Schepenen schult brief tot last van Jan Jacobs Overgauw

 Compareerde voor Johan de Wit schout………………schepenen van den Oudenhoorn, Jan Jacobs Overgauw, de welcke bekenen voor hem sijne erve ende naakomelingen wel en de deugelijk schuldig te wesen aen Floris van Tholedo in qualitijt als wettig gestelde voogd van Gerrit van Tholedo de soma van driehondert vier en negentig guldens seven stuijvers spruijtende ten sake van reterende kooppenning van seker huijs en de erve staende in de ring van dese dorpe naast de pastorie met den gevolge van het wagenmakers gereetschap en al het werkhout tot voorst wagemakerije gehoorende waer van dato desen de gifte is gepasseert welke voorgen soma van driehondert vierennegentig gulden 7 st den comparant aennemt te sullente doen in maniere nearvolgende, te weten:

Over een jaer na dato deses de soma van dertig guldens met den interes van het nog onbetaelde capitaal jegens 4 procent int jaer: en soo voorts van jaer tot jaer tot de volkomen betaeling van de voorst driehondert vierennegentig gulden seve stuijvers met den intrest jegens vie procent int jaer tot naerkominge het voorst huijs en erve aan voorts sijn persoon en goederen geen uijtgesondert stellende de de selve ten bedwang van alle Heeren hoven regten en regteren als mede de geschreve ende uijtlegging deze plaets van de voorn compareerde mede voor schout en schepene voorst Jacob Overgouw en Cornelis Gerrits Harkelaer de welken verklearden elcks en de een voor als sig seven te stellen tot borgen en als principaele schuldenaeren tot voldoening den voorst driehondert vierennegentig seve stuijvers met de intresse van dien: dear onder verbindende hunne persoonen en goederen, roerende en ontroerende egeen uijtgesondert ende renuneiatci van de benisie ordines revisiones et execusius haer van de kragt van den volkomen onderrigt zoudende stellende de ……..van alle ‘sheeren hove regter en regteren als mede gijselinge doende uijtlegginge deser plaetse ofte den zande van voorst

Aldus gedaen en gepasseert voor schout en schepene in hoofden dese gemerkt die dese nevens de comparanten hebben geteekend op den 27 februarij 1720

 

Transport van een schepen schultbrieff ten behoeve van Jacob Rijnsent

 Wij Jan van Lip en Pieter Plasje en Wouter van Remunt schepen van de heerlijkheid Oudenhoorn, oirkonde en kennen dat voor ons is gecomen en gepaseert Lijsbet van Bockhout , wed. en boedelhoudster van Johannis Adamse van Toledo.
 Dewelke  verklaart verkogt te hebben en bij desen in vreijen eigendom over te dragen naar dat al vorens de naastingh aan de debiteuren zoals gepresenteert en te transporteren aan en de ten behoeve van Jacob Rijnsent, schout en secretaris van den Oudenhoorn, een schepenen schult hijpoteek, gepasseert voor schout en schepenen van de voorstaande heerlijkheit, in dato den 24 julij 1725, ten lasten van Cornelis van Torenum,
wonende in den Oudenhoorn, in houden in capitaal de somme van eenhondert vijff en seventig gulden.

Af te lossen met termijnen van vijff en twintigh gulden jaarlijcks met den intrest van vier gld p/j  onder verbant en conditie soo als de eersten brieff j.l. inhoudende waartoe dese wort gerefireert, laastelijk soo bekende bij comparante van de voorst. coop en overdracht, voldaan te sijn met dese eenhondert vijftig gulden op’t passeren genoten, cederende over sulx hiermede alle regt actie en eijgendom ’t gunt bij comparant op’t vercogte recht gehadt aan den voorst. Rijnsent sijne erve en naacomelinge te oirkonde,

soo hebbe wij schepenen geteikent op den 4 jan: 1728