Het nieuwe Honden & Katten Besluit
Staatsblad 1 Januari 1999

Een nieuw Honden- en Kattenbesluit

Door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland werd op 1 mei 1997 een richtlijn vastgesteld, die gehanteerd wordt bij de beoordeling van de aanvraag om een kennelnaam. De richtlijn is met ingang van 1 juni 1997 van toepassing op een ieder die in het bezit is van een kennelnaam van de Raad van Beheer dan wel hiertoe een aanvraag doet. Bij de in de richtlijn opgenomen eisen staat voorop, dat het welzijn en de gezondheid van de hond(en) niet mag worden geschaad. Voldoet men niet aan een of meerdere onderdelen van de richtlijn, dan kan de Raad tot onthouding van het recht tot het voeren van een kennelnaam besluiten.
In januari 1999 verscheen in het Staatsblad de tekst van het nieuwe Honden- en Kattenbesluit. Ook daarin zijn eisen opgenomen die de overheid stelt aan hen die bedrijfsmatig honden (en/of katten) fokken. Het Honden- en Kattenbesluit gaat verder dan de richtlijn van de Raad van Beheer. Het besluit is van toepassing op dierenspeciaalzaken, tussenhandelaren, kennels, fokkers, pensions en asiels. Per jaar worden, volgens de toelichting, circa 30.000 honden gehouden door ondernemers en instellingen die onder het besluit vallen. Het grootste deel van deze dieren wordt verhandeld door kennels en fokkers. Wij zullen bij de bespreking van dit nieuwe besluit hier en daar ook een uitstapje naar onze zuiderburen maken. In België werd de met ons Honden- en Kattenbesluit vergelijkbare regeling op 17 februari 1997 in het (Belgisch) Staatsblad geplaatst, onder de veelzeggende benaming 'Koninklijk Besluit houdende erkenningsvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren.' Net zoals bij ons het geval is steunt ook dit Belgische besluit op een wet en wel de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren. Interessant is het wanneer de verschillende eisen die gesteld worden op een rij worden gezet, zodat voor de fokker duidelijk wordt welk regime op hem (of haar) van toepassing is en waaraan men zich moet houden.
Incidenteel fokken Voor goed begrip, de richtlijn van de Raad van Beheer is alleen van toepassing indien er sprake is van het fokken onder een kennelnaam, waarbij het recht tot het voeren van die kennelnaam door de Raad is verleend. Met andere woorden, op fokkers die zonder kennelnaam fokken is de richtlijn van de Raad sowieso niet van toepassing. Fokt men rashonden onder een kennelnaam, dan wordt onderscheid gemaakt tussen fokkers die incidenteel fokken en fokkers die meer dan incidenteel een nestje fokken. Onder incidenteel fokken wordt dan verstaan: het fokken van maximaal één nest per jaar. Fokt men meer dan één nestje per jaar onder een geregistreerde kennelnaam, dan valt men dus onder de zwaardere criteria van de richtlijn van de Raad van Beheer. Daarmee is echter nog niet gezegd dat men ook 'bedrijfsmatig' in de zin van het Honden- en Kattenbesluit fokt, zodat ook die regels van toepassing zijn.
Bedrijfsmatig fokken In de wet en het Honden- en Kattenbesluit wordt de grens tussen bedrijfsmatig fokken en fokken als hobby niet genoemd. De toelichting zegt daarover: "Het begrip 'bedrijfsmatig' staat voor het 'in zekere omvang' en 'anders dan incidenteel' uitoefenen van activiteiten, ook indien dat geschiedt zonder winstoogmerk." Dat 'anders dan incidenteel' is een nieuw begrip, want vroeger werd uitgegaan van het begrip 'met een zekere regelmaat'. Wat hiervan ook zij, ook als het fokken van rashonden plaatsvindt uit liefhebberij en er dus geen stuiver 'winst' wordt gerealiseerd, vallen deze activiteiten toch onder de werking van dit besluit, mits voldaan wordt aan de eis van 'een zekere omvang' en 'anders dan incidenteel'. Het 'oude' Honden- en Kattenbesluit uit 1981 werd uitgevoerd door de gemeentebesturen, die een beslissing moesten nemen over de vraag of al dan niet vergunning zou worden verleend. Prima natuurlijk, besluitvorming zo dicht mogelijk bij de burger, maar daardoor tevens een bron van rechtsongelijkheid. Immers, in de ene gemeente vond het gemeentebestuur de aanwezigheid van drie fokteven en het fokken van drie nesten per jaar al 'bedrijfsmatig', terwijl in de buurgemeente een fokker met vijf nesten en 22 pups per jaar nog altijd niet 'bedrijfsmatig' bezig zou zijn. Aan deze rechtsongelijkheid is nu een einde gekomen, want het nieuwe Honden- en Kattenbesluit wordt niet langer door de gemeenten, maar door de centrale