Geschiedenis Woordenlijst - adel, baljuw, Bataafse Republiek, drost, hertog, markgraaf, ruwaard

Woordenlijst van de Nederlandse geschiedenis.


Huis van Oranje-Nassau en de Nederlandse geschiedenis


Adel:
Adel is een sociale groep die op grond van militaire prestaties, bijzondere functies of door geboorte een hoge positie bezit met bepaalde voorrechten en is meestal erfelijk. In 1795 werd in Nederland de adel door de Fransen afgeschaft. en in 1814 werd de adel hersteld.


Baljuw:
Zie
Drossaard of Drost.


Baron:
Een baron is een adelijke titel en ligt tussen ridder en burggraaf in. Het was vroeger de hoogste edelen, direct onder de koning.


Bataafse Republiek:
De Bataafse Republiek was de officiŽle naam voor de Republiek der Verenigde Nederlanden na het vertrek van stadhouder Prins Willem V van Oranje-Nassau in 1795 naar Engeland tot aan de benoeming van Lodewijk Napoleon tot koning in 1806. De Bataafse Republiek sloot in 1796 een offensief en defensief verbond met Frankrijk en kwam in feite onder protectoraat van dit land. De Grondwet werd twee keer gewijzigd, in 1798 en 1801. De Bataafse Republiek kende aanvankelijk een uitvoerend bestuur van 5 directeuren, vervolgens een 'Staatsbewind' van 12 personen en tenslotte een eenhoofdig bestuur van Raadspensionaris R.J. Schimmelpenninck.

Borgemeester:
De borgemeester die is niet met onze huidige burgemeester te vergelijken. Voor de periode 1795 was een borgemeester iemand die in persoon garant of borg staat voor het innen van de belastingen binnen de heerlijkheid. Hij was verantwoordelijk voor de gehele financiŽle dorps- heerlijkheidsadministratie.
Borgemeester of schatheffer:
De gemeenten stonden o.a. in voor het onderhoud van wegen, bruggen, waterlopen, brandbeveiliging, enz. Ze haalden hun inkomsten uit een jaarlijkse heffing op de grond; heffing die hier 'schat' genoemd werd. Vandaar schatheffer. Er zijn nog al wat genealogen die met fierheid dat borgemeesterschap van een voorouder vermelden, alhoewel die meestal met tegenzin die functie 'moest' uitvoeren en vaak vele jaren na zijn schatheffers-jaar nog bezig was geld op te halen bij de wanbetalers.
Eťn borgemeester werd aangesteld door de heer, een ander door de gemeentenaren. Duurtijd van de functie: ťťn jaar. Op de jaarvergadering, januari-februari werd de rekening van het voorbije jaar nagezien, de nieuwe borgemeester aangewezen, en de nieuwe schat vastgelegd. De borgemeesters kregen een vergoeding die in de gemeenterekening bij de uitgaven omschreven staat als: "borgemeesters schoengeld is..". Of :" Voor zijn gaan en staan:


Burggraaf:
Een burggraaf is een edelman is maar een graadje lager is dan een graaf.


Dragonders:
Oorspronkelijk de Franse bereden infanterie of de lichte calaverie. De ongunstige bijbetekenis van dit woord gekregen door de Dragonnades, een maatregel van Lodewijk XIV om, van 1681 af, door inkwartiering weerspannige Hugenoten tot het katholicisme te bekeren. Tot 1867 bestond de naam ook in Nederland, daarna werd deze naam veranderd in Huzaren.


Drossaard of Drost:
Dat was oorspronkelijk een tafel dienaar maar later een kasteelbewaarder en was ook een rechtsprekende vertegenwoordiger van de kasteelheer in diens gebied.
P.C. Hooft was drost van Muiden en Elten was tot 1963 een drostambt. Drossaard of Drost werd ook wel baljuw genoemd.


Elect:
Een gekozen, maar nog niet gewijde bisschop.


