Fossielen verzamelen

Informatie over het Krijt in Zuid-Limburg.

Ruud Spa - 2011

 

·        Inleiding

·        Wat zijn nou fossielen

·        Groeve 't Rooth

·        Het Krijt

·        Belemnieten

·        Ammonieten

·        Mosasaurus

·        Mergel en kalksteen in Zuid-Limburg

·        Formatie van Maastricht

·        Formatie van Gulpen

·        Het einde van het Krijt: de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie

·        Mijn fossielen

                                                                                                                                                                                                                  

 

Inleiding

Toen ik een echte fossiele haaientand (Isurus Hastalis) kreeg van een collega, begon mijn interesse in fossielen verzamelen. Waar kwam die tand vandaan, van welk dier, hoe lang geleden? Kan ik ook fossielen vinden, waar moet ik zoeken, hoe ontstaat zoiets, vind ik op deze plek ook wat? Vele vragen die dan op je af komen. Dan begint de speurtocht naar het verleden. Veel informatie op het internet en ook wat boeken kopen. Ook vragen stellen aan de mensen die ook fossielen zoeken. Ik woon in Maastricht  en heb het geluk om 2 mergelgroeves in de nabijheid te hebben. Mergelgroeve ’t Rooth in Margraten en natuurlijk de ENCI in Maastricht. Ook ben ik lid van de Nederlandse Geologische Vereniging (afd. Limburg). Zij organiseren vaker excursies naar de ENCI. Groeve ’t Rooth is op zaterdag vrij toegankelijk voor iedereen.

 

Wat zijn nou fossielen

Een fossiel is elk bewijs van prehistorisch leven. Dit bewijs kan bestaan uit eigenlijke overblijfselen, zoals botten, tanden etc., maar ook afdrukken (van bladeren bijv.) en sporen van pootafdrukken. Paleontologie is de studie van fossielen. De paleontologie houdt zich bezig met de periode tussen het ontstaan van het leven ongeveer 3,7 miljard jaar geleden tot de opkomst van de menselijke cultuur ongeveer 10.000 jaar geleden.

 

Hoe ontstaat een fossiel?

Een fossiel ontstaat als plantaardige of dierlijke resten niet door bacteriën worden verteerd of door aaseters worden opgegeten, maar snel na hun dood door zand, grond, vulkanische as, modder etc. worden begraven zodat er geen zuurstof meer bij kan. Meestal kunnen alleen de harde delen van een organisme fossiliseren, zoals het skelet. Zachte delen worden vrijwel nooit als fossiel gevonden.

 

De volgende processen kunnen tot fossilisatie leiden:

1)    Bedekking door zand, modder etc. Dit is de meest voorkomende vorm. Hoe groter de druk van boven die ontstaat als er steeds meer sedimenten bijkomen, hoe eerder een organisme tot fossiel kan worden. De druk op de onderliggende laag kan zo groot worden, dat deze zo hard als steen wordt.

2)    Bevriezing. Een goed voorbeeld daarvan zijn de compleet bewaarde mammoeten in de permafrost van Siberië.

3)    Dehydratie. Dieren die in droge grotten doodgaan kunnen opdrogen en duizenden jaren bewaard blijven.

4)    Mineralisering. Hout en botten blijven vaak bewaard doordat de originele cellulaire ruimtes zich vullen met mineralen en kiezelzuur. Die worden vaak opgenomen uit het water waarin het hout of bot is terechtgekomen, waardoor het ‘versteent’.

5)    Desintegratie. Als een begraven organisme zich toch ontbindt, kan er een ruimte ontstaan die dus een mal is van het eigenlijke organisme.

6)    Pseudomorfisme. Als een dergelijke mal zich met mineralen vult, ontstaat een afgietsel van het organisme.

 

Planten en dieren die op het land leven maken maar een kleine kans als fossiel bewaard te blijven. Meestal verweren de resten voor ze door sediment bedekt worden. Bij mariene (in zee levende) organismen is de kans snel na hun dood door modder of zand bedekt te worden veel groter. Terrestrische organismen maken dus alleen een grote kans als fossiel bewaard te worden als ze vlak voor of na hun dood in het water terechtkomen.

 

Groeve 't Rooth

Groeve 't Rooth is een mergelgroeve gelegen bij buurtschap 't Rooth in de Eijsden-Margraten. De groeve ligt aan de rand van het plateau van Margraten, iets ten noorden van Cadier en Keer. De groeve wordt geëxploiteerd door de firma Ankerpoort.

 

De firma Ankerpoort exploiteert de mergel in dagbouw. De mergel wordt gebruikt voor industriële doeleinden, zoals toeslagstof in de industrie, in veevoer en als meststof. Oorspronkelijk wilde dit bedrijf de concessie uitbreiden met 48 ha. Hierdoor zouden de buurtschappen 't Rooth en het beschermde dorpsgezicht Gasthuis door een groeve van 50 m diep van elkaar gescheiden worden. Er werd gevreesd dat dit een begin van een nog verdere aantasting zou zijn. Om deze bedreiging af te wenden werd in het midden van de jaren '80 van de 20e eeuw de Stichting Verontruste Plateaubewoners opgericht. In 1994 werd de voorgenomen concessie teruggebracht tot 17 ha, waardoor buurtschap 't Rooth weliswaar zou blijven bestaan, maar dan wél aan de rand van een steile afgrond. In 2003 werd dit besluit ongedaan gemaakt en in 2005 werd de concessie teruggebracht van 17 ha tot 5,8 ha. De bedoeling is dat er nog 10 jaar gegraven mag worden (vanaf 2006), waarna de groeve wordt gesloten.

De steilwanden, die na exploitatie overblijven, tonen 66 miljoen jaar Zuid-Limburgse geschiedenis. Door kleur en structuur zijn de verschillende aardlagen gemakkelijk te onderscheiden. De onderste laag is uiteraard het oudst. Die bestaat uit kalksteen en ontstond 66 tot 65 miljoen jaar geleden in een warme ondiepe zee. Het Late Krijt was een subtropische periode met andere planten en dieren dan tegenwoordig in onze streken bestaan. Het is een merkwaardige gedachte dat Zuid-Limburg miljoenen jaren geleden zee was. In die zee bezonken overblijfselen van kalkwieren (coccolieten) en eencellige diertjes met kalkskeletjes (foraminiferen). Zij vormden een tientallen meters dikke laag kalkslib, de kalksteen die nu wordt gewonnen. Die kalksteen is bijzonder rijk aan fossielen van schelpdieren, kreeften, zee-egels, koralen, sponsachtigen en inktvissen. Alles wat doodging zonk naar de zeebodem en werd ingebed in het slib. Harde delen bleven bewaard en getuigen nog van de zeedierenwereld in het Late Krijt.

 

De middelste laag (boven op de kalksteenlaag) bestaat uit enkele tientallen meters zand, 38 tot 34 miljoen jaar geleden afgezet in het Oligoceen. Oorspronkelijk was de zandlaag vele honderden meters dikker, maar het zandpakket uit het latere Mioceen en Plioceen is door rivieren en regen in de loop van de tijd weggespoeld. Ook in het Oligoceen was Limburg een warme en ondiepe zee, maar van een volkomen ander karakter dan de Krijtzee: getijdelagunes en dagelijks tweemaal onderlopende mangrovebossen, waarin veel zand en slib bezonk, werden afgewisseld door moerassen en palmenstranden.

 

De bovenste laag bestaat uit Maasgrind, vermengd met zand en klei. Afgezet door de Oer-Maas, zo'n 800.000 tot 600.000 jaar geleden, dus in de ijstijden, toen Limburg door de druk van het landijs op de noordelijker gebieden boven de zeespiegel oprees. De rivier bracht grote hoeveelheden grind uit de Ardennen aan. Sindsdien is Zuid-Limburg steeds hoger komen te liggen en heeft de Maas zich ten westen van het Plateau van Margraten ingesleten en het terrassenlandschap van het tegenwoordige Maasdal gevormd. Boven op de Maasafzetting ligt vaak nog een laag löss, door noordwestenwinden als fijn leemstof afgezet in de laatste ijstijd.

 

Er komen heel wat zee-egels voor in het Limburgse krijt. Een van de grootste en mooiste is Hemipneustes. Deze zee-egel heeft wel iets weg van de tegenwoordige zeeklit, waarvan de tere skeletjes soms op het strand liggen. Hemipneustes, om zijn bolle bovenkant door de groevearbeiders 'schildpad' genoemd, is zo talrijk in het Maastrichtse krijt dat in 't Rooth wordt gewonnen, dat er hele lagen van brokstukjes in voorkomen. In de steile mergelwanden op de winlocaties zijn grote verticale trechters te zien, waaruit de kalksteen verdwenen is. Dat zijn 'geologische orgelpijpen', plekken waar relatief zuur regenwater door de tijd heen de kalk heeft opgelost. Vervolgens vulden de orgelpijpen zich met materiaal uit de bovenliggende lagen.

 

Uit de kalk komen ook grote vuursteenknollen. Vuursteen is in de mergel ontstaan door scheiding van de zure siliciumverbindingen van de basische kalksteen. Waarschijnlijk zijn die kiezelzuurverbindingen afkomstig uit enorme hoeveelheden sponsnaaldjes, die tegelijk met de kalkskeletjes op de zeebodem werden afgezet. Opmerkelijk zijn ook de grote rotsblokken langs de weg van het kantoor naar de winlocatie. Die zijn afkomstig uit het grind boven op de oligocene lagen. Deze stenen zijn ooit door de Oer-Maas met ijsschotsen uit de Franse en Belgische Ardennen aangevoerd. Denk aan de vorming van grondijs, zoals ik dat een maand geleden beschreef in het artikel over de Bussumse Zanderij. Het einde van de Krijttijd was tevens het einde van de dinosauriers, die miljoenen jaren op aarde hadden rondgezworven. De Maashagedis (Mosasaurus) was geen dinosaurier, maar een aan het leven in zee aangepaste varaanachtige hagedis met een slangachtig lichaam van twaalf tot vijftien meter lengte. Een ware Leviathan, waarvan nog steeds resten worden gevonden en een paar jaar geleden een vrijwel gave schedel en andere delen van het skelet uit de Sint-Pietersberg door het Natuurhistorisch Museum Maastricht zijn geborgen.

  

Het Krijt

Het Krijt is een geologisch tijdperk dat duurde van ongeveer 145,5 tot 65,5 miljoen jaar (Ma) geleden. Het is de laatste periode van het era Mesozoïcum, het volgt op het Jura en wordt gevolgd door het Paleogeen, de eerste periode in het Cenozoïcum. Het systeem Krijt werd in 1822 vastgelegd door de Belgische geoloog Jean d'Omalius d'Halloy, bij onderzoek van gesteentelagen in het Bekken van Parijs. De naam komt van het Latijnse creta, dat kalk betekent. De naam van het eiland Kreta heeft dezelfde oorsprong. Het Krijt bestaat in Europa voornamelijk uit dikke lagen kalksteen, vandaar de naam. Het systeem wordt in Europa ingedeeld in twaalf etages, die zijn overgenomen in de officiële geologische tijdschaal van de International Commission on Stratigraphy. De ICS verdeelt het Krijt daarnaast in twee tijdvakken: Vroeg en Laat. Inofficieel komt ook een alternatieve driedeling voor in Neocomien (Onder/Vroeg), Gallic (Midden) en Senonien (Boven/Laat).

 

Het Krijt was een periode met een relatief warm klimaat en een hoge zeespiegel. In het water leefden tegenwoordig uitgestorven groepen dieren waaronder zeereptielen, ammonieten en rudisten. Op het land leefden diverse soorten dinosauriërs, tegelijkertijd verschenen veel van de moderne groepen zoogdieren en vogels. Onder de planten verschenen de bedektzadigen (bloemdragende planten). 