overheid uitgevoerd en dat is voor de rechtszekerheid zonder meer een pré. Een ander verschil is dat de vergunningsplicht verdwenen is in het nieuwe besluit. Er wordt nu uitgegaan van een verplichting om de 'inrichting' bij de minister aan te melden. In het nieuwe besluit wordt geen getalsmatige scheidslijn aangegeven tussen bedrijfsmatige activiteiten en niet-bedrijfsmatige activiteiten. Daarvoor is gekozen, omdat "concretisering van het begrip bedrijfsmatig bij opsporing van illegale activiteiten de opsporingsambtenaren zou belasten met een extra bewijslast en betrokkenen een extra handvat bieden om de onderhavige regelgeving te ontduiken; bijvoorbeeld door het - kunstmatig - opsplitsen van activiteiten over verschillende locaties ", aldus de toelichting. Als jurist gaan mijn haren bij een dergelijke motivering echt overeind staan, want dit is natuurlijk een redenering die eerder in een politiestaat past, dan binnen een samenleving, waarbij de overheid op democratische grondslag functioneert. Hoezo de opsporingsambtenaren belasten met een ‘extra' bewijslast? Een activiteit is toch pas illegaal als bij het uitvoeren van zo'n activiteit geldende normen overtreden worden. En een eerste vereiste is dan toch dat die normen volstrekt helder zijn en niet in vaagheid blijven gehuld? Een andere 'gruwel' van het nieuwe besluit is de zogeheten omgekeerde bewijslast. Niet de overheid moet aantonen dat betrokkene bedrijfsmatig handelt, maar "betrokkene zal aannemelijk dienen te maken dat niet bedrijfsmatig wordt gehandeld (artikel 2, tweede lid). "Dit is zo ongeveer hetzelfde als dat u voor de politierechter moet verschijnen om te bewijzen dat u vorige maand niet te hard gereden hebt. Toch is het niet allemaal kommer en kwel als het gaat om dit nieuwe besluit, want men heeft wel ingezien dat de sector zeker behoefte heeft aan een richtsnoer, dat in beginsel aangeeft wanneer er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten in de zin van dit besluit. Dit is met name van belang voor degenen die uitsluitend uit liefhebberij, bijvoorbeeld ter verbetering van het ras, honden fokken en daarbij niet bedrijfsmatig willen handelen. In de toelichting op het besluit staat dan ook, als richtsnoer dat pas sprake is van bedrijfsmatige activiteiten, "indien per aaneengesloten periode van twaalf maanden in totaal meer dan twintig honden (of katten) worden verkocht, afgeleverd of in bewaring worden genomen." Bij een dergelijke hoeveelheid dieren is volgens de minister het onaannemelijk dat het een incidentele activiteit betreft. Voorzover het rashonden betreft zal dit -afhankelijk ras en de daarmee samenhangende nestgrootte - neerkomen op het fokken van circa vier nesten (met elk circa vijf pups) binnen twaalf maanden.
Opmerkelijk is, juist met de recente incidenten ten aanzien van agressieve honden nog vers in het geheugen, dat de minister er van afgezien heeft om iets te regelen met betrekking tot de socialisatie van honden. Als argument daarvoor brengt de minister naar voren dat uit een inventarisatie van zijn ministerie zou zijn gebleken dat "geen eenduidige criteria voorhanden zouden zijn op grond waarvan voorschriften voor socialisatie kunnen worden gesteld." Een weinig steekhoudend argument. Als wij bijvoorbeeld kijken naar het Belgische besluit, dan wordt niet alleen de eis gesteld dat er voldoende bekwaam personeel aanwezig is, maar ook een heel duidelijke relatie gelegd tussen het aantal aanwezige fokdieren en het aantal personeelsleden dat ter beschikking en aanwezig moet zijn. Dat personeel moet de honden dan "behandelen zonder brutaliteit en met bekwaamheid" en de minister kan in België nadere voorwaarden stellen, wat het aantal en de opleiding van dit personeel betreft. Nu weet ik wel, de aanwezigheid van personeel is op zich geen waterdichte garantie dat de pups ook daadwerkelijk gesocialiseerd zullen worden, maar de kans is in elk geval groter dat de dieren voldoende aandacht zullen krijgen.
Het nieuwe besluit bevat meer concrete huisvestingsvoorschriften dan ingevolge het Honden-en Kattenbesluit 1981 golden. Deze concretisering betreft voornamelijk het vastleggen van de minimumoppervlakte die de honden en katten bij huisvesting moet worden geboden. Geconcludeerd mag dan ook worden, dat het Honden- en Kattenbesluit beter als naam het 'Hondenhokkenbesluit' had kunnen krijgen. Veel meer dan minimumeisen op het punt van de huisvesting wordt er namelijk niet geregeld.