Geuzen:
Zelfgekozen erenaam die oorspronkelijk als scheld- of spotnaam werd gebruikt.
Geuzen waren een groep van opstandelingen die het tegen de Spanjaarden in Nederland opnam. Deze groep is voortgekomen uit een verbond van Nederlandse lage adel. Zij dienden in 1566 het Smeekschrift der Edelen in bij Landvoogdes Margaretha de Parma. Tijdens deze gelegenheid zou Graaf Charles van Berlaymont (1510-1578) tegen haar hebben gezegd:'Cť ne sont que des gueux', het zijn maar bedelaars. Gueux werd verbasterd tot Geuzen, dit werd hun erenaam.
De bekenste verovering van de Geuzen is die van Den Briel in 1572. De Geuzen waren Calvanisten die niet alleen vochten tegen de (katholieke) Spanjaarden maar ook tegen de Nederlandse rooms-katholieken. De Geuzen fanatieke houding viel slecht bij de Hollandse regenten, deze waren ook bang voor het verlies van hun macht aan "het stelletje ongeregelde Geuzen". Toen Prins Willem van Oranje-Nassau uiteindelijk de kant van de Staten van Holland koos verloren de Geuzen hun invloed.
De Watergeuzen weken uit toen de Spaanse veldheer Alva in Nederland arriveerde. Het waren vloteenheden van vrijbuiters die zich bezig hielden met kaapvaart op de Noordzee. In mei 1568 probeerde Prins Willem van Oranje-Nassau deze nafhankelijke opererende vloten te verenigen tot een oorlogsmarine die zichzelf in stand kon houden en die de Nederlanden vanuit zee kon binnenvallen, dit ter ondersteuning van zijn, en zijn broers Lodewijk en Adolf , invalspogingen aan land. Op 10 juli 1568 versloegen zij onder leiding van Sonoy, Prins Willem's rechterhand, de 'Bourgondische vloot' op de Eems en redde daarmee een deel van Graaf Lodewijk van Nassau's troepen na de Slag bij Jemmingen.
De Watergeuzen hadden hun haven in Emden maar werden daar verjagen door de Graaf van Oost-Friesland en al snel werd het een stelletje ongeregelde vrijbuiters. Prins Willem van Oranje-Nassau verstrekte nu aan verschillende kapiteins commissiebrieven en stelde Dolhain tot hun Admiraal aan in de hoop dat voortaan de buit van hun plundertochten aan hem zou worden afgestaan, dit werd echter een teleur stelling. Dolhain werd vervangen door Lumbres die later vervangen werd door Lumey. Havens aan de Noord-Duitse, later aan de Oost-Engelse kust strekten de watergeuzen tot basis, van waaruit bepaalde groepen landgangen/plundertochten ondernamen. In 1572 werden zij door de Engelse regering verjaagt uit hun havens, wat leidde tot de overwinning op de Spanjaarden op 1 april 1572 in Den Brielle.
Den Brielle is tevens de geboorteplaats van Admiraal Tromp.


Graaf:
Een graaf was oorspronkelijk een landsheerlijk ambtenaar die belast was met de opperste rechtspraak in een landschap en een graaf werd later in de tijd ook zelf landsheer.
In Nederland is graaf het hoogste adellijke predikaat.


Heerlijkheid:
Een bepaald gebied met een overheidsgezag, verbonden aan een persoon, familie of stad. Te onderscheiden in hoge, met rechtspraak in halszaken, en lage Heerlijkheid met rechtspraak in civiele en kleine strafzaken. De schepenbank behandelde de strafzaken.
De eigenaar van een Heerlijkheid had meestal ook de rechten.


Hertog:
Een hertog was bij de germanen de naam van de legeraanvoerde, later een stamhoofd, tegenwoordig een adelijke titel, in rang boven de graaf .