 

Het uit elkaar bewegen van de continenten, dat in het Trias en Jura was begonnen met het uiteenvallen van het supercontinent Pangea, ging in het Krijt door. Aan het begin van het Krijt lagen de continenten nog redelijk dicht bij elkaar, maar gedurende het Krijt kwamen de continenten steeds verder uit elkaar te liggen. De meeste van de huidige continenten waren in het Krijt ook al aparte eenheden, hoewel Australië en Antarctica nog met elkaar verbonden waren. Tussen Europa en Afrika en Noord- en Zuid-Amerika opende de Atlantische Oceaan, tussen Afrika en Europa de Tethysoceaan. Het oude Gondwana brak op in de continenten India, Afrika, Australië-Antarctica en Zuid-Amerika.

 

Door de grote hoeveelheden nieuwe (isostatisch lichte) oceanische korst die werd gevormd bij het uit elkaar riften van de continenten lag de zeespiegel relatief hoog gedurende het Krijt. De continenten stonden daardoor voor een groot deel onder water, zodat er relatief veel ondiepe zeeën waren. Een voorbeeld is de Krijtzee die Noordwest-Europa bedekte. Ook over Noord-Amerika lag een grote zee, die de hogere gebieden (de Appalachen in het oosten en de voorlopers van de Noord-Amerikaanse Cordillera in het westen) van elkaar scheidde.

 

Het klimaat was tijdens het Krijt wereldwijd over het algemeen een stuk warmer dan tegenwoordig. Twee keer koelde het klimaat desondanks duidelijk af, hoewel het nog steeds warmer bleef dan tegenwoordig. Gedurende het Berriasien, de oudste tijdsnede van het Krijt, ging de wereldwijde temperatuurdaling die aan het einde van het Jura was ingezet door. Er is bewijs dat er sneeuwval voorkwam op hogere breedtegraden en de tropen waren natter dan tijdens het Jura en Trias. Gletsjers kwamen waarschijnlijk alleen in hooggebergten op hogere breedtegraden voor.

 

Aan het einde van het Berrasien werd het klimaat weer warm, een situatie die zou voortduren tot het einde van het Krijt. Het warme klimaat was het gevolg van de relatief grote hoeveelheid vulkanisme, waardoor grote hoeveelheden van het broeikasgas CO2 in de atmosfeer terecht kwamen. In tegenstelling tot tegenwoordig waren de oceanen tijdens het Krijt in de tropen verbonden door de ligging van de Tethysoceaan tussen Eurazië en Afrika en het uit elkaar bewegen van Noord- en Zuid-Amerika. In diepzeekernen van tropische breedtes zijn aanwijzingen gevonden dat het oppervlaktewater in de oceanen van het Krijt temperaturen tot 42°C kon bereiken, 14 graden warmer dan tegenwoordig. Dieper in de oceaan lag de watertemperatuur tussen de 15 en 20 °C. Het oceaanwater was in het Krijt ook tot hoge breedtegraden zeer warm. Fossielen van plantensoorten die een warm klimaat nodig hebben zijn gevonden in Alaska en Groenland, terwijl fossielen van dinosauriërs (reptielen, gewend aan warmere klimaten) tot 15° van de toenmalige zuidpool gevonden zijn. Omdat de temperatuurgradiënt tussen de hogere en lagere breedtegraden tijdens het Krijt kleiner was, waren de winden tussen noord en zuid ook minder sterk. De opwelling die de stroming in de oceanen aandrijft was daardoor ook minder en zeestromingen moeten daarom vooral in het midden van het Krijt minder sterk zijn geweest dan tegenwoordig.

 

In de laatste etage in het Krijt, het Maastrichtien, is een duidelijke verandering in de zuurstof- en koolstofisotopen in fossiel plankton gemeten. Dit wordt verklaard door een verandering in de belangrijkste zeestromingen. Men neemt aan dat het klimaat koeler werd en het zeeniveau daalde, waardoor de Tethysoceaan tussen Afrika en Europa ondieper werd en de wereldwijde stroming in de oceanen veranderde. Het Krijt is genoemd naar de dikke lagen kalksteen van deze ouderdom in Europa. Ook in andere gebieden ter wereld komt uit deze periode veel mariene kalksteen voor. Kalksteen vormt goed in ondiepe warme zeeën, die vanwege het warme klimaat en het hoge zeeniveau tijdens het Krijt een relatief groot deel van het aardoppervlak bedekten. Door de hoge zeespiegel (veel sedimentatie) en de relatief geringe ouderdom ligt wereldwijd relatief veel gesteente uit het Krijt aan het oppervlak.

 

Een typisch soort kalksteen uit het Krijt is krijtgesteente, dat is opgebouwd uit coccolieten, de microscopisch kleine, uit calciumcarbonaat bestaande skeletjes van algen die in groten getale in de Krijtzee leefden. In Limburg wordt krijtgesteente mergel genoemd, een verwarrende naam omdat normaal gesproken met mergel een gesteente bedoeld wordt dat veel minder kalk bevat. Krijtgesteente consolideert erg moeilijk, zodat het vaak nog uit los, ongeconsolideerd materiaal bestaat. Er worden veel vuursteenconcreties in gevonden, en fossielen van zee-egels, belemnieten en ammonieten. De mergel van Limburg is ook bekend van vondsten van de Mosasaurus, een zeereptiel.

Hemipneustes striatoradiatus

 

Krijtgesteente wordt ook gevonden in Zuid-Engeland, waar het chalk genoemd wordt en onder andere de kliffen van Dover vormt, in Noord-Frankrijk en in delen van Duitsland. In Zuid-Europa en de Alpen komen andere, hardere soorten kalksteen voor uit het Krijt, die afgezet werden in de ondiepere delen en aan de randen van de Tethysoceaan. Ook het Krijt van de Alpen werd gevormd in de zeeën die de zuidelijke rand van Europa en de noordwestelijke uitlopers van de Tethys vormden; in het Krijt bestond er nog geen gebergte op de plek waar tegenwoordig de Alpen en Pyreneeën liggen en het continent Europa hield in feite op ten zuiden van het huidige Zuid-Duitsland en Zuid-Frankrijk. De stagnatie van zeestromingen in het midden van het Krijt zorgde voor wereldwijde afzetting van zwarte, anoxische schalie, rijk aan organisch materiaal. Onder andere onder de Noordzee zijn deze schalies een belangrijk brongesteente voor olie en gas.

 

In het Krijt kwamen zowel groepen dieren en planten voor die tegenwoordig uitgestorven zijn (zoals dinosauriërs of ammonieten) als tegenwoordig nog levende groepen. Moderne groepen die opkwamen in het Krijt zijn bijvoorbeeld de bloeiende planten en beenvissen. Vooral uit het Boven-Krijt zijn veel fossielen gevonden die een gedetailleerd beeld van het leven in die tijd geven. De bekendste vindplaatsen van fossiele gewervelden bevinden zich in Azië, West-Afrika en Noord-Amerika. Het Krijt was de periode waarin een aantal belangrijke groepen eencelligen opkwamen, zoals diatomeeën en diverse soorten plankton. De laatsten zorgden voor de afzetting van krijtgesteente, opgebouwd uit kleine kalkskeletjes. Ze gedijden goed dankzij het warme klimaat en het lage magnesium-gehalte van het zeewater gedurende het Krijt. Hoger in de voedselketen stonden de ammonieten en belemnieten, beide groepen waren tijdens het Krijt (net als in het Trias en Jura) wijdverspreid en zijn dan ook bekende fossielen uit de periode. Onder ammonieten kwamen zowel soorten voor met rechte (zoals Baculites) als gedraaide schelpen.

 

Tijdens het Krijt verschenen de eerste bedektzadigen (bloemplanten), de nu meest belangrijke planten. Bedektzadigen blijken in concurrentie met naaktzadigen vaak succesvol. Een factor daarbij is grotere efficiëntie, met als sprekend voorbeeld samenwerking met dieren voor bestuiving van de bloemen of transport van het zaad. Sommige bedektzadigen hebben zich gelijk aan ontwikkeld met de insecten die hen bestuiven (co-evolutie). De bijen verschenen min of meer tegelijkertijd met de bedektzadigen en vanaf het Laat-Krijt bereikten beide groepen snel een grote vormenrijkdom. Een andere voorbeeld ligt in het brede scala aan chemische stoffen dat evolueert en die helpen om planten te beschermen tegen vraat. De bedektzadigen kwamen pas in het Campanien veelvuldig voor maar waren ook toen nog beperkt tot natte gebieden. Veel moderne groepen bedektzadigde bomen kwamen voor het eerste voor in het Krijt: bijvoorbeeld vijgen, platanen of magnolia's. Hoewel de bedektzadigen aan het einde van het Krijt sterk diversificeerden bleven op het grootste gedeelte van het land coniferen (zoals Araucaria) en varens dominant. Deze twee groepen verdrongen tijdens het Krijt de palmvarens, die vanaf het Laat-Carboon een belangrijke groep waren geweest. Tijdens het Krijt stierf een andere belangrijke groep uit het Paleozoïcum, de Bennettitales, uit. Aangezien de continenten in het Krijt al uit elkaar lagen, verliep de evolutie van de landdieren verschillend op elk continent. Onder de insecten kwamen behalve de bijen ook veel andere nieuwe groepen op in het Krijt. De oudst bekende fossielen van mieren, termieten, bladluizen, sprinkhanen, galwespen en vlinders komen allen uit het Krijt.

 

De grotere gewervelden van het Krijt waren allen Archosauria, vooral dinosauriërs. De Sauropoda, die wijdverspreid waren in het Jura, kwamen ook in het Krijt voor op alle continenten (alleen op Antarctica zijn geen fossielen gevonden). In de loop van het Krijt zouden de Titanosauria de plaats van de Brachiosauridae en Diplodocidae langzaam overnemen. Onder de Theropoda van het Krijt bevonden zich de grootste vleesetende landdieren ooit. De enorme Tyrannosauridae (waaronder Tyrannosaurus rex, Albertosaurus en Tarbosaurus) waren een groep die in Noord-Amerika en Azië voorkwam en waarvan sommige soorten bijna vijftien meter lang konden worden. Op andere continenten verschenen vergelijkbare grote theropoda, zoals Carnotaurus in Zuid-Amerika of Spinosaurus in Afrika. Andere theropoda uit het Krijt zijn bijvoorbeeld de vis- of aasetende Baryonyx en de alleseter Gallimimus.

 

Onder de plantenetende dinosauriërs werden de tijdens het Jura verschenen Ornithopoda belangrijker. Voorbeelden zijn Iguanodon, Corythosaurus, Parasaurolophus en de kleinere Hypsilophodon. Van Maiasaurae is bekend dat ze gedurende langere tijd voor hun jongen zorgden, gedrag dat tegenwoordig niet bij reptielen voorkomt (maar wel bij vogels). Een andere groep planteneters waren de gepantserde Thyreophora, zoals Ankylosaurus en Minmi. De opkomst van deze soorten, al tijdens het Jura, was waarschijnlijk het gevolg van de grotere en snellere vleesetende theropoda. Een andere groep gepantserde dinosauriërs waren de Ceratopia (zoals Protoceratops of Triceratops), die een nekschild combineerden met hoorns, wellicht ter bescherming tegen roofdieren of om soortgenoten te imponeren.