Indeling Wij hebben - hoera - een weliswaar in de toelichting opgenomen aanknopingspunt voor de scheidslijn tussen fokken uit liefhebberij en bedrijfsmatig fokken en kunnen op grond daarvan de volgende indeling maken: A. Het fokken zonder kennelnaam, waarbij minder dan vier nesten, c.q. twintig pups per jaar worden verkocht; er zijn dan geen specifieke eisen, noch van de kant van de Raad van Beheer, noch op voet van het Honden- en Kattenbesluit. Worden er zonder kennelnaam meer dan vier nesten c.q. twintig pups per jaar gefokt, dan zijn de eisen van het Honden-en Kattenbesluit van toepassing. B. Het fokken onder een geregistreerde kennelnaam van maximaal één nest per jaar; alleen de basiseisen van de Raad van Beheer zijn van toepassing. C. Het fokken onder een geregistreerde kennelnaam van meer dan één nest, doch minder dan vier nesten c.q. twintig pups per jaar; de zwaardere eisen van de Raad van Beheer zijn van toepassing, doch niet de eisen uit het Honden- en Kattenbesluit. D. Het fokken onder een geregistreerde kennelnaam van meer dan vier nesten c.q. twintig pups per jaar: zowel de zwaardere eisen van de Raad van Beheer zijn van toepassing, alsook de eisen uit het Honden- en Kattenbesluit. U fokt 'bedrijfsmatig' en ook in de richting van koopovereenkomsten, die u sluit met de pupkopers, zullen naar verwachting de regels van de zogeheten 'consumentenverkoop' op u als fokker van toepassing zijn.
Gevolgen in de situatie als geschetst onder A. zit u goed; er zijn geen dwingend opgelegde specifieke regels waaraan u zich dient te houden, anders dan de algemene normen die vanzelfsprekend in acht genomen moeten worden bij het houden en fokken van honden.
Fokt u met kennelnaam, maximaal één nestje per jaar, zoals beschreven onder B, dan geldt dat u door de kennelcontroleurs van de Raad van Beheer getoetst zult worden op de volgende punten: · de conditie van de aanwezige honden; · alle aanwezige honden dienen in het bezit te zijn van een erkende stamboom; er dienen voldoende mogelijkheden aanwezig te zijn om loopse teven te scheiden van de reuen. · de nestomgeving moet voldoen aan de minimale criteria; · er moeten voldoende maatregelen zijn genomen om zorg te dragen voor een goede socialisatie van de pups. · de moederhond moet voldoende ruimte hebben om zich in de kraamkamer te verplaatsen, haar behoefte buiten het nest te doen en mogelijkheid hebben tot een ligplaats buiten bereik van de pups. · de fokker/houder van een kennelnaam moet op de hoogte zijn van de noodzakelijke administratieve handelingen.
In situatie C. - fokken onder een kennelnaam van meer dan één nest doch minder dan vier nesten c.q. twintig pups per jaar - valt u onder de zwaardere regels van de Raad van Beheer, doch (nog) niet onder het Honden-en Kattenbesluit. U zult door de kennelcontroleurs van de Raad worden getoetst op dezelfde punten als hiervoor genoemd, plus daarenboven: als de honden anders dan in huiselijke kring worden gehouden, dan moeten de verblijven van de honden, zowel binnen als buiten, voldoen aan de minimale technische criteria, zoals daar zijn:
Binnen: Max. drie ondoorzichtige wanden; grondoppervlakte bij honden tot 50 cm schofthoog-te: 2,4 M2 grondoppervlakte bij honden vanaf 50 cm schoft-hoogte: 3 m2 ; kortste zijde minimaal 1,2 M2 lang; meer honden in één hok: (n+l) x 1,2 M2 bij een schofthoogte tot 50 cm; daarboven is het (n+l) x 1,5 M2 ; hoogte minimaal 1,8 m; ligplaats per hond van schofthoogte tot 50 cm: 0,6 x 0,8 m; ligplaats per hond van schofthoogte 50 cm en meer: 0,8 x 1,0 m; ligplaats vrijstaand van de grond en tochtvrij; onomstootbare drinkbak of drinknippel met onbe-perkt water; niet-vocht absorberende wanden, vloeren en lig-plaats; goed te reinigen materialen; gesloten vloeren en ligplaats; niet-gladde vloer; daglicht verplicht, verdeeld over de ruimte, geen schemerlicht (minimaal 1/10 van vloeroppervlak); vorstvrij, tochtvrij en droog; bij een buitentemperatuur van meer dan 30o C mag de binnentemperatuur de buitentemperatuur niet overschrijden; grondoppervlakte bij pups van ouderdieren tot 50 cm schofthoogte minimaal 2,4 M2; grondoppervlakte bij pups van ouderdieren vanaf 50 cm schofthoogte minimaal 3 M2; warmte-isolerende vloer; hokken met kraamkamer van minimaal 1 M2 voor zogende teven en in verhouding met de grootte van de teef, de temperatuur van de kraamkamer moet mini-maal 20o C zijn;
Buiten: Oppervlakte minimaal 3 M2 per dier; hoogte minimaal 2 m; kortste zijde minimaal 1,2 m lang; meer honden in een verblijf. (n+ 1) x l ,5 M2; tenminste de helft van het hok is overdekt met een waterdicht dak, tenzij de binnen- en buitenverblijven met elkaar verbonden zijn door middel van een permanente doorgang; niet omstootbare drinkbak of drinknippel met onbeperkt water; niet-vocht absorberende wanden; niet-gladde vloer; de aanwezige honden moeten voldoende uitloopmogelijkheden hebben; de nestomgeving moet goed gesitueerd zijn; de fokker moet òf al minimaal tien jaar onder een kennelnaam fokken, òf in het bezit zijn van het KKI-diploma of een daarmee gelijk te stellen diploma.
