantal dagen,welke naar oude traditie in de pacht begrepen waren.
Inderdaad de Oost Graafschap is het land der typische scholtenboeren en een
voorbeeld van de oude erfgezeten "boerenadel".



terug verder

Terug naar hoofdpagina.