 

De vogels verdrongen de pterosauriërs gedurende het Krijt geleidelijk, zodat aan het einde van de periode wellicht alleen de zeer grote pterosauriërs over waren gebleven. De pterosauriërs Ornithocheirus en Quetzalcoatlus hadden een spanwijdte van meer dan tien meter; dit zijn de grootste bekende vliegende organismen. Sommige vogels, zoals Ichthyornis, leken op hedendaagse soorten. Een bepaalde uitgestorven orde van vogels, de Hesperornithes, konden niet vliegen maar leefden in de zee. Vogels hadden zich al tijdens het Jura ontwikkeld binnen de Maniraptora, een groep behorend tot de Coelurosauria. In het Onder-Krijt maakten ook andere maniraptoren een bloeiperiode door: bij Liáoníng zijn soorten gevonden, die een zeer vogelachtige bouw hadden en een kruising tussen haren en veren hebben of een echt verenkleed. Dit heeft tot speculaties geleid dat andere theropoda ook veren hadden. Ook soorten maniraptoren buiten de vogels, bijvoorbeeld Microraptor, konden zweven of wellicht echt vliegen. Andere werden juist vrij groot: de Dromaeosauridae als Deinonychus of Velociraptor. Behalve dinosauriers kwamen ook andere reptielen voor, zoals schildpadden en krokodilachtigen (waaronder de enorme Deinosuchus en Sarcosuchus). Champsosaurus was een aan hagedissen verwante soort die op krokodillen leek.

 

Zoogdieren waren tijdens het Krijt een relatief kleine en onbelangrijke groep. De vroege zoogdieren uit het Jura ontwikkelden zich tijdens het Krijt in diverse groepen. De belangrijkste twee groepen zoogdieren van tegenwoordig, de placentadieren (Placentalia) en buideldieren (Metatheria), waren tijdens het Krijt al aanwezig. Didelphodon is een voorbeeld van een buideldier uit het Krijt. Onderzoek van fossiele schedeltjes laat zien dat onder zoogdieren vooral reuk en gehoor goed ontwikkeld waren, dit duidt erop dat het nachtdieren waren, waarschijnlijk om confrontaties met de grotere dinosauriërs uit de weg te gaan. Het gebit laat zien dat ze hun jongen zoogden (moedermelk gaven). Hoewel de meeste zoogdieren niet groter werden dan ongeveer 15 cm en zich voedden met insecten, zijn in het onder-Krijt van de Chinese provincie Liáoníng twee soorten gevonden die een iets ander licht doen schijnen op deze ondergeschikte rol van de zoogdieren: Repenomamus giganticus had de afmetingen van een hond, terwijl een fossiel van Repenomamus robustus werd gevonden met de overblijfselen van een jonge dinosauriër in zijn maag. Ook de oudst bekende plantenetende zoogdieren komen uit het Krijt.

 

Belemnieten

Belemnieten (Belemnoidea) zijn een uitgestorven groep tienarmige inktvissen die erg veel leken op de huidige pijlinktvissen en verwant waren aan de zeekatten. Als fossiel wordt bijna alleen het achterste gedeelte van de schelp, het zgn rostrum (ook wel 'donderkeilen' genoemd) gevonden. Met 'belemniet' wordt ook vaak alleen het rostrum bedoeld. Het rostrum is cilindrisch, langgerekt kegelvormig. Het heeft een spits of afgerond uiteinde (achterzijde). Aan de voorkant van het rostrum zit een uitholling, de alveolus. Meestal is het rostrum daar recht afgebroken en is de alveolus niet meer aanwezig. Bij heel goed geconserveerde exemplaren zit aan de alveolus een gekamerde, breed conisch uitlopende schelp, de phragmocoon. De kamers zijn afgescheiden met septen die loodrecht op de lengteas van de schelp staan. Aan de voorkant van het phragmocoon groeit aan één zijde vervolgens het dunne 'pro-ostracum'. Dit pro-ostracum is op te vatten als de oorspronkelijke 'woonkamer' van het dier. Bij primitieve belemnieten is dit deel nog afgesloten, bij verder geëvolueerde belemnieten is dat niet meer het geval. Het sterk gereduceerde pro-ostracum heeft dan waarschijnlijk alleen nog maar een ondersteunende functie als onderdeel van het inwendige skelet gehad.

 

De phragmocoon is homoloog met de schelp van andere inktvissen, zoals de inwendige schelp van de zeekat. Beide bestaan uit aragoniet. Het rostrum is opgebouwd uit calciet. Het grote verschil tussen beide schelpdelen: phragmocoon dunwandig en van aragoniet, rostrum massief en van calciet is de oorzaak van het grote verschil in fossilisatie. Een recht afgebroken rostrum laat een opbouwstructuur zien van radiale calcitische vezelkristallen. Soms zijn ook concentrische groeilijnen te zien. Hieruit is gebleken dat belemnieten vier jaar oud konden worden.

 

De meeste rostra zijn enkele centimeters tot één decimeter lang. Het rostrum van de Europese en Aziatische soort Megateuthis gigantea, kan tot 46 centimeter lang worden. Dit betekent dat het levende dier een geschatte lengte van drie meter kan hebben gehad. Rostrum, phragmocoon en pro-ostracum vormen tezamen het inwendige skelet van het dier.

 

Omdat vooral rostra als fossiel gevonden werden is lang onduidelijk geweest tot welke diergroep belemnieten behoorden. Er zijn echter uitzonderlijk goed geconserveerde fossiele exemplaren gevonden die de weke delen nog goed laten zien. Het dier had een gestroomlijnd lichaam en goed ontwikkelde ogen. Er was een inktzak aanwezig. De armen droegen geen zuignappen maar haakjes van kalkfosfaat die dienden voor het vastgrijpen van prooi. In tegenstelling tot beide recente groepen waren de armen van vrijwel gelijke lengte: twee verlengde armen (tentakels) zoals aanwezig bij pijlinktvissen en zeekatten ontbraken. Er was een snavelachtige uit hoorn bestaande kaak, ongeveer zoals bij de zeekat. Het levende dier was veel groter dan alleen uit de fossiele rostra blijkt.

 

De kamers in de phragmocoon waren met gas gevuld op vergelijkbare wijze als bij de nautiloiden en de ammonieten. Hierdoor werd het drijfvermogen van het dier vergroot. Het relatief zware rostrum kan als tegenwicht gediend hebben waardoor de dieren rechtop in het water konden zweven. Afgezien hiervan zal hun levenswijze op die van pijlinktvissen en zeekatten geleken hebben. Mogelijk hebben belemnieten in scholen geleefd. De haakjes op de armen wijzen erop dat zij actieve carnivoren waren die oa op vissen gejaagd zullen hebben. Zelf werden zij door veel andere zeedieren gegeten. Gefossiliseerde magen van Ichthyosuriers bevatten vaak veel kalkfosfaat haakjes afkomstig van de armen van belemnieten.

 

Belemnieten leefden zoals alle inktvissen alleen in zee. Zij zijn bekend uit het Paleozoïcum en het Mesozoïcum en waren vooral algemeen tijdens de Jura en het Krijt. Vaak komen zij samen voor met ammonieten, een andere uitgestorven inktvissengroep. De rostra van belemnieten kunnen extreem veel in bepaalde lagen voorkomen. In Nederland is een dergelijke laag bekend als het 'belemnietenkerkhof'. Deze laag heeft een Maastrichtien ouderdom en is onderdeel van de Vijlen Laag (Gulpen Formatie). Aan het eind van het Krijt sterven belemnieten en ammonieten uit.

 

Belemnieten stammen waarschijnlijk af van de bactritoide nautiloiden uit het Devoon. Duidelijke belemnieten worden voor het eerst aangetroffen in het onder Carboon.

 

Door het algemene voorkomen en hun relatief snelle evolutie zijn belemnieten geschikte gidsfossielen. Vooral in het Krijt zijn belemniet soorten veel als index fossiel voor het onderscheiden van biozones binnen deze periode gebruikt. Omdat de rostra van belemnieten in bepaalde delen van de geologische geschiedenis zo algemeen zijn en door de geschikte eigenschappen van calciet als 'gesloten systeem' worden zij veel gebruikt bij stabiele isotopen onderzoek. Uit de resultaten daarvan kunnen oa temperatuur van het zeewater (zuurstof isotopen) en de ouderdom van de afzetting (strontium isotopen) worden afgeleid. Gevonden waarden (ook afkomstig van heel andere fossiele groepen) moeten daarbij met een standaard worden vergeleken. Als wereld standaard worden de waarden genomen van belemnieten uit de Noord-Amerikaanse Peedee Formatie uit het Krijt. Deze standaard wordt als 'PDB' ('Peedee bulk') aangeduid.

 

Ammonieten

Ammonieten (Ammonoidea) zijn een uitgestorven onderklasse van de Cephalopoda (inktvissen). Het zijn zeedieren die wereldwijd in groten getale voorkwamen in het laat-Paleozoïcum en gedurende het gehele Mesozoïcum. Ze worden als fossiel teruggevonden. Ammonieten hebben een vlakke spiraalvormige schelp die opgebouwd is uit verschillende kamers. Telkens als het dier te groot wordt voor de huidige kamer, wordt een nieuwe grotere buitenste kamer gevormd. In deze buitenste kamer leeft het dier, dat de andere lege kamers verder gebruikt als middel om verticaal te bewegen. De ammoniet scheidt gas uit in deze kamers om zo de stijgkracht op de schelp te regelen.

 

Ammonieten kwamen voor in honderden soorten en variëteiten. Zij hebben nagenoeg alle ditzelfde grondplan: een vlakke spiraalvormige schelp. Er bestaan toch enkele uitzonderingen: enkele heteromorfe soorten die geen spiraalvormige schelp hebben. De grootte van de ammonieten varieert van minder dan een centimeter tot meer dan 2,5 meter doorsnede. De naaste levende verwant is de nautilus. De naam is afkomstig van de Egyptische god Amon, die afgebeeld werd als een man met het hoofd van een ram. Ammonieten lijken op de opgekrulde ramshorens waarmee Ammon werd voorgesteld.

Ammoniet Perisphinctes

 

Ammonieten verschenen voor het eerst in het laat-Siluur, overleefden op het nippertje de Perm-Trias extinctie met opvallend weinig soorten en kwamen tot een echte bloei gedurende het Mesozoïcum. Op het einde van deze periode (65 miljoen jaar geleden) stierven de meeste ammonieten uit, net zoals de dinosauriërs. Fossielen uit Nederland en Denemarken lijken echter aan te tonen dat de laatste ammonieten nog tot in de oudste lagen van het Paleoceen voorkwamen, waarna ze uitstierven. Het jongst bekende fossiel van een ammoniet komt uit Denemarken en behoort toe aan Hoploscaphites constrictus, die nog tot ongeveer 65.3 miljoen jaar geleden voorkwam, zo'n 0,2 tot 0,65 miljoen jaar na de massa extinctie, en mogelijk zelfs nog een half miljoen jaar langer. Deze kleine populaties waren echter niet genoeg om de laatste ammonieten van de ondergang te redden. Men denkt dat de ammonieten door hun paarstrategie uitstierven. De jongen maakten deel uit van het plankton dat aan de oppervlakte van de zee dreef. Zure regen en verduistering van de zon door stofwolken zorgen waarschijnlijk voor slechte condities voor de jongen en de eitjes om te ontwikkelen.

 

De classificatie is gebaseerd op de details en structuur van hun schelp. De ammonieten zijn momenteel onderverdeeld in drie ordes en acht subordes.