Tot slot de situatie beschreven onder D. Naast de eisen van de kant van de Raad van Beheer, zoals hiervoor vermeld, krijgt u ook te maken met het Honden- en Kattenbesluit als u onder een kennelnaam meer dan vier nesten c.q. 20 pups per jaar fokt. Wat wordt dan verder nog van u als bedrijfsmatige fokker geëist? Om te beginnen bevat artikel 2 van het besluit het verbod om op bedrijfsmatige wijze honden (of katten) te verkopen, ten verkoop in voorraad te hebben, af te leveren of in bewaring te nemen, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van de nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan de eisen die in het besluit zijn opgenomen. Is het besluit op u van toepassing dan heeft u volgens het besluit een "bedrijfsinrichting" waarmee wordt bedoeld "een perceelsgebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het houden van honden (of katten) ten behoeve van fokdoeleinden of voor het houden van honden (of katten) ten behoeve van verkoop of aflevering." U moet dan uw inrichting "aanmelden" bij de minister. Verder wordt geëist dat er op deze bedrijfsinrichting een vakbekwame beheerder - zie hieronder - werkzaam is.
Vakbekwaamheid Zoals gezegd moet de beheerder van de bedrijfsmatig werkende kennel beschikken over een door de minister erkend bewijs van vakbekwaamheid en dit betekent dat hij het examen van de Stichting Examens Vakbekwaamheid Honden- en Kattenbesluit met goed gevolg moet hebben afgelegd. Beheerder en eigenaar van de kennel behoeven niet dezelfde persoon te zijn. Wat nu als zo'n beheerder met zijn diploma onder zijn arm vertrekt? In het besluit is hiermee rekening gehouden. Als de beheerder om welke reden dan ook de kennel verlaat, dan is het voor een periode van één jaar toegestaan dat er bij de kennel geen beheerder werkzaam is. Dit moet dan wel binnen vier weken nadat de beheerder vertrokken is aan de minister worden gemeld, door degene die verantwoordelijk is voor de activiteiten van de hondenkennel. Een beheerderleigenaar van een kennel kan ook komen te overlijden. Als zijn of haar erfgenaam besluit om de kennel voort te zetten, dan geldt dezelfde regeling als bij vertrek van de beheerder, maar dan voor een periode van drie jaar. De erfgenaam kan dan binnen deze periode zelf zijn of haar examen afleggen. De verstrekking van deze vakbewaamheidsbewijzen was op grond van het vorige Honden- en Kattenbesluit exclusief opgedragen aan de speciaal voor dat doel opgerichte Stichting Examens Vakbekwaamheid Honden- en Kattenbesluit (SEV). Ofschoon ook onder het nieuwe besluit de examens van de SEV erkend worden, zal dit exclusieve karakter wel worden beëindigd. Als op termijn passende onderwijsprogramma's door andere instellingen worden ontwikkeld, kan worden bezien of deze ook in aanmerking kunnen komen voor erkenning. Gezien de overlapping die er is met de eisen die de Raad van Beheer stelt aan fokkers die anders dan incidenteel onder een kennelnaam fokken, zou het interessant zijn te onderzoeken of het (eventueel hiervoor uit te breiden) KKI-diploma in dit verband ook voor het Honden- en Kattenbesluit voor erkenning in aanmerking kan komen.
Huisvesting en verzorging Het 'Hondenhokkenbesluit' doet verder deze naam eer aan door zich bij het bedrijfsmatig fokken en verhandelen van honden volledig op de huisvestings- en verzorgingseisen te richten. Maar liefst tien artikelen in het besluit zijn hieraan gewijd, want als de overheid wat regelt, dan moet dat natuurlijk ook tot in de puntjes worden geregeld. Het besluit spreekt zoals gezegd over (bedrijfs)inrichtingen - waarmee onder andere de bedrijfsmatig werkende hondenkennel en het pension worden bedoeld - en over asiels, waaraan extra eisen worden gesteld, bijvoorbeeld als het gaat om mogelijkheden om honden in quarantaine te houden. Wij beperken ons hier tot de (honden)kennels.