Hoekse en Kabeljauwse twisten:
Dit waren de partijtwisten in de 14e en 15e eeuw. De namen Hoeken en Kabeljauwen ontstonden tijdens de opvolgingsstrijd (1345-1354) tussen Graaf Willem V van Holland en zijn moeder Margaretha en werden gebruikt tot eind 15e eeuw. De namen werden voor het laatst gebruikt in de Jonker-Fransen oorlog (1489-1492), de laatse fase in de Hoekse en Kabeljouwse twisten. Hoewel de betekenis van de woorden soms veranderde kwam het er op neer dat de adel Hoeks was en de meeste steden Kabeljauws waren.


Hoge Vierschaar:
Een hoge jurisdictie.
De Hoge Vierschaar was een gerecht of hof bestaande uit een baljuw en een college van welgeboren mannen. In de tijd dat de graaf zelf nog rechtszittingen presideerde waren dit leenmannen van de graaf, maar later waren dit mannen gerekruteerd uit het respectabele en meestalgegoede deel van de bevolking.
De oorspronkelijke taak was het vertegenwoordigen van de graaf op het gebied van 'justitie en politie'. Ook waren zij bevoegd uitspraken te doen in zowel halszaken (waar lijfstraffen/ doodstraf op stonden) als boetstraffelijke zaken. In civiele zaken was de Hoge Vierschaar een college van hoger beroep. Verder vervulden zij wetgevende en bestuurlijke taken en inden zij bepaalde belastingen.
Vier schaar is een stukje rechtssymboliek (net als het opstaan als de rechtbank binnenkomt, waarmee de vier banken werden bedoeld die de rechtbank omsloten en waarover ongetwijfeld een ban was uitgesproken, dat de rechters met eerbied behandeld moesten worden, niet mochten worden mishandeld etc. Het huidige woord rechtbank refereert er nog aan, hoewel de rechters gewoon stoelzitters zijn. Dit is dus een stukje symboliek.
De hoge vierschaar in delen van Holland, waartoe ook de noordelijke rand van Noord-Brabant van het westen van Den Bosch behoorde, behandelde enerzijds strafzaken waarop hoge straffen, doodstraf, verbanning en boetes stonden en anderzijds zaken in hoger beroep die voor de lokale banken hadden gelopen. Daarbij hadden ze kennelijk concurrentie van het hof van Holland. Het kon ook beroepsmogelijkheid voor de gevonniste zijn die het niet eens was met het vonnis van bijvoorbeeld een schepenbank. Maar afhankelijk van de tijdsperiode was het of het hoger beroep in eerste instantie de voorloper van het Gerechtshof, of het hoger beroep in laatste instantie op een vonnis van het Hof van Holland, dus de voorloper van de Hoge Raad der Nederlanden.


Hohenstaufen:
Een oud Duits Hertogelijk geslacht vernoemd naar het stamslot op de Staufenbergen. In 1138 verkreeg het geslacht de Konings troon door Coenraad III. In 1268 stierf het geslacht in de mannelijke lijn uit met Konradijn. De bekenste vorst van de familie Hohenstaufen is Keizer Fredrik I Barbarossa, die Orange tot een prinsendom verklaarde.


Hohenzollern:
Hohenzollern, is een oud Duits vorstengeslacht dat zijn naam ontleent aan de burcht Hohenzollern in de Zwabische Jura. In 1227 splitste het zich in een Frankische en een Zwabische tak. Hiervan was de Frankische tak het belangrijkste, uit deze tak kwamen de Keurvorsten van Brandenburg, de Hertogen en Koningen van Pruisen en de Keizers van Duitsland (1871-1918). Uit de Zwabische tak kwam het Roemeens Koningshuis Hohenzollern-Sigmaringen (1866-1944) voort.


Keizer:
Keizer is de titel van de hoogste vorst.