 

Ordes:

·        Goniatida (Devoon tot Perm)

·        Ceratida (Carboon tot Trias)

·        Ammonitida (Perm tot Krijt)

Subordes:

·        Ancyloceratina (Laat-Jura tot Laat-Krijt) (heteromorfe ammonieten)

·        Anarcestina (enkel Devoon)

·        Clymeniina (enkel Laat-Devoon)

·        Goniatitina (Devoon tot Laat-Perm)

·        Prolecanitina (Laat-Devoon tot Laat-Trias)

·        Ceratitina (Perm tot Trias)

·        Phylloceratina (Vroeg-Trias tot Laat-Krijt)

·        Lytoceratina (Vroeg-Jura tot Laat-Krijt)

·        Ammonitina (Vroeg-Jura tot Laat-Krijt)

 

Gezien ammonieten in alle wereldzeeën voorkwamen, de schelp veelal goed en op grote schaal gefossiliseerd is en nieuwe soorten op geologische tijdschaal gezien snel ontstonden en zich verspreidden, zijn ammonieten uitermate geschikt als gidsfossielen. Geologen en paleontologen gebruiken ammonieten vaak in de stratigrafie. Lagen die wereldwijd teruggevonden worden kunnen zo met elkaar gelinkt worden en relatief tegenover elkaar gesitueerd worden. Vele indelingen in de geologische tijdsschaal zijn gebeurd aan de hand van het voorkomen van bepaalde ammonietsoorten.

 

Op en in de zeebodem leefden diverse soorten krabben, bivalven en brachiopoden. De laatsten waren in het begin van het Mesozoïcum nog wijdverspreid maar werden gedurende het Krijt zeldzamer. De opkomst van bivalven tijdens het Krijt zorgde voor een toename in de hoeveelheid bioturbatie in de zeebodem. Sommige soorten bivalven bereikten enorme groottes, zoals gedraaide soorten oesters en rudisten. De laatste konden groter dan 1 m worden en vormden rifbouwende kolonies. Het Krijt was de enige periode waarin ze voorkwamen.

Rudisten                                                                           

 

Minder goed ging het de koralen af, waarschijnlijk vanwege de lage magnesium-gehaltes van het zeewater, waardoor het moeilijker was skeletten te bouwen van het mineraal aragoniet. Onder de Bryozoa kwamen de Cheilostomata op, een groep die eerder tijdens het Jura verschenen was. Onder de slakken kwamen tijdens het Krijt de Neogastropoda op, die in tegenstelling tot eerdere slakken carnivoor zijn.

 

Tijdens het Krijt verschenen de eerste beenvissen, een groep die tegenwoordig 95% van alle vissen uitmaakt. Sommige beenvissen uit het Krijt bereikten veel grotere afmetingen dan tegenwoordige verwanten, Xiphactinus kon bijvoorbeeld 5 m lang worden. Ook andere groepen vissen, zoals haaien, leken in het Krijt meer op hun tegenwoordige verwanten dan tijdens eerdere perioden. De opkomst van de beenvissen en krabben tijdens het Krijt zal waarschijnlijk de reden zijn voor de neergang van de tijdens het Jura nog veel voorkomende crinoïden en brachiopoden, die voor de eersten tot voedsel dienden.

 

 

Xiphactinus

 

Aan de top van de voedselketen stonden in het Krijt echter de tegenwoordig uitgestorven zeereptielen. De ichthyosauriërs en krokodilachtigen die in het Trias en Jura veel voorkwamen waren in het Krijt zeldzaam geworden. De zeeën van het Krijt werden gedomineerd door plesiosauriërs (zoals Elasmosaurus) en een nieuwe groep zeereptielen, de mosasauriërs. Sommige plesiosauriërs konden meer dan 10 m lang worden, mosasauriërs zelfs over de 15 m.

 

Mosasaurus

Mosasaurus missouriensis

 

Mosasaurus, ook wel Maashagedis genoemd, is een geslacht uit de familie Mosasauridae, een groep uitgestorven sauriërs die in zee leefden. De eerste fossiele overblijfselen werden gevonden bij Maastricht in de Sint Pietersberg, die aan de oever van de rivier de Maas (Latijn: Mosa) ligt, en Mosasaurus is naar de rivier vernoemd. De soort(en) uit het geslacht leefde(n) in het Maastrichtien, het laatste deel van het Krijt, 71,3 tot 65,4 miljoen jaar geleden.

 

In de ondergrondse mergelgroeven van de Sint Pietersberg ten zuiden van Maastricht werden in de loop der eeuwen vaker allerlei fossielen aangetroffen. De eerste overblijfselen van Mosasaurus waarover wij nu nog gegevens hebben, werden gevonden in 1764. Het betreft onder meer een schedel met bovenkaak en twee onderkaken, in 1766 verworven door luitenant Jean Baptiste Drouin. Ze werden, als onderdeel van Drouins uitgebreide collectie fossielen, door Martinus van Marum, de eerste directeur van Teylers Museum te Haarlem, voor het museum verworven en pas in 1790 voor het eerst door hem beschreven. Het fossiel bevindt zich nog steeds in Teylers Museum (TM 7424).

           

TM 7424

 

De meeste bekendheid geniet de vondst, vermoedelijk gedaan tussen 1770 en 1774, van een vrij complete schedel, waarvan de achterkant grotendeels mist, met onderkaken. Deze schedel werd opgenomen in de verzameling van de kanunnik Theodorus Joannes Godding (1722-1797), de eigenaar van de grond waaronder de schedel werd gevonden. De gepensioneerde chirurgijn en fossielenverzamelaar Johann Leonard Hoffmann (1710-1782) correspondeerde over de vondst met vooraanstaande wetenschappers, onder wie Professor Petrus Camper (1721-1789), die er in 1786 een artikel over schreef voor Philosophical Transactions of the Royal Society. Dit gaf de vondst grote bekendheid en leidde later ook tot het onjuiste verhaal dat Hoffmann de eigenaar van de schedel zou zijn geweest.

 

De schedel van Godding, het holotype van Mosasaurus hoffmannii, MNHNP AC 9648                                                                       

 

De fossielen baarden groot opzien omdat men moeite had ze onder te brengen bij groepen dieren die tegenwoordig nog voorkomen. Mosasaurus droeg zo, net als de in 1784 gevonden en nog veel vreemdere Pterodactylus, bij aan het langzaam ontstaan van de hypothese dat er vroeger dieren hadden bestaan die nu niet meer voorkwamen, indertijd een ongebruikelijke en radicale gedachte. Men begreep wel dat soorten door de jacht uitgeroeid konden worden, maar dat was een speciaal menselijk ingrijpen in de natuurlijke orde.

 

De pterygoïde tanden die niet bij krokodillen voorkomen, te zien in de schedel van Godding. Hoffmann dacht nog dat het fossiel een krokodil betrof. Petrus Camper gaf in 1786 aan dat er problemen waren met deze interpretatie: krokodillen hebben geen extra (pterygoïde) tanden in het verhemelte, het botoppervlak van het fossiel is te glad voor een krokodil en verder bevinden zich in de rest van de afzetting voornamelijk fossiele zeedieren — en krokodillen leven in rivieren. Camper veronderstelde daarom dat het ging om de resten van een onbekende soort potvis (Physeter incognis ex Monte S. Petri). Die waren ook groot, hadden spitse tanden en gladde botten en leefden in zee. Weliswaar heeft de potvis, als een van de weinige tandwalvissen, geen tanden in de bovenkaak, maar Camper wees erop dat sommige andere tandwalvissen, zoals orka's en dolfijnen (breathing fish zoals hij ze noemt) wel tanden in de bovenkaak hebben.

 

In 1794 werd Maastricht door de Franse revolutionaire troepen ingenomen. Geoloog Barthélemy Faujas de Saint-Fond (1741-1819) begeleidde het leger samen met de représentant du peuple (politiek commissaris) Freicine, die tijdens de campagne een ware plundertocht hield om kunstschatten en voorwerpen van wetenschappelijke waarde in beslag te nemen en naar Frankrijk over te brengen. Toen het fossiel niet meer in het huis van Godding, op de flanken van de Sint Pieter, even buiten Maastricht, bleek te zijn maar naar verluidt ergens in de vesting in veiligheid gebracht, loofde Freicine een extra rantsoen van zeshonderd flessen goede wijn uit aan de eenheid die het fossiel kon opsporen — zo voorkwam men dat het tijdens de plundering beschadigd zou raken of verduisterd werd. Een dozijn grenadiers kwam al snel de beloning opeisen, het fossiel met zich meebrengend. Faujas de Saint-Fond beweerde later dat ook de eigenaar een flinke schadeloosstelling kreeg maar daar is geen ondersteunend bewijs voor. Vermoedelijk werd het als oorlogsbuit begin 1795 overgebracht naar Parijs. Daar werd het per decreet van de revolutionaire regering meteen tot nationaal erfgoed verklaard en ondergebracht in het nieuwe Muséum national d'histoire naturelle, waar het nog steeds te bewonderen valt.

 

In 1798 en 1799 publiceerde Faujas de Saint-Fond zijn Histoire naturelle de la montagne de Saint-Pierre de Maëstricht en nam daarin een relaas op over de omstandigheden van de vondst. Het fossiel zou in 1770 vijfhonderd passen van de hoofdingang gevonden zijn waarna Hoffmann de opgraving begeleid zou hebben. Godding zou daarna als eigenaar van de grond met succes de vondst in rechte hebben opgeëist waarbij de in het ongelijk gestelde Hoffmann zelfs nog de gerechtskosten zou hebben moeten betalen. Weinig van dit verhaal kan echter, zoals historica Peggy Rompen aantoonde, door bronnen bevestigd worden: Godding was de oorspronkelijke eigenaar, Hoffmanns gedetailleerde collectiebeschrijvingen vermelden de schedel niet en er is ook geen spoor in de archieven te vinden van enige rechtszaak, terwijl zulke documenten in Maastricht wel allemaal bewaard worden. Waarschijnlijk was het de bedoeling van Faujas de Saint-Fond om Hoffmann als slachtoffer en Godding als een inhalige schurk voor te stellen om zo zijn eigen roof van het fossiel in een beter licht te plaatsen — zoals de Nederlandse vertaler van het werk in een noot al meteen opmerkte!

 

Faujas de Saint-Fond ging er nog vanuit dat de vondst de restanten van een krokodil betrof. Hoewel de anatoom Georges Cuvier, de eerste die het begrip extinction (uitsterven) introduceerde, ook aan het Parijse museum was verbonden, had die voorlopig geen tijd om het fossiel nader te bestuderen. In 1799 was de zoon van Petrus Camper, Adriaan Gilles Camper, de eerste die de vondst identificeerde als restant van een reusachtige varaan, en hem daarmee correct in de onderorde hagedissen plaatste. Hij berichtte hierover in een brief aan Cuvier. In 1808 viel Cuvier hem in een publicatie bij, ook wat betreft zijn determinatie van het fossiel als een varaan. In 1854 was de Duitse bioloog Hermann Schlegel de eerste die veronderstelde dat Mosasaurus geen poten had maar vinnen.

 

Mosasaurus hoffmannii

 

Het duurde tot 1822 voor er een publicatie verscheen waarin het fossiel een wetenschappelijke naam kreeg. Tot die tijd duidde men het in het Frans aan met le Grand Animal de Maëstricht, "het Grote Dier van Maastricht". In 1822 publiceerde William Conybeare de naam Mosasaurus als geslachtsnaam voor het fossiel, naar het Latijnse woord voor "maas": mosa en het Griekse woord voor "hagedis": sauros; het holotype was MNHNP AC 9648, de Parijse schedel. In 1829 publiceerde Gideon Mantell de soortnaam als Mosasaurus hoffmannii, waarmee Hoffmann wordt geëerd als vermeende ontdekker van het fossiel. De naam werd door Mantell gepubliceerd als Mosasaurus hoffmannii, en ondanks de vele publicaties waarin het epitheton als hoffmanni wordt gespeld is de naam eindigend op dubbel "i" de correcte spelling.