De hondenkennel moet over binnenverblijven be-schikken en over één of meerdere buitenverblijven of een speelweide. Een hond moet in de gelegen-heid worden gesteld om tenminste twee uur per dag in een buitenverblijf of op een speelweide tevertoeven. De kennel moet dagelijks gereinigd en regelmatig en deugdelijk ontsmet worden. In de ruimten waar de honden zijn ondergebracht, mo-gen uiteraard geen kadavers bewaard worden. Voor zowel de binnen- als buitenverblijven worden de volgende eisen gesteld: A. De vloer, de wanden, de hekken of de afrasterin-gen zijn vervaardigd van zodanige materialen dat de honden zich er niet aan kunnen verwonden en zich er niet door kunnen vergiftigen; B. De vloer is van vloeistofdicht en stroef materiaal; C. Het heeft rechtopstaande wanden, waarvan ten-minste één zodanig is geconstrueerd dat de hon-den buiten het verblijf kunnen kijken, en het kan worden afgesloten; Bovendien: iedere hond heeft in een binnen- of bui-tenverblijf de beschikking over een schone en dro-ge ligplaats die vanuit de bodem van het verblijf optrekkende kou isoleert. Daarnaast moeten de binnenverblijven aan de vol-gende voorwaarden voldoen: a. Het verblijf is vorstvrij, tochtvrij alsmede droog; b. Het verblijf kan op afdoende wijze worden ge-ventileerd; c. Het verblijf kan door middel van een elektrische lichtinstallatie worden verlicht; d. Het verblijf is gedurende de periode dat daglicht beschikbaar is voldoende verlicht door middel van daglicht, en de temperatuur in het verblijf bedraagt ten hoogste 30 graden Celsius. Als het buitenverblijf niet in een open verbinding staat met het binnenverblijf(en de honden zich dus niet zonder meer kunnen terugtrekken in het binnenverblijf dan geldt als aanvullende eis dat het buitenverblijf gedeeltelijk overdekt moet zijn met een overkapping, die afdoende schuilmogelijk-heid tegen neerslag en voldoende schaduw biedt. Als er een speelweide is, dan maakt deze deel uit van de kennel. De omheining moet van zodanig materiaal zijn dat de honden zich er niet aan kun-nen verwonden en zich er niet door kunnen vergif-tigen, en zij kan worden afgesloten. De kennel moet over één of meer ziekenboegen be-schikken waarin één of meer binnenverblijven zijn aangebracht, die in totaal tenminste ruimte kun-nen bieden aan een tiende van het aantal honden dat is gehuisvest. Een ziekenboeg moet, ter voorko-ming van besmetting, kunnen worden afgeschei-den van de andere binnenverblijven. De fokker die niet-bedrijfsmatig in huiselijke kring af en toe een nestje rashonden fokt, kan naast zijn of haar honden ook een of meerdere katten heb-ben. Daar is niets op tegen (in tegendeel, het is een prima zaak wanneer de pup aan katten went). Voor de bedrijfsmatig werkende fokker geldt echter de bepaling dat honden en katten niet bij elkaar in één binnen- of buitenverblijf mogen worden ge-huisvest. Honden zijn sociale dieren. Daarom wordt geëist dat tenminste twee en ten hoogste twintig honden bij elkaar in één binnen- of buiten- verblijfworden gehuisvest. Uitzondering op deze eis is de situatie waarbij het voor de gezondheid of het welzijn van de hond beter is om het dier soli-tair te huisvesten. Vanzelfsprekend is de voorwaar-de dat iedere hond in het binnen- of buitenverblijf direct en voortdurend toegang heeft tot een schone drinkgelegenheid waar vers drinkwater voorradig is. In het besluit zijn de nodige maten te vinden van de verblijven: Een binnen- of buitenverblijf heeft een hoogte van tenminste 1,8 meter; De voor de honden beschikbare vloeroppervlakte in vierkante meters in het binnen- of buitenverblijf is voor honden met een schofthoogte: a. tot 0,3 meter, tenminste gelijk aan het product van (1+n) en 1,0; b. vanaf 0,3 meter tot 0, 5 meter, tenminste gelijk aan het product van (1+n) en 1,2; c. vanaf 0,5 meter, tenminste gelijk aan het pro-duct van (1+n) en 1,5, d. waarbij de kortste zijde tenminste 1,0 meter is, voorzover het de honden als bedoeld in onderdeel a betreft, en tenminste 1,2 meter voorzover het de honden als bedoeld in de onderdelen b en c betreft en waarbij de letter n staat voor het aantal honden met de desbetreffende schofthoogte dat bij elkaar in het binnen- of buitenverblijf is gehuisvest. Als honden van verschillende grootte bij elkaar wor-den gehuisvest, wordt voor de berekening van de beschikbare vloeroppervlakte de schofthoogte van de grootste hond gehanteerd. De hierboven, aan de hand van het aantal en de grootte van de honden te berekenen omvang van het vloeroppervlak geldt ook voor een aan elkaargekoppeld binnen- en buitenverblijf als er voor de honden een open verbinding is tussen het binnen- en buitengedeelte van het verblijf en de beschikbare vloeroppervlakte in het binnengedeelte van het verblijf tenminste 2,25 m2 is, alsmede voor het bepalen van de oppervlakte van de speelweide. Bij de berekening van de vloeroppervlakte die voor de honden minimaal beschikbaar moet zijn, worden de niet gespeende honden die zich bij hun moeder bevinden niet meegerekend. Als honden om gezondheids- of welzijnsredenen solitair gehuisvest moeten worden, dan geldt dat de beschikbare ruimte als volgt berekend moet worden: a. Voor een hond met een schofthoogte tot 0,3 me-ter tenminste 2 m2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is; b. met een schofthoogte vanaf 0,3 meter tot 0,5 meter tenminste 2,4 m2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1,2 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is; c. met een schofthoogte vanaf 0,5 meter tenminste 3 m2 aan vloer-oppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1,2 meter en de hoogte van het binnen of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is. Als aanvullende eis voor fokdieren geldt, dat iedere drachtige of zogende teef in het binnenverblijf de beschikking moet hebben over een eigen nestruimte. De kortste zijde van deze nestruimte heeft minimaal een lengte van twee maal de schofthoogte van de hond waarvoor de nestruimte bestemd is.
