De hondenkennel moet over binnenverblijven be-schikken en over één of
meerdere buitenverblijven of een speelweide. Een hond moet in de
gelegen-heid worden gesteld om tenminste twee uur per dag in een
buitenverblijf of op een speelweide tevertoeven. De kennel moet dagelijks
gereinigd en regelmatig en deugdelijk ontsmet worden. In de ruimten waar de
honden zijn ondergebracht, mo-gen uiteraard geen kadavers bewaard worden.
Voor zowel de binnen- als buitenverblijven worden de volgende eisen gesteld:
A. De vloer, de wanden, de hekken of de afrasterin-gen zijn vervaardigd van
zodanige materialen dat de honden zich er niet aan kunnen verwonden en zich
er niet door kunnen vergiftigen; B. De vloer is van vloeistofdicht en stroef
materiaal; C. Het heeft rechtopstaande wanden, waarvan ten-minste één
zodanig is geconstrueerd dat de hon-den buiten het verblijf kunnen kijken,
en het kan worden afgesloten; Bovendien: iedere hond heeft in een binnen- of
bui-tenverblijf de beschikking over een schone en dro-ge ligplaats die
vanuit de bodem van het verblijf optrekkende kou isoleert. Daarnaast moeten
de binnenverblijven aan de vol-gende voorwaarden voldoen: a. Het verblijf is
vorstvrij, tochtvrij alsmede droog; b. Het verblijf kan op afdoende wijze
worden ge-ventileerd; c. Het verblijf kan door middel van een elektrische
lichtinstallatie worden verlicht; d. Het verblijf is gedurende de periode
dat daglicht beschikbaar is voldoende verlicht door middel van daglicht, en
de temperatuur in het verblijf bedraagt ten hoogste 30 graden Celsius. Als
het buitenverblijf niet in een open verbinding staat met het
binnenverblijf(en de honden zich dus niet zonder meer kunnen terugtrekken in
het binnenverblijf dan geldt als aanvullende eis dat het buitenverblijf
gedeeltelijk overdekt moet zijn met een overkapping, die afdoende
schuilmogelijk-heid tegen neerslag en voldoende schaduw biedt. Als er een
speelweide is, dan maakt deze deel uit van de kennel. De omheining moet van
zodanig materiaal zijn dat de honden zich er niet aan kun-nen verwonden en
zich er niet door kunnen vergif-tigen, en zij kan worden afgesloten. De
kennel moet over één of meer ziekenboegen be-schikken waarin één of meer
binnenverblijven zijn aangebracht, die in totaal tenminste ruimte kun-nen
bieden aan een tiende van het aantal honden dat is gehuisvest. Een
ziekenboeg moet, ter voorko-ming van besmetting, kunnen worden afgeschei-den
van de andere binnenverblijven. De fokker die niet-bedrijfsmatig in
huiselijke kring af en toe een nestje rashonden fokt, kan naast zijn of haar
honden ook een of meerdere katten heb-ben. Daar is niets op tegen (in
tegendeel, het is een prima zaak wanneer de pup aan katten went). Voor de
bedrijfsmatig werkende fokker geldt echter de bepaling dat honden en katten
niet bij elkaar in één binnen- of buitenverblijf mogen worden ge-huisvest.
Honden zijn sociale dieren. Daarom wordt geëist dat tenminste twee en ten
hoogste twintig honden bij elkaar in één binnen- of buiten- verblijfworden
gehuisvest. Uitzondering op deze eis is de situatie waarbij het voor de
gezondheid of het welzijn van de hond beter is om het dier soli-tair te
huisvesten. Vanzelfsprekend is de voorwaar-de dat iedere hond in het binnen-
of buitenverblijf direct en voortdurend toegang heeft tot een schone
drinkgelegenheid waar vers drinkwater voorradig is. In het besluit zijn de
nodige maten te vinden van de verblijven: Een binnen- of buitenverblijf
heeft een hoogte van tenminste 1,8 meter; De voor de honden beschikbare
vloeroppervlakte in vierkante meters in het binnen- of buitenverblijf is
voor honden met een schofthoogte: a. tot 0,3 meter, tenminste gelijk aan het
product van (1+n) en 1,0; b. vanaf 0,3 meter tot 0, 5 meter, tenminste
gelijk aan het product van (1+n) en 1,2; c. vanaf 0,5 meter, tenminste
gelijk aan het pro-duct van (1+n) en 1,5, d. waarbij de kortste zijde
tenminste 1,0 meter is, voorzover het de honden als bedoeld in onderdeel a
betreft, en tenminste 1,2 meter voorzover het de honden als bedoeld in de
onderdelen b en c betreft en waarbij de letter n staat voor het aantal
honden met de desbetreffende schofthoogte dat bij elkaar in het binnen- of
buitenverblijf is gehuisvest. Als honden van verschillende grootte bij
elkaar wor-den gehuisvest, wordt voor de berekening van de beschikbare
vloeroppervlakte de schofthoogte van de grootste hond gehanteerd. De
hierboven, aan de hand van het aantal en de grootte van de honden te
berekenen omvang van het vloeroppervlak geldt ook voor een aan
elkaargekoppeld binnen- en buitenverblijf als er voor de honden een open
verbinding is tussen het binnen- en buitengedeelte van het verblijf en de
beschikbare vloeroppervlakte in het binnengedeelte van het verblijf
tenminste 2,25 m2 is, alsmede voor het bepalen van de oppervlakte van de
speelweide. Bij de berekening van de vloeroppervlakte die voor de honden
minimaal beschikbaar moet zijn, worden de niet gespeende honden die zich bij
hun moeder bevinden niet meegerekend. Als honden om gezondheids- of
welzijnsredenen solitair gehuisvest moeten worden, dan geldt dat de
beschikbare ruimte als volgt berekend moet worden: a. Voor een hond met een
schofthoogte tot 0,3 me-ter tenminste 2 m2 aan vloeroppervlakte, waarbij de
kortste zijde tenminste 1 meter en de hoogte van het binnen- of
buitenverblijf tenminste 1,8 meter is; b. met een schofthoogte vanaf 0,3
meter tot 0,5 meter tenminste 2,4 m2 aan vloeroppervlakte, waarbij de
kortste zijde tenminste 1,2 meter en de hoogte van het binnen- of
buitenverblijf tenminste 1,8 meter is; c. met een schofthoogte vanaf 0,5
meter tenminste 3 m2 aan vloer-oppervlakte, waarbij de kortste zijde
tenminste 1,2 meter en de hoogte van het binnen of buitenverblijf tenminste
1,8 meter is. Als aanvullende eis voor fokdieren geldt, dat iedere drachtige
of zogende teef in het binnenverblijf de beschikking moet hebben over een
eigen nestruimte. De kortste zijde van deze nestruimte heeft minimaal een
lengte van twee maal de schofthoogte van de hond waarvoor de nestruimte
bestemd is.