Kerkmeester:
Een kerkmeester is een lekenlid van een rooms-katholiek kerkbestuur.
Een kerkmeester, ook wel rentmeester van de kerk genoemd, degene die namens de directeuren het dagelijkse financiŽle beheer van de kerk in handen had. Ze lazen ook wel eens belangrijke mededelingen in de kerk.


Koning:
Is een regerend vorst van een koninkrijk.


Leenheer:
Leenheer ook wel Vazal genoemd. Iemand die zich in de Middeleeuwen onder de bescherming van een machtig heer (meestal Koning of Keizer) gesteld had aan wie hij als tegenprestatie diensten bewees.


Markgraaf:
Zie
markies.


Markies:
Markies is ook wel bekend als markgraaf. In de Karolingische tijd (rond 500) was een markies een bestuurder of legeraanvoerder van een grensgebied. Later werd het een vorstelijke of hoge adelijke titel. In 1581 werd het markizaat Veere aangekocht door Prins Willem "de Zwijger" van Oranje-Nassau (1533-1584). In BelgiŽ had men het markgraafschap Antwerpen dat al reeds voor 1008 bestond. In Engeland is de titel markies sinds 1442 in gebruik en ligt tussen graaf en hertog.


Morgen: (Oppervlakte Maten)
Amsterdamse morgen = 600 vierkante roede = 0,8129 ha
Brielse, Voornse morgen = 2 gemet = 600 vierkante roede = 0,9183 ha
Gooise morgen = 800 vierkante roede = 0,9358 ha
Friese pondenmaat = 240 vierkante koningsroede = 0,3674 ha
Rijnlandse morgen = 8516 m2
Pruisische morgen = 2553 m2
Indonesische bau = 7096 m2
Oude Maten en gewichten


Prins:
Een prins is een koningszoon of een vorst van een prinsendom. Een gewest kon tot een prinsendom veheven worden door de keizer.


Ridder:
Is een te paard strijdend krijgsman, hetzij van adel, hetzij afkomstig uit de stand der onvrijen die belangrijke functies hadden bekleed, de zogenaamde ministerialen. Zij werden van jongs af aan geoefend in het paardrijden en het vechten, eenmaal meederjarig geworden werden zij ridder geslagen. Zij genoten speciale voorrechten. Indien zij berecht moesten worden, geschiedde dat door een rechtbank, samengesteld uit huns gelijken. Zij waren, als vergoeding voor hun militaire diensten die zij voor hun vorst verrichtten, vrijgesteld van het betalen van belastingen. De bijzondere ethiek van het ridderschap ontstond onder invloed van de kruistochten en hield onder meer in: de wereld zuiveren van onrecht en zorgen voor rust en vrede in kerk en koningkrijk. In de cultuur van het ridderschap nam de vrouwenverering een belangrijke plaats in, verder behoorde tot hun plichten onder meer bescherming van weduwen, wezen en armen, trouw aan de leenheer, een christelijke levenswandel. Sinds de twaalfde eeuw vormen zij een gesloten stand, de kern van een leger. Ridder is de laagst adelijke, erfelijke titel onder meer in Duitsland, Oostenrijk, Engeland en Nederland. De engelse titel 'knight' is persoonlijk en niet erfelijk.


Ridderorde:
1.
Een adelijke broederschap met een mensenlievend en geestelijk doel, in de middeleeuwen gesticht. De bekenste zijn de Tempeliers (1128-1312), de Johannieter- of Maltezerorde (1130), de Duitse Orde (1198), de Balye van Utrecht, de Orde van de Kouseband (1348), de Orde van het Gulden Vlies, in 1429 te Brugge gesticht.
2.
Een onderscheiding voor bepaalde belangrijke diensten, bij de wet of door het staatshoofd persoonlijk ingesteld. In Nederland kent men de Militaire Willemsorde (1815), de orde van de Nederlandse Leeuw (1815), de orde van Oranje-Nassau (1892) en de door Koningin Wilhelmina ingestelde huisorde van Oranje (1905). In BelgiŽ de Leopoldsorde (1832), de orde van de Afrikaanse Ster (1888) en de koninklijke orde van de Leeuw, welke beide speciaal werden ingesteld om diensten in Belgisch-Kongo te belonen. Verder de Kroonorde (1897) en de Orde van Lepold II (1900).
In de Rooms-Katholieke kerk zijn ook pauselijke ridderorden bekend, waarvan de Gregoriusorde (1831) en de Silvesterorde (1841) het meest bekend zijn.