Eisen aan fokken Paragraaf 5 van het besluit gaat over het 'fokken'. Jawel, een heuse paragraaf voor een enkel artikel, waarin geregeld wordt dat een hond binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste één nest mag hebben. De bonafide fokker hield zich daar natuurlijk al lang aan. In België heeft men dit als volgt geregeld: "Het is in deze kwekerijen, verboden honden of katten meer dan twee maal per jaar te laten werpen." Dat deze bepaling op uw lachspieren werkt, kan ik mij best voorstellen, gezien het feit dat de meeste honden slechts twee maal per jaar loops worden. Maar wat te denken van de volgende bepalingen, die in het Belgische besluit zijn opgenomen: Het fokken met dieren die één van de erfelijke aandoeningen vertonen, waarvan de lijst door de minister bepaald is, is er verboden; "Het fokken door het kruisen van verschillende rassen is verboden behoudens uitzonderingen die schriftelijk toegestaan werden door de minister op advies van de Raad voor Dierenwelzijn en op voorstel van de maatschappijen ter verbetering van de honden- en kattenrassen." Een duidelijk voorbeeld van het feit dat de Belgische regeling breder van opzet is, dan ons Hondenen Kattenbesluit.
Identificatie De pups moeten binnen zeven weken na de geboorte, doch in ieder geval voor de aflevering, worden voorzien van een uniek identificatienummer. Dat kan volgens het besluit zijn een tatoeage op de binnenkant van het oor, of een transponder (chip) in het midden van de linkerzij kant van de hals of dorsaal tussen de schouderbladen. Zoals bekend geldt voor rashonden waarvoor een stamboom is aangevraagd dat de Raad van Beheer deze honden voorziet van een chip. De fokker kan echter verzoeken om de hond ook te voorzien van een tatoeage, bijvoorbeeld als de pup geëxporteerd zal worden naar een land waar men (nog) niet werkt met deze vorm van elektronische identificatie.
Inenting De pups moeten binnen zeven weken na de geboorte, doch in ieder geval zeven dagen vóór aflevering, worden ingeënt tegen parvovirusinfectie en hondenziekte (ziekte van Carré). In België wordt daarnaast onder andere een inenting tegen hepatitis contagiosa canis vereist. Een door een dierenarts opgemaakt en afgegeven schriftelijk bewijs van inenting moet gedurende de periode dat desbetreffende pups in de kennelverblijven worden bewaard; op dit bewijs worden tevens het registratienummer van de kennel en het identificatienummer van de hond vermeld. Met dit bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een dierenpaspoort dat ingevolge het Honden- en Kattenbesluit 1981 voor desbetreffende hond is afgegeven. In het nieuwe besluit is echter dit van overheids-wege af te geven Nederlands dierenpaspoort afgeschaft. Dit is opmerkelijk in het licht van de ontwikkelingen in Europa en in het bijzonder het Verenigd Koninkrijk. In Engeland heeft de minister van Landbouw immers aangekondigd dat mogelijk vanaf volgend jaar de regelgeving omtrent de invoer van huisdieren wordt versoepeld. In plaats van de veel bekritiseerde quarantaine wordt gedacht aan een systeem waarbij honden uit rabiës-vrije Europese landen mits zij onder andere geïdentificeerd zijn en beschikken over een officieel dierenpaspoort waaruit blijkt dat zij tegen rabiës ingeënt zijn direct het land in mogen. Wat hiervan ook zij, het is zeker interessant om na te gaan of het door de Raad van Beheer uit te geven rashondenlogboek, waarin ook de entingen opgetekend kunnen worden door de dierenarts, hierbij een functie kan vervullen. Opvallend is dat de rol van de dierenarts in het Honden- en Kattenbesluit beperkt is gebleven tot de voorschreven inentingen. Het Belgische besluit gaat op dit punt verder. Dwingend wordt voorgeschreven dat: "De verantwoordelijke een contract aan moet gaan met een erkende dierenarts waarin deze belast wordt met het regelmatig toezicht op het welzijn, de gezondheid, de verzorging en de huisvesting van de dieren. Indien de verantwoordelijke geen gevolg geeft aan de opmerkingen en het advies van de erkende dierenarts, dient deze laatste de Dienst hiervan schriftelijk op de hoogte te brengen."