 

In de 19e eeuw was het eerst gebruikelijk om iedere mosasauriër in het geslacht Mosasaurus te plaatsen en bijna elke vondst als een aparte soort te benoemen; zo ontstond een veelvoud aan soortnamen. Achteraf bleken de meeste daarvan niet valide of synoniemen te zijn of ze werden in een ander geslacht ondergebracht. Dit proces lijkt de laatste jaren naar de situatie te leiden waarin Mosasaurus hoffmannii als enige soort in het geslacht overblijft.

 

Prognathodon: P. saturator

In de dagbouwgroeve 't Rooth te Bemelen werd in 1956 een waardevol fragment gevonden. In 1998 werd in de ENCI-groeve ook een grote gedeeltelijke schedel met een stuk ruggengraat ontdekt en overgebracht naar het Natuurhistorisch Museum te Maastricht. Het kreeg de naam Bèr toegekend. Het gaat hier echter niet om een Mosasaurus maar om een nieuwe soort uit het geslacht Prognathodon: P. saturator.

 

Bér

 

Mosasaurus had net als de andere mosasauriërs een langgerekt maar stevig lichaam met een ruggengraat waarvan ongeveer 46 wervels de rug vormden en de ongeveer tachtig wervels in het verlngde daarvan een lange staart. Volgens de laatste reconstructies had de staart aan het eind een vin. Het lichaam had zijdelings vier langgerekte vinnen met extra vingerkootjes (Latijn: phalanges). Het dier bewoog zich voort met behulp van zijdelingse bewegingen van de staart en stuurde met de vinnen. Mosasaurus was een soort die tamelijk afgeleid in bouw was en vrij groot. De schedel en onderkaak waren erg stevig, zonder de beweeglijkheid die meer basale mosasauriërs kenmerkt, die meer een typische lichte hagedissenschedel hadden. De tanden in de kaken waren krachtig en in staat om botten te breken en vlees te scheuren; Mosasaurus was dus niet meer genoodzaakt om de prooi in zijn geheel naar binnen te werken, en de tanden in het verhemelte waren dan ook gereduceerd. Deze bouw wijst op een specialisatie in het aanvallen van grotere prooidieren die aan het zeeoppervlak zwommen. Hierop duiden ook de kenmerken van de zintuigen: de schedelopening tussen de wandbeenderen voor het parietaaloog ("derde oog" bovenin de kop) was het kleinst in vergelijking met alle bekende mosasauriërs; de oogkassen waren groot en de geurlobben klein. Het dier moet dus op het zicht gejaagd hebben.

 

Mergel en kalksteen in Zuid-Limburg

Kalksteen, in de volksmond mergel of krijt genoemd, komt in een groot gedeelte van Zuid-Limburg aan of dicht onder de oppervlakte. (Bron: F.H.G. Engelen, 1989). Wetenschappelijk gezien is het gebruik van de naam mergel, voor de kalksteen die in de ondergrond van Limburg voorkomt, onjuist. Echter wordt al generaties lang de term mergel gebruikt voor de in Limburg aanwezige kalksteen. Er wordt zelfs al gesproken over de term mergel in oude geschriften van reeds vijf eeuwen oud, het betreft geschriften over steenwinning en leveranties. (Bron: Jacques Diederen, 1989).

 

Mergel in de geologie

De zuid-Limburgse mergel is in feite een kalksteen aangezien deze voor 90% uit zuivere kalk (CaCO3) bestaat. In de geologie wordt de benaming mergel gebruikt voor een mengsel bestaande uit klei en 35 tot 56% kalk (Bron: W.M. Felder, 1989). Deze mergel is een kalkhoudende klei, die zich direct boven de kalksteenlaag bevindt. De bekende mergel, van de mergelgrotten in Limburg, is dus in feite een kalksteen. Men zou moeten spreken van kalksteengroeven.

 

Een sediment gesteente

Mergel is een sediment gesteente dat ontstaan is in de Krijttijd, zo'n 70 tot 100 miljoen jaar geleden. Limburg bevond zich toen in een ondiepe warmwater zee waar zeer vele dieren in leefde. De kalkresten die achterbleven na het overlijden van deze zeedieren zonken naar de zeebodem waar deze zich opstapelde. Deze kalkresten hebben de mergel gevormd. De toestand van de zee vele miljoenen jaren terug heeft deels de kwaliteit van de mergelsteen bepaald. Zo bevatten bepaalde lagen in de mergel veel fossielen. Het ligt echter aan de toestand van de zee hoe de kalkresten zijn afgezet en dus wat voor een mergel aanwezig is.

 

Soorten kalkstenen uit het Boven-Krijt en Onder-Tertiair van Zuid Limburg

In een groot deel van Zuid-Limburg komen onder een bedekking van 5 tot 50 meter zand, grind/klei en kalkstenen voor. De kalkstenen dateren uit het Boven-Krijt en Onder-Tertiair en zijn in Zuid-Limburg bekend onder de naam Mergel. In de geologie is mergel een mengsel van kalk en klei (35 tot 65% kalk). De Zuid-Limburgse mergel is voor een groot deel hoogwaardige kalk die plaatselijk voor circa 90% uit zuivere kalk (CaCO3) bestaat.

 

Lithostratigrafische indeling van de kalkstenen uit het Boven-Krijt en Onder-Tertiair

Op basis van de lithostratigrafische kenmerken zijn de kalkstenen in een aantal eenheden te verdelen. Op de eerste plaats kunnen we in deze kalkstenen drie grote eenheden onderscheiden:

  Formatie van Houthem

  Formatie van Maastricht

  Formatie van Gulpen

Deze drie eenheden zijn vervolgens weer onder te verdelen in een groot aantal kleinere eenheden. Iedere eenheid wordt gekenmerkt door zijn eigen specifieke eigenschappen. Deze kenmerkende eigenschappen zijn:

Het deel van deze kenmerkende eigenschappen dat visueel is waar te nemen wordt vooral gebruikt voor lithostratigrafische indelingen.

Overzicht verschillende kalkstenen in de lithostratigrafische indeling.

  Formatie van Houthem

 

 

Kalksteen van Geleen

Vc

 

 

 

Kalksteen van Bunde

Vb

 

 

 

Kalksteen van Geulhem

Va

  Formatie van Maastricht

 

Boven

Kalksteen van Meerssen

IVf

 

 

 

Kalksteen van Nekum

IVe


 

Onder

Kalksteen van Emael

IVd

 

 

 

Kalksteen van Schiepersberg

IVc

 

 

 

Kalksteen van Gronsveld

IVb

 

 

 

Kalksteen van Valkenburg

IVa

  Formatie van Gulpen

 

Boven

Kalksteen van Lanaye

IIIg

 

 

 

Kalksteen van Lixhe 3

IIIf

 

 

 

Kalksteen van Lixhe 2

IIIe

 

 

 

Kalksteen van Lixhe 1

IIId


 

Onder

Kalksteen van Vylen

IIIc

 

 

 

Kalksteen van Beutenaken

IIIb

 

 

 

Kalksteen van Zeven Wegen

IIIa

 

Na een onderbreking van ca. 150 miljoen jaren, waarin o.a. tijdens de Triasperiode zand- en kalksteen werden gevormd en grotendeels weer opgeruimd, drong in het Boven-Krijt de zee opnieuw deze gebieden binnen. Achtereenvolgens werden in verschillende perioden diverse afzettingen gesedimenteerd die op de Geologische kaart zijn onderscheiden als de Formaties van Aken, van Vaals, van Gulpen en van Maastricht (Felder, 1980).

 

Formatie van Aken

De fijne zanden, zavels en siltige kleien van de Formatie van Aken zijn afgezet in een marien milieu met sterke getijdenbewegingen. In het overwegend scheef gelaagde materiaal komen verkitte zandsteenbanken voor. De afzettingen liggen in een karteerbare oppervlakte ten westen van Vaals onder een dun lössdek (code MZk op de bodemkaart); ze maken ook deel uit van de Glauconiethellinggronden (AHa), o.a. aan weerszijden van het dal van de Gulp, ten'zuiden van Gulpen.

 

Formatie van Vaals

De Formatie van Vaals, vroeger bekend als Vaalser groenzand, bestaat uit glauconietrijke, uiterst fijne zanden en siltige kleien, rijk aan fossielen, waaronder talrijke schelpensoorten. Het materiaal is gesedimenteerd in een ondiepe zee of lagune, vrijwel zonder getijdenbeweging (Albers, 1976). Het groenzand komt ten zuiden van de Sinselbeek over grote oppervlakten voor, veelal als onderdeel van de Glauconiethellinggronden (AHa op de bodemkaart).

 

Formatie van Gulpen en Formatie van Maastricht

Het materiaal waaruit deze formaties zijn opgebouwd, bestaat uit kalksteen, bekend als het Limburgse krijt of mergel. Het CaCO3-gehalte ligt boven 50% en kan bij de Formatie van Maastricht oplopen tot meer dan 95%. Het organogene materiaal bevat talrijke grote en kleine fossielen, zoals zeeëgels, sponsen, belemnieten en koraaldieren, alle duidend op vorming in een tropische zee. Een deel van de kalkstenen is verweerd tot een z.g. verweringsleem, die ter plaatse bekend staat als kleefaarde (eenheid KK op de bodemkaart). Een oplossingsresidu van de kalksteen vormen de in dat materiaal aanwezige vuursteenknollen, het vuursteeneluvium (eenheid KS op de bodemkaart). Op plaatsen waar veel erosie is opgetreden, zoals langs steile hellingen, worden ondiepe kalksteengronden aangetroffen (eenheid KM op de bodemkaart). Meestal zijn de voorkomens zo gering van omvang, dat ze niet op de bodemkaart, schaal l : 50 000 kunnen worden aangegeven. Ze maken dan deel uit van de associaties Vuursteenhellinggronden (AHs) of Kalksteenhellinggronden (AHk).

 

De Formatie van Gulpen bestaat uit weinig verkitte, witte tot grijsgele, fijnkorrelige kalksteen met 60 a 80% CaCO3. In het onderste deel van de formatie komen uiteenlopende hoeveelheden glauconiet voor. Ten zuiden van de lijn Gulpen-Vaals vormt deze glauconietrijke kalk de bovenkant van het kalksteenpakket, o.a. bij Mechelen, Epen en in de bossen bij Vijlen. Dit materiaal, bekend als de kalksteen van Vijlen (Felder, 1960), bevat talrijke resten van zeeëgels en rostra van belemnieten. Het bovenste deel van de formatie is rijk aan grillig gevormde, blauwgrijze tot zwarte vuurstenen. Het wordt vooral ten zuiden van de Geul en de Sinselbeek aangetroffen.

 

De Formatie van Maastricht omvat twee verschillende facies, namelijk de Maastrichtse facies en de Kunrader facies, in de oudere literatuur bekend als Maastrichts krijt en Kunrader kalksteen. Uit de oude benamingen volgt al dat de Maastrichtse facies bestaat uit weinig verkitte witte kalksteen. De Kunrader facies is opgebouwd uit een afwisseling van harde en zachte kalksteenlagen. De zachte lagen zijn rijk aan glauconiet en arm aan vuurstenen. De kalksteen van de Formatie van Maastricht bevat in het algemeen meer kalk (80 tot 95% CaCO3) en aanzienlijk minder vuursteen dan de Formatie van Gulpen. De Formatie van Maastricht is in de hele noordelijke helft van het gebied aanwezig, grofweg ten zuiden van de Geul alleen in de Maastrichtse facies, ten noorden ervan in de Kunrader facies.

 

FORMATIE VAN MAASTRICHT:

De Formatie van Maastricht, Maastricht Formatie of het Tufkrijt van Maastricht (afkorting: MMa) is een geologische formatie uit de Krijt Groep die dagzoomt in het zuiden van Nederlands en Belgisch Limburg en aansluitende delen van Duitsland. De formatie komt ook voor in delen van de ondergrond van het noordoosten van België, in het Kempens Bekken. De formatie is tussen de 30 en 90 meter dik.