Ridderschap:
Publiekrechtelijk stand der edelen in de standenstaat. In de Republiek der Verenigde Nederlanden vormde de ridderschap een der leden van de Statenvergaderingen. Het ridderschap werd in 1795, tijdens de Bataafse Republiek, opgeheven en in 1814 hersteld met het recht een deel van de Provinciale Staten te kiezen. Bij de grondwet van 1848 werd het ridderschap definitief opgeheven.


Roede:
Amsterdamse roede = 13 voet = 3,68 m
Uitgeestse roede = 14 voet = 4,16 m;
Amsterdamse roede = 16 voet = 4,53 m;
Oude Maten en gewichten


Ruwaard:
Een ruwaard was een vertegenwoordiger van de landsheer, hij was degene die in naam van de landsheer een land of een gewest bestuurde.


Schepenen:
De schepenen waren sinds de Karolingische tijd (rond 500) leden van de rechtbank die het vonnis bepalen, de zo genaamde oordeelvinders. In de steden hadden ze naast de functie in de 'schepenbank' ook een aandeel in het stadsbestuur.
In BelgiŽ zijn de leden van het college van burgermeester en schepenen, dat het dagelijks bestuur van een gemeente vormt, men heeft schepenen voor onderwijs en openbare werken enz.


Schepenen van de Keure en de Schepenbank van Gedele:
De twee belangrijkste organen van het Gentse stadsbestuur, de Schepenbank van de Keure en de Schepenbank van Gedele hadden ook gerechtelijke taken. De eerste hield zich onledig met strafrecht en conflictueel civiel recht, de tweede was een willige rechtsmacht. Hun bevoegdheid was evenwel op dubbel vlak beperkt.
In de Middeleeuwen werd Gent bestuurd door twee schepenbanken. Een schepen is wat men in Nederland een wethouder noemt. De schepenen van de keure (keure= wettekst die bepaalde voorrechten verleende)bestuurden de stad, zij vaardigden reglementen uit, hieven belastingen, onderhielden contacten met de graaf, verdedigden de stad en bemoeiden zich met alle aspecten van de stedelijke samenleving: openbare werken, ondersteuning van bvehoeftigen...
Bovendien bezaten de schepenen van de keure een uitgebreide rechterlijke macht. Ze traden op als rechters in de meest uiteenlopende burgerlijke en strafrechtelijke zaken. De schepenen van gedele (verdeling) behandelden de erfenissen en waren voogd van alle minderjarige wezen. Ook traden ze op als vredemakers bij twisten en veten tussen burgers. Hun schepenbank fungeerde als een soort vredegerecht.


Schout:
Een schout was in Nederland de rechtsprekend vertegenwoordiger van een landsheer, later stond hij in sommige gewesten onder een hoge rechter, bijvoorbeeld de
baljuw. In steden was de schout de voorzitter van de schepenbank, belast met de opsporing van strafbare feiten, de behandeling van een proces en de uitvoering van vonnissen.


Schout-bij-nacht:
Is bij de Nederlandse marine de laagste vlagofficiersrang, gelijk aan generaal-majoor bij het leger. Zijn oorspronkelijke taak was als opperbevelhebber 's nachts in de achterhoede toezich te houden op de vloot, opdat de schepen bijeen bleven.