Verkoop en aflevering Het besluit wijdt zo waar een hele paragraaf aan de verkoop en aflevering. Net zoals bij de in het besluit opgenomen regel(s) met betrekking tot het fokken, gaat het hier maar om een enkele inhoudelijke bepaling, te weten: bij de aflevering van de hond moet aan de koper het bedoelde bewijs van inenting worden verstrekt. Daarnaast bevat deze paragraaf een flink aantal administratieve regels, die de kennelhouder in acht moet nemen, zoals de melding van de geïdentificeerde honden, de ingeënte honden, de verkochte honden, de geboren honden en de overleden honden. Deze gegevens slaat de minister op in een centraal register. De entingsgevens van de hond moeten tot drie jaar na verkoop en als gevolg daarvan vertrek uit de kennel bewaard blijven. Kijken wij weer naar de wijze waarop deze materie in België geregeld is, dan valt opnieuw op dat men daar toch wel wat verder is gegaan. Zo wordt bijvoorbeeld bepaald dat geen honden verkocht mogen worden als zij duidelijke ziektesymptomen hebben. Het lijkt een open deur maar toch kan het geen kwaad om - zoals dat in België is gebeurd - te bepalen dat de verkoper "geen valse informatie mag verstrekken over onder meer de leeftijd of benaming van de te koop aangeboden dieren, noch mag hij bedrieglijke publiciteit voeren om de verkoop van een dier te bevorderen." Denk bijvoorbeeld maar eens aan de advertenties onder meer in zaterdagedities van de landelijke dagbladen, waarin pups worden aangeprezen onder vermelding van de meest merkwaardige kwalificaties en uitslagen van de ouderdieren. Ook is in België voorgeschreven dat de verkoper aan de koper-particulier de nodige richtlijnen mee moet geven met betrekking tot voeding, huisvesting en verzorging van het dier. Aan de koper moet op zijn verzoek een gedateerd overdrachtsbewijs overhandigd worden. Net zoals in ons land is het in België verboden om honden te verhandelen die jonger dan zeven weken zijn. Maar dat verbod geldt ook voor honden: · die niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften werden geïdentificeerd: · zonder overeenstemmend wettelijk voorgeschreven identificatiedocument; · die een niet toegelaten ingreep hebben ondergaan, behalve wanneer die ingreep verricht is voor het van kracht worden van het verbod. In België moet de verkoper bij de verkoop van een hond een waarborg geven over de gezondheid en het welzijn van het dier. Daartoe is hij verplicht om koper een garantiebewijs te overhandigen, dat waarborgen biedt tegen volgende besmettelijke ziekten, indien vastgesteld binnen tien dagen na verkoop: hondenziekte (ziekte van Carré); hepatitits contagiosa canis; -parvovirose; -panleucopenie. Dit garantiebewij s moet tevens vermelden de identificatiegegevens van het dier, naam en het adres en de handtekening van koper en verkoper, datum van de verkoop en de wijze waarop voornoemde ziekten aangetoond moeten worden. Als met succes een beroep op de garantie wordt gedaan, dan moet de verkoper aan de koper de keuze laten tussen de terugbetaling van de verkoopprijs of vervanging van de hond.
Inwerkingtreding Het besluit zoals dat in januari 1999 in het Staatsblad is terechtgekomen, bevat geen datum van inwerkingtreding. Dat komt omdat de minister gekozen heeft voor een procedure waarbij hij de bal als het ware bij de Eerste- en Tweede Kamer heeft gelegd. Enige uitleg is op zijn plaats. Het nieuwe Honden- en Kattenbesluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dat koninklijk besluit zal niet eerder worden genomen dan nadat er dertig dagen zijn verstreken na de toezending van het Honden- en Kattenbesluit aan de beide kamers der Staten-Generaal. Gedurende deze termijn van dertig dagen kan de Eerste en/of de Tweede Kamer de wens te kennen geven om de inwerkingtreding van het Honden- en Kattenbesluit niet bij koninklijk besluit maar bij wet te regelen. Als dat zou gebeuren dan betekent dit, dat niet alleen de inwerkingtreding sec, maar ook de inhoud van het Honden- en Kattenbesluit natuurlijk onderwerp van verdere discussie in het Parlement zal zijn. Er zou dan dus nog van alles kunnen gaan veranderen. Wij verwachten overigens niet dat de Kamer(s) van deze mogelijkheid gebruik zullen gaan maken. Uit informatie van het ministerie blijkt dat men aankoerst op de inwerkingtreding van het besluit per 1 januari 2000.