 

Kalksteen van Meerssen (IVf)

De Kalksteen van Meerssen behoort tot het bovenste deel van de Formatie van Maastricht en bestaat in het midden en westelijk deel van Zuid-Limburg uit een grof- tot zeer grofkorrelige, geelwitte kalksteen met harde kalksteenbanken (tauwlagen) en fossielgruis-lagen. De hoeveelheid harde kalksteenbanken varieert van 5 tot 10%. In deze kalksteen komen geen vuurstenen voor. De dikte van deze kalksteen varieert van 15 tot 20 meter. Het CaCO3-gehalte varieert van 97 tot 99%.  Het s.g. van deze kalksteen varieert van 1,280 tot 1,400 en in de harde kalksteenbanken van 1,500 tot 2,500. Ter noordoosten van de Geul ontbreekt deze kalksteen ten zuiden van de lijn Valkenburg - Klimmen - Heerlen.

 

Kalksteen van Nekum (IVe)

De Kalksteen van Nekum behoort tot het bovenste deel van de Formatie van Maastricht en bestaat in het midden- en westelijk deel van Zuid-Limburg uit een matig fijn- tot grofkorrelige, geel-witte kalksteen; in het onderste deel komen enkele bruingrijze vuurstenen voor. De hoeveelheid vuurstenen bedraagt minder dan 1%. Zowel in het onderste als in het bovenste deel komen plaatselijk harde kalksteenbanken (tauwlagen) voor. De hoeveelheid harde kalksteen varieert van 1 tot 5%. De dikte van deze kalksteen varieert van 8 tot 12 meter. Het CaCO3-gehalte exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 97 tot 99%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 1,280 tot 1,490 en in plaatselijk voorkomende harde lagen van 1,500 tot 2,500. Ten oosten van de Geul ontbreekt deze kalksteen op vele plaatsen. In de omgeving van Ransdaal en Kunrade, waar alleen het onderste deel van de Kalksteen van Nekum aanwezig is, is deze ontwikkeld in de Kunrader facies. Deze facies bestaat daar uit een afwisseling van harde en zachte lagen kalksteen. Het CaCO3-gehalte varieert daar van 90 tot 95%. Het s.g. is in dit gebied zeer variabel. Van de zachte lagen varieert het tussen 1,300 en 1,500 en van de harde lagen tussen 1,500 en 2,500.

 

Kalksteen van Emael (IVd)

De Kalksteen van Emael behoort tot het onderste deel van de Formatie van Maastricht en bestaat in het midden en westelijk deel van Zuid-Limburg uit een kalksteenpakket dat twee van elkaar afwijkende eenheden bevat. Het onderste deel bestaat uit fijnkorrelige tot matig fijnkorrelige, geel-witte kalksteen met kleine tot zeer grote, meer of minder regelmatige bruingrijze tot lichtgrijze vuurstenen. Het bovenste deel bestaat uit een fijnkorrelige tot matig fijnkorrelige kalksteen met fossielgruis-lagen en harde kalksteenbanken (z.g. tauwlagen). De hoeveelheid vuursteen varieert van 8 tot 10%. De dikte van deze kalksteen bedraagt 2 tot 10 meter. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 1,280 en 1,370. De harde banken hebben een s.g. dat varieert vqn 1,500 tot 2,300. Ten noordoosten van de Geul gaat de Maastrichtse facies van deze kalksteen geleidelijk over in Kunrader facies, waarbij weinig of geen veranderingen optreden in het CaCO3-gehalte; de hoeveelheid harde kalksteenbanken neemt daarentegen toe tot c. 50%.

 

Kalksteen van Schiepersberg (IVc)

De Kalksteen van Schiepersberg behoort tot het onderste deel van de Formatie van Maastricht en bestaat in het gebied ten westen van de Geul uit een zeer fijnkorrelige, geel-witte kalksteen met overwegend grillige en plaatselijk grote, regelmatige plaaten knolvormige bruingrijze vuurstenen. De hoeveelheid vuurstenen varieert van 5 tot 10%. De dikte van deze kalksteen bedraagt 4 tot 6 meter. Het CaCO3-gehalte, exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 96 tot 98%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 1,210 tot 1,400. Ten oosten en noordoosten van de Geul gaat deze kalksteen geleidelijk over in de Kunrader facies. Zowel in opbouw als in de chemische samenstelling komt deze kalksteen overeen met de Kalksteen van Gronsveld.

 

Kalksteen van Gronsveld (IVb)

De Kalksteen van Gronsveld behoort tot het onderste deel van de Formatie van Maastricht en bestaat in het gebied ten westen van de Geul uit een zeer fijnkorrelige, geelwitte kalksteen met kleine tot grote, zeer grillige, bruingrijze vuurstenen. De hoeveelheid vuurstenen varieert van 5 tot 10%. De dikte van deze kalksteen varieert van 4 tot 10 meter. Het CaCO3-gehalte, exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 92 tot 97%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 1,210 tot 1,400. Ten oosten van de Geul is de Kalksteen van Gronsveld ontwikkeld in de Kunrader facies en bestaat uit een afwisseling van lagen harde en zachte kalksteen. In dit gebied is het CaCO3-gehalte van de Kalksteen van Gronsveld gelijk aan dat van de Kalksteen van Valkenburg. Het s.g., exclusief de aanwezige vuursteen, varieert van 1,300 tot 1,800.

 

Kalksteen van Valkenburg (IVa)

De Kalksteen van Valkenburg behoort tot het onderste deel van de Formatie van Maastricht en bestaat in het zuidwestelijk deel van Zuid-Limburg uit een fijnkorrelige, geelgrijze kalksteen met weinig vuurstenen. De hoeveelheid vuursteen varieert van 2 tot 10%. Het CaCO3-gehalte van deze kalksteen, exclusief de aanwezige vuurstenen varieert van 95 tot 98%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 0,300 tot 1,560. Een deel van de aanwezige vuurstenen is zo bros dat deze bij de winning niet te scheiden zijn van de kalksteen. Een monster met zichtbare, zachte vuurstenen leverde bij een analyse een CaCO3-gehalte op van 87,2%. In het gebied ten zuiden van Maastricht bedraagt de dikte van deze kalksteen slechts 3 meter. Meer naar het noordoosten neemt de dikte vrij snel toe. In de groeve 't Rooth bij Margraten bedraagt de dikte circa 25 meter en in het Biebosch bij Valkenburg circa 35 meter. Tegelijk met de toename in dikte voltrekt zich ook de overgang van Maastrichtse- naar Kunrader facies. Deze faciele verandering is in hoofdzaak gekenmerkt door het optreden van harde kalksteenbanken enknollen en het gaandeweg verminderen van de hoeveelheid vuurstenen. Ook is een duidelijke verandering waar te nemen in het CaCO3-gehalte. Bij de toename van het aantal harde kalksteenbanken en knollen neemt het CaCO3-gehalte duidelijk af. Bij Valkenburg bedraagt het maximale CaCO3-gehalte circa 80% en het minimale circa 69,5% met een gemiddelde van 76%. De afname van het CaCO3-gehalte wordt veroorzaakt door een toename van de hoeveelheid vuurstenen, die niet van de kalksteen te scheiden zijn en het optreden van de mineralen glauconiet en kwarts in de vorm van zand. Ten oosten en noordoosten van Valkenburg is de Kalksteen van Valkenburg overal aanwezig in de Kunrader facies en bestaat uit een afwisseling van lagen harde en zachte kalksteen. Bij Kunrade bedraagt het CaCO3-gehalte van de harde kalksteenbanken 90 tot 95%. Het CaCO3-gehalte van de zachte kalksteen varieert van 50 tot 80%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 1,300 tot 1,800.

 

FORMATIE VAN GULPEN:

Kalksteen van Lanaye (IIIg)

De Kalksteen van Lanaye behoort tot het bovenste deel van de Formatie van Gulpen en bestaat uit zeer fijnkorrelige, witte tot lichtgrijze kalksteen met veel grote tot zeer grote, in lagen gerangschikte, vuurstenen. In het zuidwestelijk deel van Zuid-Limburg komen in deze kalksteen 23 vuursteenbanken voor. Meer naar het noorden ontbreekt aan de bovenzijde een deel van de kalksteen, zodat in de groeve van de E.N.C.I. aan de St. Pieters-berg nog maar 18 vuursteenbanken voorkomen. Nog verder naar het noorden wigt deze kalksteen uit. Naar het oosten voltrekt zich binnen deze kalksteen een facies-verandering. De opvallende vuursteenbanken vervagen tot onduidelijke grillige lagen. In het meest oostelijke deel van Zuid-Limburg gaat een deel van de zachte kalksteen over in een afwisseling van harde en zachte kalksteen. De dikte van de kalksteen varieert van 0 tot 20 meter. Het CaCO3-gehalte, exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 95 tot 98% in het westelijk deel van Zuid-Limburg. Naar het noordoosten neemt het CaCO3-gehalte af. Bij Valkenburg en Aken varieert dit gehalte van circa 70 tot 90%. Het s.g. van deze kalksteen is zeer variabel. In de omgeving van Eben-Emael varieert het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, in het hoogste deel van deze kalksteen van 1,300 tot 1,500. Buiten dit gebied en in het diepere deel van het kalksteenpakket varieert het s.g. tussen 1,400 en 1,560. In het meest oostelijk deel van Zuid-Limburg, waar in de Kalksteen van Lanaye duidelijke harde banken voorkomen varieert het s.g. van de zachte lagen tussen 1,400 en 1,600 en de harde lagen tussen 1,800 en 2,500.

 

Kalksteen van Lixhe 3 (IIIf)

De Kalksteen van Lixhe 3 behoort tot het bovenste deel van de Formatie van Gulpen en bestaat uit een zeer fijnkorrelige, witte tot lichtgrijze kalksteen met overwegend in lagen gerangschikte kleine tot grote, zeer grillige, zwarte tot grijze vuurstenen. Ook een deel van deze vuurstenen is als gevolg van de zeer grillige vormen, afmetingen en glasachtige structuur, zeer splinterig van aard. De hoeveelheid vuursteen bedraagt circa 20%. De dikte van deze kalksteen varieert van 9 tot 11 meter. Het CaCO3-gehalte, exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 94 tot 97%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 0,510 tot 1,640.

 

Kalksteen van Lixhe 2 (IIIe)

De Kalksteen van Lixhe 2 behoort tot het bovenste deel van de Formatie van Gulpen en bestaat uit een zeer fijnkorrelige, witte tot lichtgrijze kalksteen met veel verspreide en deels in lagen gerangschikte kleine tot matig grote, zeer grillige zwarte vuurstenen. Evenals de Kalksteen van Lixhe 1 zijn de vuurstenen splinterig van aard. De hoeveelheid vuursteen bedraagt circa 15%. De dikte van deze kalksteen is 8 tot 12 meter. Het CaCO3-gehalte, exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 93 tot 97%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 0,510 tot 1,640.

 

Kalksteen van Lixhe 1 (IIId)

De Kalksteen van Lixhe 1 behoort tot het bovenste deel van de Formatie van Gulpen en bestaat uit een zeer fijnkorrelige, witte tot lichtgrijze kalksteen met veel verspreide, zeer grillig-gevormde, kleine, zwarte en grijze vuurstenen. Als gevolg van de zeer grillige vormen, afmetingen en gasachtige structuur van een groot deel van deze vuurstenen zijn deze zeer splinterig. De hoeveelheid vuursteen bedraagt circa 15%. De dikte van deze kalksteen varieert van 5 tot 10 meter. Het CaCO3-gehalte, exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 92 tot 95%. Het s.g., exclusief de aanwezige vuurstenen, varieert van 0,510 tot 1,640.