Soeverein:
Heerser met een aan geen hoger gezag ondergeschikte macht = vorst
Van geen hoger gezag afhankelijk = oppermachtig

Soevereiniteit:
Staatsrechtelijk, de hoogste macht in een staat.
Volkenrechtelijk, de onafhankelijkheid van een staat ten opzichte van andere staten.

Stadhouder:
Een stadhouder is oorspronkelijk een plaatsvervanger van de vorst in een bepaald gewest met de bevoegdheden van die vorst.
In Nederland krijgt de titel in 1674 een erfelijke (monarchale) positie, tijdens het stahouderschap van Prins Willem III werd het stadhouderschap erfelijk in de mannelijke linie, sinds 1747 in beide linies.
In 1795 worden de Ridderschappen en daarmee tevens de adel als geheel werden afgeschaft, ook het stadhouderschap wordt afgeschaft. De Bataafse Revolutie stond in het teken van Vooruitgang, Verlichting en de Opmars der Burgerij, en er was geen plaats voor maatschappelijke restanten uit de Middeleeuwen. De nieuwe grondwet van 1814 voorzag in een Soeverein, in herstel van de adel, en in de heroprichting der Ridderschappen. Die zouden tezamen met de steden en de "landelijke stand" de Provinciale Staten kiezen en daarmee indirect ook leden van de Tweede Kamer.


Stadhouderloze tijdperken:
Dat waren perioden in de geschiedenis van de Republiek der Verenigde Nederlanden waarin de meeste gewesten geen stadhouder aanstelden. Er waren twee periodes, van 1650-1672 en van 1702-1747.
Het eerste Stadhouderloze tijdperk was na de dood van Prins Willem II van Oranje-Nassau (1625-1650). Op 14 november 1650, zes dagen na het overlijden van zijn vader, wordt te 's Gravenhage
Prins Willem III van Oranje-Nassau geboren. De staatsgezinden, ontevreden over Oranjes dynastieke politiek, grepen hun kans om geen nieuwe stadhouder aan te stellen. In deze stadhouderloze periode was Johan de Witt (1625-1672) de belangrijkste staatsman. Na 1660 krijgt het staatse bewind te maken met Engelse en Franse druk. De Republiek der Verenigde ProvinciŽn en Franrijk sluiten een vredesvedrag op 22-04-1662, echter vertrouwd Johan de Witt de Franse Koning Lodewijk XIV "de Zonnekoning" niet. Jan de Witt pleit voor versterkingen van de Zuidelijke Vestingsteden. Op 04-03-1665 Maart verklaard Karel II (Charles II) Engeland de Republiek der Nederlanden de oorlog. Dit is de 2e Engelse oolog (1665-1667).In de jaren hierna groeit de aanhang van de Prinsgezinden. In 1672 barst de bom. In Maart van dit jaar is het zover en Engeland verklaart de Republiek der Verenigde ProvinciŽn de oorlog. In april doen Frankrijk, Munster en Keulen het zelfde.
Frankrijk neemt gelijk het klein Prinsendom Orange in.
Frankrijk trekt op en belegerd Maastricht en trekt de Rijn over waardoor Prins Willem III zich terugtrekt achter de waterlinies. Op 21-06-1672 val Utrecht in Franse handen en Drente en Overijssel door Munster en Keulen.
Koning Lodewijk XIV van Franrijk stuurt zijn voorwaarden naar de Staten Generaal.
Admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter (1607-1676) verslaat op 07-06-1672 de Frans/Engelse vloot ter hoogte van Solebay bij de Engelse oostkust hierbij sneuvelt Willem van Gent.
Zowel Nederland als Engeland claimt de overwinning. Op 02-07-1672 wordt Prins Willem III tot Stadhouder benoemd.
Op 08-07-1672 wordt Prins Willem III tot Admiraal, Kapitein-Generaal benoemd.
Prins Willem III en de Staten-Generaal accepteren de vredesvoorstellen van de Franse Koning Lodewijk XIV niet.
Er is veel beroering onder het Nederlands volk, Oranje voerde de boventoon weer en degene die niets of weinig met de Oranjes op hadden moesten het ontgelden. Zo neemt Johan de Witt Raadspensionaris van de Republiek der Verenigde ProvinciŽn ontslag op 04-08-1672.
Op 20-08-1672 worden de gebroeders de Witt (Cornelis en Johan) vermoord door de menigte, voor de gevangenenpoort in 's Gravenhage. Zij werden beschuldigd van Hoogverraad tegen
Zijne Hoogheid.
Admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter (1607-1676) had het altijd goed kunnen vinden met de heren de Witt verklaarde dat als de heren aan hoogverraad schuldig waren, "dan moest men hen door wettige rechters ter dood hebben verwezen, dat zou tot luister en ere van de Staat en het recht hebben gestrekt, maar nu zijn ze door het razende volk vermoord".
Alles wat anti-Oranje was werd gehaat en het volk vond deze uitspraak verdacht en de Ruyter haalde zou de woede van het volk op zijn schouders. Op 06-09-1672 vond er een grote oproer plaats voor het huis van de Ruyter en Prins Willem III van Oranje-Nassau laat een militaire wacht voor zijn huis posten ter bescherming van de Ruyter en zijn gezin.
Het Tweede Stadhouderloze Tijdperk begon na de dood van Prins Willem III van Oranje-Nassau. sterft de kinderloze Koning-Stadhouder als gevolg van een val van zijn paard. Met hem is het huis van Oranje-Nassau (in de mannelijke lijn) uitgestorven.
Prins Willem III van Oranje-Nassau, Koning van Engeland (1650-1702) overlijdt op 8/19 maart aan de gevolgen van een val van zijn paard op Hampton Court. Zijn echtgenote Koningin Mary Stuart van Engeland stierf kinderloos op 28 december 1694/7 januari 1695. Prins Willem III van Oranje-Nassau zorgt voor een opschudding met zijn testament als hij zijn hele vermogen van Fl,- 800.000 en zijn bezittingen in de Nederlanden naliet aan Johan Willem Friso (1687-1711). Een andere erfgenaam Frederick van Pruisen pikte dit niet en vocht het aan. De Friese erf-Stadhouder Johan Willem Friso was op dat moment pas 15 jaar en de meerderheid van de gewesten vonden het beter hem niet als Stadhouder te kiezen. Zo werd het Tweede Stadhouderloze tijdperk aan (1702-1747).


