Profielwerkstuk: Nederland in de Franse tijd

Startpagina | Voorwoord | Sitemap | Bronnenlijst
Voor 1795 | 1795-1813 | Na 1813
Deelvraag 1 | Deelvraag 2 | Deelvraag 3 | Deelvraag 4 | Hoofdvraag
Voorgeschiedenis | Patriotten | Bataafse Republiek | Koninkrijk Holland | Deel van Frankrijk | Koning Willem I | Houding van de bevolking
Ancien régime | Lodewijk XVI | Franse revolutie | Robespierre | Generaal Napoleon | Keizer Napoleon
Legermuseum Delft | Exercitiedag Loevestein
Legermuseum Delft | Exercitiedag Loevestein
subglobal8 link | subglobal8 link | subglobal8 link | subglobal8 link | subglobal8 link | subglobal8 link | subglobal8 link

Nederland in de Franse tijd

Koning Willem I

Koning Willem I

Officieel: Willem I Frederik (Den Haag 24 aug. 1772 – Berlijn 12 dec. 1843), koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg van 1813 tot 1840, hertog van Limburg van 1839 tot 1840, uit het Huis Oranje-Nassau, zoon van erfstadhouder Willem V en Wilhelmina van Pruisen.

Hij maakte in de jaren 1789–1791 een reis door Duitsland en trouwde 1 okt. 1791 zijn nicht Wilhelmina van Pruisen. In 1793 tot kapitein-generaal benoemd, leidde hij de operaties tegen de Franse legers onder Jourdan en Pichegru, maar de nederlaag bij Fleurus noopte hem tot de terugtocht. Bij Pichegru's opdringen naar het noorden in jan. 1795 viel het Staatse leger uiteen. Van zijn commando ontheven, vertrok de erfprins 18 januari met zijn vader naar Engeland.

Teleurgesteld in zijn hoop op krachtige Engelse steun, vertrok hij in september 1795 naar Berlijn. Van daaruit onderhield hij contact met Oranjegezinden in de Bataafse Republiek. De Engels-Russische expeditie van najaar 1799 greep hij aan voor pogingen binnenlands verzet tegen de Bataafse Republiek te ontketenen, maar het werd een fiasco. Sindsdien gaf hij de hoop op herstel van de positie van zijn Huis op en vestigde hij zijn hoop op Napoleon Bonaparte, van wie hij gedaan kreeg dat de Bataafse Republiek de Oranjes een schadeloosstelling van vijf miljoen gulden zou betalen tegen afstand hunnerzijds van al hun pretenties. De toekenning van de soevereiniteit over het geseculariseerde bisdom Fulda c.a. stuitte bij stadhouder Willem V echter op een volstrekte afwijzing, al legde deze zich neer bij de aanvaarding door zijn zoon. Bij zijn vaders dood viel de erfprins ook de soevereiniteit over Nassau toe, maar na enkele maanden werd zowel Nassau als Fulda c.a. hem ontnomen wegens zijn weigering tot de Rijnbond toe te treden. Sindsdien streed hij, eerst in Pruisische, later in Oostenrijkse dienst tegen Napoleon.

Willem I land op het strand van ScheveningenIn het najaar van 1813 onderhandelde hij, geruggensteund door tsaar Alexander I, in Engeland over de bevrijding van de Nederlanden. Hij stuitte aanvankelijk op weerstand wegens zijn vroegere relaties tot Napoleon. De inmiddels in Nederland zelf onder leiding van Van Hogendorp begonnen bevrijdingsbeweging maakte door de tot hem gerichte uitnodiging om over te komen een eind aan de Britse weifeling. Hij haastte zich aan de oproep te voldoen, landde 30 november 1813 te Scheveningen en nam bij proclamatie van 2 december daaraanvolgend de titel van Soeverein Vorst aan onder belofte van een wijze constitutie. Op de hoogte van de wens van de Britse regering een sterke bufferstaat ten noorden van Frankrijk te scheppen, ijverde Willem vervolgens bij het Congres van Wenen voor een uitbreiding van het Nederlandse territorium met heel het gebied ten westen van de Rijn tot aan de Moezel, maar het verzet van Pruisen had tot gevolg dat de uitbreiding beperkt bleef tot de vroegere Zuidelijke Nederlanden inclusief Luxemburg.