 

Kalksteen van Vylen (IIIc)

De Kalksteen van Vylen behoort tot het onderste deel van de Formatie van Gulpen en bestaat uit zeer fijnkorrelige tot matig fijnkorrelige, licht- tot donker groengrijze, glauconiethoudende kalksteen. In deze kalksteen bevinden zich plaatselijk kleine, weinig opvallende, lichtgrijze vuurstenen. De dikte van deze kalksteen is sterk wisselend en varieert van 20 tot 100 meter. De grootste dikte bereikt deze kalksteen op de plaatsen waar de onderliggende Kalksteen van Beutenaken en Zeven Wegen ontbreken. Waar de Kalksteen van Vylen een grotere dikte bezit dan circa 20 meter is een duidelijke tweedeling in het pakket waarneembaar. Het onderste deel bestaat dan uit een glauconietrijke tot zeer glauconietrijke kalksteen met of zonder vuurstenen en een CaCO3-gehalte van minder dan 50 tot 80%. Het bovenste deel bestaat uit een lichtgrijze, zwak glauconietrijke kalksteen met meer of minder onduidelijke lichtgrijze vuurstenen en een CaCO3-gehalte van 80 tot 90%. De hoeveelheid vuursteen bedraagt in het westelijk deel van Zuid-Limburg cirxa 10%. In het overige deel van Zuid-Limburg is de hoeveelheid vuursteen aanzienlijk minder. Het s.g. varieert van 1,480 tot 1,750.

 

Kalksteen van Beutenaken (IIIb)

De Kalksteen van Beutenaken behoort tot het onderste deel van de Formatie van Gulpen en bestaat uit fijnkorrelige, lichtgrijze, glauconiethoudende kalksteen. De dikte bedraagt maximaal 10 meter. Het voorkomen van deze kalksteen is beperkt tot een smalle strook die zich uitstrekt tussen het gebied van de St. Pietersberg bij Maastricht en de streek tussen Gulpen en Epen. Het CaCO3-gehalte van deze kalksteen varieert van 60 tot 80% met een gemiddelde van 71%. Het s.g. varieert van 1,500 tot 1,700.

 

Kalksteen van Zeven Wegen (IIIa)

De Kalksteen van Zeven Wegen behoort tot het onderste deel van de Formatie van Gulpen en bestaat uit een zeer fijnkorrelige witte kalksteen van het schrijfkrijt-type. De dikte bedraagt maximaal 35 meter. Plaatselijk bevat de kalksteen een geringe hoeveelheid glauconiet en enkele kleine zwarte vuurstenen. De hoeveelheid vuursteen bedraagt altijd minder dan 1%. Als gevolg van erosie, die door de sedimentatie van de Kalksteen van Vylen in dit gebied plaats vond, ontbreekt de Kalksteen van Zeven Wegen ten noorden van de lijn Vaals - Gulpen - Meerssen. Ten zuiden van deze lijn ontbreekt deze kalksteen in een smalle strook die zich uitstrekt van Eijsden naar 's-Gravenvoeren. In het zuidwestelijkdeel van Zuid-Limburg bedraagt het calciumcarbonaat-gehalte van deze kalksteen 90 tot 95%. Naar het noorden en oosten neemt het kalkgehalte af tot 80 - 85%. Het s.g. varieert van 1,550 tot 1,570.

 

 

Het einde van het Krijt: de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie

Het einde van het Krijt, en daarmee het Mesozoïcum, kwam met een plotselinge massa-extinctie 65,5 miljoen jaar geleden. Vormen van leven die gedurende miljoenen jaren de ecosystemen gedomineerd hadden verdwenen gedurende geologisch gezien zeer korte tijd. Bekendst onder de uitgestorven groepen zijn de dinosauriërs, waarvan alleen de vogels overleefden. In de zee verdwenen de zeereptielen zoals de plesiosauriërs en mosasauriërs; de ammonieten en veel andere soorten. De rudisten stierven ook uit, maar waren eerder, tijdens de klimaatsverandering in het Maastrichtien ook al sterk achteruitgegaan. Ook onder de foraminifera en planten stierven veel soorten uit.

 

Hoewel soms gewezen wordt op het feit dat de uitgestorven soorten aan het einde van het Krijt sowieso al op hun retour waren, is duidelijk dat de plotselinge massa-extinctie een externe oorzaak moet hebben gehad. De belangrijkste twee hypothesen voor het uitsterven zijn een meteorietinslag en het vulkanisme waarmee de Deccan Traps in India ontstonden. De ouderdom van de Deccan Traps ligt tussen de 68 en 60 Ma. Deze gebeurtenis zal volgens de meest gangbare hypothese een grote invloed hebben gehad op het wereldwijde klimaat en daarmee een belangrijke reden voor het uitsterven van veel soorten geweest zijn.

 

In Groeve Curfs in Zuid-Limburg is de Krijt-Tertiair-grens duidelijk te zien.

 

De Krijt-Paleogeengrens (ook wel Krijt-Tertiairgrens, afgekort K-Pg-grens of K-T-grens; in het Engels: K-T Boundary) is de overgang tussen de geologische tijdperken Krijt (K) en Paleogeen (Pg). In gesteenten is deze overgang terug te vinden als een dunne sedimentlaag, die verrijkt is met het zeldzame element iridium. Tijdens deze overgang vond een massa-extinctie plaats, waarbij veel soorten dieren en planten verdwenen. Deze gebeurtenis wordt de Krijt-Paleogeenmassa-extinctie (of Krijt-Tertiairmassa-extinctie) genoemd. Recente dateringen laten zien dat de grens 65,95 miljoen jaar oud is.

 

Tijdens of vlak voor de Krijt-Paleogeengrens verdwenen alle dinosauriërs (uitgezonderd sommige vogels). Een klein aantal fossielen van dinosauriërs is in lagen boven de Krijt-Paleogeengrens gevonden, maar die worden verklaard als fossielen die uit oudere lagen geërodeerd en daarna opnieuw afgezet zijn. Naast de dinosauriërs verdwenen onder andere alle pterosauriërs, plesiosauriërs en mosasauriërs en veel soorten planten en ongewervelden. Door het verdwijnen van de dinosauriërs kwamen ecologische niches vrij, waardoor vooral onder de zoogdieren adaptieve radiatie kon plaatsvinden aan het begin van het Paleogeen.

 

De Krijt-Paleogeen-massa-extinctie duurde kort vergeleken met andere massa-extincties uit de geologische geschiedenis: maar een paar tienduizend jaar. Het uitsterven was volgens de meeste geleerden daarom het gevolg van een grote natuurramp. Er zijn verschillende grote inslagkraters gevonden met een ouderdom van rond de Krijt-Paleogeengrens en ook was er in de laatste tijdsnede van het Krijt sprake van verhoogde vulkanische activiteit. De hoeveelheid stof in de atmosfeer nam zowel in het geval van een meteorietinslag als bij grootschalig vulkanisme toe, waardoor minder zonlicht het aardoppervlak bereikte. Dit bemoeilijkte fotosynthese, waardoor veel planten en (als gevolg daarvan) de dieren die zich met hen voedden uitstierven. Er zijn echter ook geleerden die denken dat de extinctie geleidelijker plaatsvond als gevolg van een klimaatsverandering of verandering van het zeeniveau.

 

In grote gedeelten van Europa is het gesteente aan weerszijden van de grens vergelijkbaar. Hoewel de grens dus geen duidelijke verandering in gesteente hoeft te zijn, zijn er duidelijke veranderingen te zien in de fossielen van dieren en planten die in het gesteente gevonden worden onder, op en boven de grens. Ook vertoont het laagje dat de grens tussen Krijt en Paleogeen vormt een aantal bijzondere eigenschappen.

 

In 1980 ontdekte een groep onderzoekers rond de natuurkundige Luis Alvarez en zijn zoon, de geoloog Walter Alvarez, dat dit laagje verrijkt is in het zeldzame element iridium (ongeveer 30 tot 130 keer zo hoge concentratie als normaal). Iridium is aan het aardoppervlak zeldzaam, het is een siderofiel element dat zich door planetaire differentiatie vooral in de aardkern bevindt. Het komt wel voor in kometen en planetoïden en Alvarez en zijn collega's suggereerden daarom dat tijdens de Krijt-Paleogeengrens een planetoïde op Aarde in moet zijn geslagen.

 

Behalve de iridiumanomalie zijn er meer bewijzen gevonden voor een dergelijke inslag. Wereldwijd zijn er in de Krijt-Paleogeengrens geschokte kwarts-kristallen, microsferulen en microscopisch kleine diamantkristallen gevonden. Geschokte kwarts is een kwartskristal dat sporen van hoge druk vertoont en wordt algemeen gevormd bij meteorietinslagen. Microsferulen zijn kleine bolletjes glas, die ontstaan als bij een inslag gesmolten gesteente de lucht in vliegt om als gestold glas terug op Aarde te vallen. Diamant vormt zich alleen onder extreem hoge druk, en microscopisch kleine diamanten op de Krijt-Paleogeengrens zijn alleen in Noord-Amerika gevonden.

 

Hoewel het uitsterven in enkele tienduizenden jaren plaatsvond, is er een duidelijk verschil in het uitstervingspatroon van verschillende clades. Soorten die van fotosynthese leefden namen af of stierven uit vanwege de afname van het zonlicht als gevolg van de grote hoeveelheid stofdeeltjes in de atmosfeer. Zulke soorten, zoals fytoplankton of planten, vormden in het Krijt, net als tegenwoordig, het onderste deel van de voedselpiramide. Plantenetende dieren stierven uit omdat hun voedsel verdween, waarna ook de vleeseters die van deze planteneters leefden uitstierven.

 

Coccolithophorida (die coccoliet afzetten) en mollusken (waaronder ammonieten, rudisten, zoetwaterslakken en mosselen) stierven massaal uit, samen met de roofdieren die zich met hen voedden. Zo vormden ammonieten het belangrijkste voedsel voor de mosasauridae, een groep zeereptielen. Deze groep stierf daarom ook uit op de Krijt-Paleogeengrens.

 

Omnivoren, insecteneters en aaseters waren de enigen die de massa-uitsterving overleefden. Aan het begin van het Paleogeen lijken er geen uitsluitend herbivore en carnivore soorten meer in leven te zijn geweest. De zoogdieren en vogels die de extinctie overleefden voedden zich met insecten, larven, wormen en slakken, die zich op hun beurt konden voeden met resten van dode planten en dieren.

 

In rivieren stierven minder soorten uit, omdat in die biotoop voedsel vooral afkomstig is van detritus in plaats van levende planten. In de oceanen was de extinctie ernstiger onder dieren die in de pelagische zone leefden. Dieren in de pelagische zone zijn namelijk afhankelijk van fytoplankton, terwijl dieren die op de zeebodem leven zich kunnen voeden met detritus.

 

De grootste overlevende dieren waren de krokodilachtigen en Choristodera, die zowel op het water als op het land konden leven en toegang hadden tot voldoende detritus. Ook huidige krokodillen kunnen als aaseters leven en ze kunnen maanden zonder voedsel, terwijl hun jongen klein zijn en langzaam groeien en voornamelijk van ongewervelden en aas leven. Dit geldt als een reden waarom krokodillen in tegenstelling tot andere grote reptielen de extinctie overleefden.

 

De bekendste uitgestorven dieren van de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie zijn de dinosauriërs. Men gaat ervan uit dat alle dinosauriërs (op de vogels na) uitstierven. Het is onduidelijk of de dinosauriërs in de laatste paar miljoen jaar van het Krijt al achteruit gingen, vooral omdat er niet genoeg fossielen gevonden zijn om statistisch uitsluitsel te kunnen geven.. Het is niet uitgesloten dat kleine dinosauriërs in eerste instantie wel overleefden, maar pas later alsnog uitgestorven zijn door het gebrek aan voedsel vanwege de omvangrijke veranderingen in flora en fauna.