Standenmaatschappij:
Standenmaatschappij is een samenlevingsstructuur met het karakter van een sociale ongelijkwaardigheid. Er zijn rangen en standen belangrijke verschillen in rechten en plichten. Eigenlijk een maatschappij waarin ieders juridische positie door de geboorte bepaald wordt.


Tienden:
Een oude vorm van belasting, lasten op onroerend goed, bestaande in heffing van het tiende deel van alle opbrengsten. In de Merovingische tijd voerde de kerk een algemene tiendplicht in ten bate van kerken en geestelijken; vele tienden kwamen in wereldlijke handen. In Frankrijk afgeschaft door de Franse Revolutie, in Nederland pas definitief door tiendwet van 1907. Tiendplicht bestaat nog hier en daar nog als kerkbelasting, o.a. bij Amirikaanse sekten en mormonen.


Vazal:
Vazal ook wel Leenheer genoemd. Iemand die zich in de Middeleeuwen onder de bescherming van een machtig heer (meestal Koning of Keizer) gesteld had aan wie hij als tegenprestatie diensten bewees.


Vierschaar:
Zie
Hoge Vierschaar.

Wapenschouw:
Monstering van de troepen, inspectie, parade.


Watergeuzen:
Zie geuzen.


Wiel of wielen:
kolk, plas(sen) die na een dijkbreuk of overstroming is/zijn ontstaan.


HOME



Schrijf naar: Het Huis van Oranje