Bron Historische Vereniging Sliedrecht
"DE PLANKE KÊÊT" - EEN ECHTE KROEG

Door J. van Toledo

De "Planke Kêêt" was de naam waaronder café "Spoorzicht" in de volksmond bekend stond. Zoals de naam al doet vermoeden was het gebouw opgetrokken uit hout. Het oostelijk gedeelte deed dienst als gelagkamer. Het naar de Tolsteeg gerichte deel was het woonhuis van de kroegbaas. Deze heette in mijn jeugdjaren Jaap Versteeg. Soms had hij ook de restauratie in de wachtkamer derde klasse van het "Oude Station" in pacht. Dat laatste kan onmogelijk een vetpot zijn geweest. Lang heeft de pachttijd dan ook niet geduurd. 

Café "Spoorzicht" was gelegen ten zuiden van de spoorlijn en iets ten westen van de plaats, waar vroeger een bewaakte overweg was. Noordelijk van die overweg stond nog een wachterswoning en een aanvankelijk houten seinhuisje. Je kon bij het café "Spoorzicht" komen middels een houten brug over de sloot. Achter en opzij van het houten gebouw bevond zich een soort speeltuin met een schommel en een wip. Veel ouders zullen daar niet met hun kinderen naar toe zijn gegaan. De "Planke Kêêt", waar later mevrouw Barbé de tapkraan bediende, was een echte kroeg, waar veel vaste klanten avonden lang doorbrachten. Vaak kwamen zij er boven hun "theewaoter" vandaan.

Paardentram
In latere jaren stond er ook een voertuig bij café "Spoorzicht". Het werd een "paardentram" genoemd, maar het was geen echte tram met flenswielen. Nee, het was een ouderwetse paardenomnibus, die op straat reed en waarvan de wielen platte ijzeren banden hadden. In mijn herinnering had het zo'n beetje dezelfde blauw met bruine kleuren als enkele oude Rotterdamse trams. Het voertuig was in het kader van een winkelweek of een zoveel jarig bestaan van een winkeliers- dan wel middenstandsvereniging naar Sliedrecht gehaald. Het heeft toen een veertien dagen, misschien zelfs een week langer op en neer gereden van de spoorbrug tot de gasfabriek. Het voertuig had langsbanken en petroleumverlichting. Conducteurs / koetsiers waren de heren Wor en Drapers. Een retourtje vanaf de Kerkbuurt kostte vijf cent. 

Niet aflatend
Ik heb ook nog een ritje meegemaakt. Ik denk dan weer aan dat oude vrouwtje, wier naam ik nooit geweten heb, maar die in een al lang verdwenen huisje aan de dijk woonde bovenaan de stoep van de Vrijzinnige Kerk van mej. Doets, mijn vroegere buurvrouw uit de Middeldiepstraat. Het mensje had een enorme "krop", een vergroting van de schildklier, die vroeger veel voorkwam als gevolg van gebrek aan jodium in eten en drinken. Daar kwam later nog als maatregel uit voort, dat bakkers voor hun brood alleen jodium houdend zout mochten gebruiken. De "krop" was zo groot, dat ze als het ware onder haar "harseslappie" een soort benedenverdieping gebreid had om haar "krop" in te doen. Juist tijdens de rit met de paardenomnibus kwam ik, met een niet aflatende aandacht, tegenover haar te zitten. Vandaar dat ik me het tochtje nog herinner als de dag van gisteren.
De paardenomnibus zal er door het zomaar buitenstaan niet op verbeterd zijn en is in de oorlogsjaren vermoedelijk wel in een of ander fornuis beland ...... .

Armeluiskoe
Keren we terug naar de "Planke Kêêt". Mijn vader, die uit een onderwijzersgezin afkomstig was, had altijd belangstelling voor land- en tuinbouw en pluimveeteelt en hij had ook de onderwijsbevoegdheid op dit gebied. Een vriend van hem, de heer Huug Roest, directeur van de landbouwschool in Brielle, wist op een gegeven moment, het zal rond 1936/1937 geweest zijn, mijn vader over te halen in Sliedrecht een geitenfokvereniging (de geit was in die jaren de armeluiskoe ) op te richten ter verbetering van het stamboek. 
Vader werd de secretaris van de geitenfokvereniging. Hij schreef de convocaties met een speciale aniline-inkt. Als je daarvan iets op je kleren kreeg, ging dat er van zijn levensdagen niet meer uit en bleef je met een paarse vlek zitten. Het beschreven velletje werd op de rol van de hectograaf gelegd. Een soort zeildoekachtig geval dat plat lag in een houten koffer met een afdraaiende en een opdraaiende spoel. Vervolgens moest het velletje goed intrekken, zodat er een beeld in spiegelschrift ontstond. Op dit spiegelbeeld werd een iets bevochtigd velletje papier gelegd waar met een harde gummi rol enkele malen overheen gegaan werd. Zodoende kreeg je een afschrift van het spiegelschrift in leesbaar schrift. Op die manier kon men wel 80 leesbare kopieën maken, die ik op de fiets moest rondbrengen.

Peukjes
Als lid van de vereniging kan ik mij o.a. Marinus van den Dool nog goed herinneren. Deze woonde oostelijk van het station in een voormalige blokwoning en hij had noordelijk van de spoorlijn zijn tuin en een paar stallen, waarin onder andere de bok van de vereniging was gehuisvest. Van den Dool was een boom van een vent, die echter niet oud geworden is. Een van de bokken was altijd dol op het peukje van de zware shag-sigaret van de "Weduwe". Vrolijk kauwde de bok hem op. Ik weet niet of dat potentieverhogend was of dat de kwaliteit van het sperma beïnvloed werd, maar goed, kennelijk smaakten de peukjes best ...
Een ander lid was Henk Kok, die in de vroegere wijk A binnendijks een groentewinkeltje had ter hoogte van de watertoren en verder ene Boot. Deze woonde ook in een blokwoning, maar die stond hoog boven op de spoordijk tussen de Baanhoekspoorbrug en de Rijksweg. De plaats is nog te herkennen aan een verbreding van het talud van de spoordijk. Zijn stallen en kippen- en konijnenhokken waren beneden aan de westelijke Parallelweg. Je moest er langs een flinke trap naar boven. Boot was lijnwerkersbaas bij de spoorwegen.

Gemekker
Eenmaal per jaar kwam meneer Roest met nog een aantal heren naar Sliedrecht. Dat gebeurde altijd op een zaterdag. Dan was er 's middags geitenkeuring, u zult het wel raden, bij de "Planke Kêêt".......
Dat was dan een heel gemekker, want jonge geiten kregen dan een oormerk ingeknipt. Dat ging met verwisselbare cijfertjes met scherpe punten die in de bek van de tang pasten en ingesmeerd werden met zwarte schoensmeer. Beschouw het maar als een soort tatoeage.

J. van Toledo.