Compareert Jacob Wildenboer wonend onder Naters in opdracht van zijn schoonouders Leendert Floris van Toledo en Maartje van den Berg mede wonend aldaar. Zijn schoonvader pachtte jaren achtereen land toekomende de erfgenamen van Kornelis de Jonge van Ellemeet en diens huisvrouw Maria Oijens en heeft een pachtschuld.

Met Nicolaas Boudewijn Roels, secretaris van Monster te Loosduinen, pp voor genoemde erfgenamen is overeengekomen dat op 28-4-1766 in de Doelen te Brielle in contanten (Zeeuwse rijksdaalders uitgezonderd) f 4300 zal worden betaald. Het winterkoren op dit land en de te ontvangen meepacht blijft aan Leendert van_Toledo, die daarvoor de ongelden voor dit land over 1766 voor zijn rekening neemt.

Borgen zijn ieder voor een deel Jacob Wildenboer voornoemd en Adam van Toledo in de Tinte.

Op huijden den 11 November 1765 compareede voor mij Leendert de Meij, openbaar notaris bij den Eedele Hove van Holland geadmitteerd binnen de stad Brielle residerende ter presentie van de nagenoemde getuijgen Jacob Wildenboer, wonende onder Naters, als last en order hebbende van sijne schoonvader Leendert Floren van Toledo en dessefs huijsvrouwe Maartjen van den Berg, egtelieden mede wonende onder Naters voorgenoemd.
 Te kennen gevebde hij comparant, dat dessefs voorgenoemde schoonvader veele jaren agter den anderen, diverse parthijen land in hune gebruijkt heeft, in eigendom behorende aan de erfgenamen van den wijlen hoog welgeboren Heer Cornelis De Jonge van Ellemeet en zijn leven Heer van Ellemeet etc. etc. , en Vrouwe Maria Oijens in der tijt Egtlieden en uijt dien hoofde verscheijde landpagten aan de selve verschuldigt zijnde, zo verklaarde hij Comp. met de Heer Nicolaas Boudewijn Roels secretaris van monster wonende te Loosduijnen in qualitteijt als last procuratie hebbende van de voorgenoemde erfgenamen van de heer en vrouw van Ellemeet voorgenoemde geaccordeert en verdragen te sijn dat hij Comp. in sijn voortsite qualiteit in volle voldoening en tot extinctie van de voorgenoemde agterstallige landpagten, so die reeds verschenen sijn, als welke in het vervolg nog staande te verschijnen, op maandagh den 28 april 1766 in den Doellen binnen dese stad, in promtis met goet gangbaar geld doch geen Zeeuwse Rijxdaalders sal betalen eens een somma van vierduijsend en driehondert guldens, vrij geld,

onder dese conditie nogtands, dat het winter kooren en bezaaij, dat op eenige stukken van de gehuurde landen is staande, als mede de pagtpeningen van het land, dat met Alee beplant is voor jare1766 belopende met den anderen voetstoots omtrent dertigh gemeten sal blijven aan ende proffijte van genoemde Leendert van Toledo en sijne voorgenoemde huijsvrouw,

mits daar tegens betalende alle de ordinaire en Extraordinaire lasten geschaten en ongelden voor den jare 1766 van dieselve landen waar op het gemelde winterkooren mee althans is staande sonder dat den  comparant in sijne voorstaande qualiteit daar tegens eenige de minste pretensien wegens het bouwen, braken, mesten laagkooren als andersinds aan eenige den voorstaande verhuurde landen in dese jaren 1765 gedaan zal mogen maken ofte pretendeerenden zoo als ook niet door den comparant in zijne voorstaande qualiteijt, ofte door den voorgenoemde Leendert van Toledo, ooijt of ooijt zal mogen gevordert eenige restitutie van betaalde penningen voor rekening van de voorgenoemde erfgename gedaan, wegens het gunt bij de geregten, te lasten van de eijgenaren den landen is omgeslagen voor de nieuw gestigte watermolen, blijvende niet te min de pretentien uijt hoofde der resp. huurcededullen en alle verdere  conditiën daarbij vermeld in hare volle kragt en waarde tot ditien daar bij vermeld in hare volle kragten waarde tot tijden en wijlen toe,dat gemelde beloofde somma van vierduisend en driehondert guldens door de comparante in sijne qualiteit ten vollen sal wesen voldaan en betaalt.

Nog compareerden voor ons notaris en getuijgen voorgenoemde Jacob Wildeboer en Adam van Toledo, wonwnde in de Tinte ende verklaarden zij comparanten onder renunciatie de Beneficien Ordinis Excussionis et divisionist mede brengende dat den principalen schuldenaar eerst moet wesen uijtgewonnen eerder borge kan worden aangesproken en dat twee offmeer borgen de schuld mogen splitsen hun selven te stellen tot borgen en principalen van de voorgenoemde erfgenamen van de Heer en Vrouw Ellemeet, belovende en aannemende mitsdien in hun prise dat ingevalle de bovengenoemde Leendert van Toledo en deselve huijsvroew Maartje van den Berg, in gebreke mogte komen te blijven, de voorstaande somma van vierduisent en driehondert guldens op den gemelde 28 st april 1766 te betalen.
Deselve als dan als eijgeschuld in prompte op eerste aanmaninge te sullen opleggen en voldoen.

Tot naarkominge van het voorstaande staat so verbinden eersten comparant so in sijn qualiteit als in sijn privé en den twede comparant mede in sijn privé hunne personen engoederen, deselve stellende ten bedwangh en executie van alle Heren Hoven regten en Regteren ende speciaal den Edele Hoven en Hogen Rade in Holland.

Te vreden sijnde sij comparanten resp. hun in den inhoude deses bij den voorsz; Hove en Hoge Rade van Holland vrijwillig te doen laten condemneren, ten dien eijnde de consttueerende en magtig makende bij desen Sebastiaan Thierrij de Rije, Jacob Spruijt, Paulus Hoijer van Brakel en Rages Roeloff van den Meulen, alle procurecteur voor den voorsz; Hove en Hogen Rade, te samen en ieder van hun in het bijsonder , so omme de voorsz; comdenmatie te verzoeken als daar innete te connesenteren resp; alle met beloffte van approbatie en ratificatie onde verband als boven. 

Aldus gepasseert binnen de stad Brielle voorst ert presentie van man Pieter de Baan en Johannis Sijmonsals getuijgen hier toe .......: 

Jacob Wildeboer,
Adam van Toledo,
Pieterde Baat’,
Johannis Sijmons