Overgangstermijn Met betrekking tot de nieuwe huisvestingsvoorschriften geldt een overgangstermijn van tien of drie jaar vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe besluit. De overgangstermijn is tien jaar voor kennels die voor de inwerkingtreding van het nieuwe besluit beschikten over een geldige vergunning op grond van het oude Honden- en Kattenbesluit 1981. De kennelhouder heeft dan dus tien jaar de tijd om de binnen- en buitenverblijven van zijn kennel aan te passen aan de verscherpte eisen van het nieuwe besluit. Op zich is dit een prima regeling. Minder positief kan men zijn over de regeling waarbij de kortere overgangstermijn wordt toegepast. De overgangstermijn bedraagt namelijk slechts drie jaar voor kennels die onder het nieuwe besluit vallen, doch niet in het bezit waren van een geldige vergunning op grond van het Honden- en Kattenbesluit 1981. In de toelichting wordt heel stellig beweerd dat deze kennels op het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe besluit illegaal geëxploiteerd zouden worden. Dat is natuurlijk maar de vraag. De minister gaat volledig voorbij aan het feit dat onder het Honden- en Kattenbesluit 1981 de invulling van het begrip 'bedrijfsmatig' door toepassing van de criteria 'bepaalde omvang' en 'zekere regelmaat' op de fokkerij aan de gemeentebesturen was opgedragen. Wij weten dat gemeenten hiermee op volstrekt verschillende manieren mee zijn omgegaan. Wat nu als een ruimdenkend gemeentebestuur van oordeel was, dat een fokker met zijn vijf f fokteefjes en 22 pups per jaar niet-bedrijfsmatig bezig was en dus ook geen vergunning nodig had? Er kan dan toch moeilijk gesteld worden dat zo'n fokker, omdat hij wel onder de nieuwe spelregels valt, 'illegaal' bezig geweest is en daarom gestraft moet worden met een overgangstermijn die slechts drie jaar bedraagt? De minister schat in dat het hier om zo'n zeshonderd inrichtingen gaat, waarvan het merendeel kennels betreft waar honden worden gefokt. Aan degenen die deze hondenkennels (illegaal) exploiteerden wordt volgens de minister met de overgangsregeling een handreiking gegeven "om alsnog en uit zichzelf uit de illegaliteit te treden." Als alternatief reikt de minister aan dat betrokkenen natuurlijk ook de activiteiten zodanig af kunnen bouwen dat er geen sprake meer is van bedrijfsmatige activiteiten. Het gevolg daarvan is dat het besluit niet van toepassing is. Gelet op de lastenverzwaring die dit besluit met zich kan brengen, ligt in de rede dat deze optie uitkomst zal bieden voor degenen die slechts vanuit liefhebberij en zonder winstoogmerk handelen en de inrichting derhalve niet -of niet hoofdzakelijk - ten behoeve van het verkrijgen van inkomsten exploiteren.
Onder de overgangsbepalingen valt ook een regeling ten aanzien van de vakbekwaamheid van de beheerder van de kennel. De verplichting om te beschikken over een beheerder die in het bezit is van een door de minister erkend bewijs van vakbekwaamheid, is gedurende een periode van drie jaar, vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe Honden- en Kattenbesluit, niet van toepassing, als degene onder wiens verantwoordelijkheid de kennel wordt gehouden kan aantonen dat: a. de hondenkennel voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in gebruik is genomen; b. hij als beheerder van de kennel werkzaam is en een opleiding volgt waarbij als het examen met goed gevolg wordt afgelegd een door de minister erkend bewijs van vakbekwaamheid kan worden verkregen, en c. voorzover hij binnen deze periode van drie jaar verantwoordelijk blijft voor de activiteiten (houden, fokken en verkopen van honden) die worden verricht.
Als het moment van inwerkingtreding van het besluit er eenmaal is, (dus naar verwachting 1 januari 2000) dan moeten de bedrijfsmatig werkende hondenkennels/fokkers, die een beroep op de overgangsregeling van tien of drie jaar willen doen, zich binnen twee maanden aanmelden bij de minister. Doen zij dat niet dan geldt met onmiddellijke ingang het besluit in zijn volle omvang en moet dus meteen al aan alle eisen worden voldaan. Dit betekent dat de fokkers die meer dan vier nesten c.q. twintig pups per jaar fokken zich heel goed bewust moeten zijn van de gevolgen van het niet tijdig aanmelden van hun kennel bij de minister.

TEKST: JUR DECKERS BRON: DE HONDENWERELD 8/’99 - PAG. 626 E.V.