Het monument opgericht ter nagedachtenis aan de slag bij WaterlooBeleid

Bij Napoleons terugkeer uit Elba nam Willem eigenmachtig met de titel van Koning der Nederlanden bezit van genoemd gebied. Hij stuurde zijn zoon, Willem II als legeraanvoerder naar Waterloo. Samen met de grote mogendheden werd daar Napoleon definitief verslagen. Later liet koning Willem I een standbeeld opzetten om de slag te herdenken.

Met België ontstonden onmiddellijk moeilijkheden, doordat de ter stemming opgeroepen notabelen de ontworpen Grondwet verwierpen, enerzijds wegens de erin opgenomen – overigens door het Congres voorgeschreven – gelijkstelling van de godsdiensten, anderzijds wegens het ontbreken van de ministeriële verantwoordelijkheid. De hiermee aan den dag tredende tegenstelling binnen het Belgische volk doemde Willem I tot een balancerende politiek. Door zijn bemoeienis met het onderwijs, m.n. met de priesteropleiding, vervreemdde hij de klerikalen van zich en door zijn drukperscensuur vooral de liberalen. Toen invloed van de Franse schrijver Lamennais tot het Unionisme leidde, ontstond er een front van verzet, waaruit de Belgische Revolutie voortkwam (1830), die de scheiding tussen Nederland en België, formeel bekrachtigd in 1839, ten gevolge had.

Ook ten aanzien van het ‘oude’ Nederland vormde Willems kerkelijke politiek een schaduwzijde, met betrekking tot de rooms-katholieken vooral door de sluiting van de ‘kleine seminaries’ en jegens de hervormden door het opleggen van het Algemeen Reglement van 1816, dat aanleiding gaf tot de Afscheiding (1834) en tot het vervolgen van hen die daaraan meededen

De sterkste zijde van de koning was zijn economische bemoeienis. Hij zag scherp dat één economische gemeenschap de handel van het noorden en de industrie van het zuiden kon omvatten, zodra de koloniën de in schijn tegenstrijdige belangen zouden doen samenvloeien. Hij streefde naar een rijkseenheid, waarin Oost-Indië de twee Nederlanden hecht zou ‘aaneensmeden’. Stichtingen als De Nederlandsche Bank (1814), de Algemeene Maatschappij voor Volksvlijt (1822) en de Nederlandsche Handel-Maatschappij (1824) zijn in Willem I's visie organisch verbonden geweest, evenals zijn participeren in de zware industrie van het Belgische Maasdal met zijn relaties tot de grote Amsterdamse, Rotterdamse en Antwerpse kooplieden. Deze correlerende prestaties waren uitingen van een inzicht waarmee Willem I zijn tijd vooruit was en dat een kwart eeuw later in Frankrijk doorbrak met de ‘Crédit-Mobilier’-gedachte.

Overtuigd van zijn gelijk, duldde de koning op den duur geen kritiek of medezeggenschap; de Staten-Generaal schakelde hij liefst uit, bij voorkeur regeerde hij bij Koninklijke Besluiten. Dit vervreemdde spoedig alle medeverantwoordelijken van hem, vooral toen zijn koppige ‘volharding’ tussen 1831 en 1839 tot financiële ontreddering leidde. In 1840 stemde hij met de grootste tegenzin in met een door de definitieve scheiding van 1839 nodig geworden grondwetsherziening, die een halt toeriep aan zijn ‘Koninklijke-Besluiten-regering’ door het ministerieel contraseign voor elk besluit voor te schrijven. Dit voorschrift was een van de redenen van zijn aftreden op 7 okt. 1840. Een andere was zijn verlangen ( hij was weduwnaar sinds 12 okt. 1837) een huwelijk aan te gaan met de half-Belgische katholieke gravin Henriëtte d'Oultremont de Wégimont, ondanks het verzet dat zijn voornemen in de pers ontketend had. Het huwelijk werd 16 febr. 1841 te Berlijn gesloten. In 1843 nam hij met tien miljoen gulden deel in de conversielening-Van Hall; aldus droeg hij welbewust bij tot de sanering van de vooral in zijn laatste regeringsdecennium ontredderde staatsfinanciën.
About Us | Sitemap | Contact Us | Gastenboek | ©2005 Profielwerkstuk: Nederland in de Franse tijd