 

In het verleden is wel eens beweerd dat het uitsterven van de dinosauriërs een geleidelijk proces is geweest dat voortduurde in het Paleoceen. Dit was bijvoorbeeld gebaseerd op vondsten van dinosauriërfossielen in de Hell Creek Formation (Montana, V.S.), ongeveer 1,3 m boven en 40.000 jaar jonger dan de Krijt-Paleogeengrens. Bij datering van pollen die naast een dijbeen van een Hadrosaurus in een bed van de Ojo Alamo Sandstone in Utah werden gevonden bleek dit bed een ouderdom van rond de 64,5 miljoen jaar te hebben, dus een miljoen jaar na de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie. Er bestaat wetenschappelijke consensus, dat deze fossielen uit hun oorspronkelijke sedimenten werden geërodeerd en opnieuw afgezet in jongere bedden.

 

In het Maastrichtien zijn tien families van krokodilachtigen gevonden, waarvan er vijf al voor de Krijt-Paleogeengrens uitstierven. De vijf andere families komen zowel in het Krijt als Paleoceen voor. Dit zijn allemaal families die in zoet water leefden, alleen de Dyrosauridae leefden zowel in zoet als zout water. Verder stierven alle grotere soorten uit, zoals Deinosuchus uit Noord-Amerika. De krokodillen leven grotendeels in het water en kunnen zich bovendien in de modder ingraven, wat hun kansen op overleving kan hebben vergroot. Het kan ook zijn dat krokodillen konden overleven omdat hun jongen in zoetwater leven. Zoetwateromgevingen werden niet zo zwaar getroffen als de open zee.

 

Skelet van een Triceratops (een geslacht uit het Laat-Maastrichtien), Naturmuseum Senckenberg, Frankfurt.

 

Drie groepen reptielen die niet tot de Archosauria behoren overleefden de massa-extinctie: de Testudines (schildpadden), de Lepidosauria en de Choristodera (die in het Mioceen zouden uitsterven). Meer dan 80% van alle soorten schildpadden uit het Krijt overleefden in het Paleoceen en alle zes schildpadfamilies uit het Krijt hebben ook tegenwoordig nog vertegenwoordigers. Tegenwoordig komen twee groepen Lepidosauria voor: Sphenodonta (een groep reptielen waarvan de tuatara's het enige tegenwoordig nog levende geslacht zijn) en Squamata (schubreptielen, dat zijn slangen, hagedissen en wormhagedissen). De laatste groep had zich tijdens het Mesozoïcum sterk ontwikkeld en het lijkt erop dat ze nauwelijks door de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie getroffen werden, waarschijnlijk omdat het relatief kleine dieren zijn met een goed aanpassingsvermogen in dieet en habitat.

 

De Krijt-Paleogeen-massa-extinctie maakte wel een einde aan alle zeereptielen, waaronder de mosasauriërs en plesiosauriërs, de reusachtige predatoren die de top van de mariene voedselketen vormden tijdens het Krijt.

 

Pterosauriërs waren tijdens het Laat-Krijt al geleidelijk teruggedrongen. In het Midden-Krijt zijn nog tien families gevonden, maar uit het Maastrichtien is nog maar één familie (Azhdarchidae) bekend. Dit was een familie relatief grote dieren, gedurende het Laat-Krijt lijken grotere soorten de overhand te hebben gekregen. Tegelijkertijd diversificeerden de moderne vogels zich, waarbij ze primitievere vogels en pterosauriërs verdrongen door directe competitie of door de vrijgekomen niches op te vullen.

 

De meeste paleontologen beschouwen de vogels als de enige overlevende groep dinosauriërs. Ook onder de vogels vielen echter tijdens de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie slachtoffers. Alleen de moderne vogels (Neornithes) overleefden de extinctie, groepen als Enantiornithes en Hesperornithes stierven uit. In het Laat-Krijt vond er een snelle adaptieve radiatie onder de vogels plaats. In het laatste deel van het Krijt leefden eend- of kipachtige vogels en loopvogels samen met de andere dinosauriërs. Aangenomen wordt dat de moderne vogels de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie overleefden omdat ze konden duiken, zwemmen of nesten bouwen in holen, waardoor ze een schuilplek hadden tegen de ergste rampen die de massa-extinctie veroorzaakten. In het Paleoceen radiëerden de vogels opnieuw dankzij de vrijgekomen niches bij het uitsterven van de overige dinosauriërs.

 

Hoewel alle hoofdgroepen zoogdieren (placentadieren, buideldieren, cloacadieren en multituberculaten) de Krijt-Paleogeenovergang zonder grote verliezen overleefden, vielen er ook onder de zoogdieren slachtoffers. Vroeger werd verondersteld dat de evolutionaire radiatie van de zoogdieren plaatsvond na de Krijt-Paleogeengrens en een gevolg was van het uitsterven van de dinosauriërs. Tegenwoordig is echter met moleculaire fylogenetica vastgesteld, dat de zoogdieren in een periode ongeveer 30 miljoen jaar voor de Krijt-Paleogeengrens ook sterk diversificeerden, de radiatie nam daarna af tijdens de laatste delen van het Krijt. De verklaring moet zijn dat ze ecologische niches bezetten die niet sterk door de massa-extinctie getroffen werden. Sommige ordes onder de zoogdieren namen zelfs toe in de tijd van de overgang als gevolg van de afname van competitie in hun niches.

 

De zoogdieren uit het bovenste Maastrichtien die de massa-extinctie overleefden waren relatief klein (de meeste minder dan 1 kg) waardoor ze gemakkelijker konden overleven. Daarnaast leefden veel van de vroege cloacadieren en buideldieren uit het Boven-Krijt gedeeltelijk in het water of in holen, wat extra bescherming moet hebben gegeven voor de gebeurtenissen tijdens de Krijt-Paleogeenovergang.

 

Tijdens het eerste tijdvak na de Krijt-Paleogeenovergang, het Paleoceen (65,5 - 55,8 miljoen jaar, zouden deze kleine soorten zoogdieren geleidelijk de vrijgekomen niches opvullen. In 10 miljoen jaar na de Krijt-Paleogeengrens zouden daarop veel nieuwe groepen zoogdieren verschijnen, waaronder veel tegenwoordig belangrijke groepen. Aan het einde van het Paleoceen waren er al soorten zoogdieren die groter dan twee meter werden, er verschenen ook carnivore en grazende herbivore soorten. Er wordt wel gezegd dat op de Krijt-Paleogeenovergang de "zwakken de Aarde erfden", maar dit berust voor een deel op de aanname dat alle zoogdieren van het Krijt door predatie en competitie met de dinosauriërs nachtdieren waren en klein bleven. Vondsten van zoogdieren uit het Krijt in China hebben dit beeld inmiddels iets bijgesteld. Deze soorten konden zo groot worden als honden en bleken op kleinere dinosauriërs te jagen. De meeste zoogdieren uit het Krijt waren echter veel kleiner en speelden ecologisch gezien een ondergeschikte rol ten opzichte van de dinosauriërs.

 

Onder de amfibieën vond geen of nauwelijks extinctie plaats op de Krijt-Paleogeengrens. Bij bestudering van salamandergeslachten in gesteentelagen rond de Krijt-Paleogeengrens in Montana bleek dat zes van de zeven in het Krijt voorkomende geslachten ook in het Paleoceen aanwezig waren. De in het Krijt voorkomende drie geslachten kikkers bleken ook niet beïnvloed door de Krijt-Paleogeengrens. Ook voor amfibieën geldt dat ze relatief klein zijn en makkelijk in het water of door zich in te graven kunnen schuilen voor de gebeurtenissen die de extinctie van grotere soorten veroorzaakten.

 

Het lijkt erop dat onder de vissen relatief weinig slachtoffers vielen, zowel in de zee als in zoetwatermilieus. Ongeveer 80% van alle soorten kraakbeenvissen (haaien en roggen) uit het Krijt overleefde de Krijt-Paleogeengrens. Onder de beenvissen stierf minder dan 10% van alle families uit. Wel is er bewijs gevonden voor massale sterfte onder beenvissen in gesteente vlak boven de Krijt-Paleogeengrens op het Seymour-eiland (bij Antarctica).

 

Uit onderzoek naar vraatsporen van insecten in fossiele planten blijkt dat na de Krijt-Paleogeengrens veel minder sporen van predatie door insecten voorkomen. Zelfs 1,7 miljoen jaar na de overgang komen relatief weinig vraatsporen voor. De meest logische verklaring is dat ook insectenpopulaties tijdens de K-Pg-grens gedecimeerd werden.

 

Ongeveer 60% van alle Madreporaria (rifkoralen) uit het Laat-Krijt overleefde niet in het Paleoceen. Vooral kolonievormende koralen, die in warm tropisch water leefden, werden hard getroffen: ongeveer 98% van deze soorten stierf uit. Solitaire koralen, die meestal niet op riffen groeien maar op koudere en diepere delen van de zeebodem (onder de fotische zone), werden minder hard getroffen. Kolonievormende koralen stierven waarschijnlijk uit omdat ze in symbiose leefden met fotosynthetische algen, die massaal uitstierven op de Krijt-Paleogeengrens.

 

Onder de inktvissen, zee-egels en bivalven stierven veel soorten uit, terwijl de meeste soorten brachiopoden de Krijt-Paleogeengrens overleefden en radieerden tijdens het Vroeg-Paleoceen. Onder de inktvissen overleefden alleen soorten uit de groepen Nautiloidea (waar de tegenwoordige nautilussen toe behoren) en Coleoidea (octopussen, pijlinktvissen en zeekatten). Alle andere inktvissen, waaronder de belemnieten en ammonieten stierven uit.

 

Er is een verschil in voortplanting tussen de uitgestorven en overlevende soorten. Ammonieten legden meer en kleinere eieren, hun nakomelingen kwamen als planktonische larven uit het ei. Deze larven, die in het oppervlaktewater leefden, kunnen massaal gestorven zijn door de ramp op de Krijt-Paleogeengrens. De overlevende soorten legden juist grotere en minder eieren. Na het uitsterven van de ammonieten vond onder de overlevende Nautiloidea adaptieve radiatie plaats, waarmee de vrijgekomen niches gevuld werden.

 

Onder de zee-egels stierf ongeveer 35% van alle geslachten uit op de Krijt-Paleogeengrens, hoewel soorten die in warm, tropisch water leefden het zwaarst getroffen werden ten opzichte van zee-egels die op hogere breedtegraden en/of in dieper water leefden. Het lijkt erop dat de warmere ondiepe soorten zo zwaar werden getroffen vanwege het wegvallen van hun habitat door het uitsterven van kolonievormende koralen, waardoor veel koraalriffen verdwenen.

 

Verder stierven de rudisten (enorme rifbouwende mosselen die typisch zijn voor het Krijt) en de Inoceramidae (een bivalvenfamilie verwant aan de oesters) uit op de Krijt-Paleogeengrens.

 

Een groep kleine kreeftachtigen die veel voorkomt in het Maastrichtien, de Ostracoda (mosselkreeftjes), is weinig aanwezig in het Paleoceen. Ook bij deze groep is het niet duidelijk of het uitsterven voor of tijdens de Krijt-Paleogeengrens plaatsvond.

 

Ook onder sommige groepen micro-organismen vond extinctie plaats. Voor soorten plankton die het skelet uit carbonaat opbouwden is de Krijt-Paleogeengrens één van de meest drastische overgangen in de aardse geschiedenis. Krijtgesteente, een soort gesteente dat typisch is voor het Krijt, bestaat uit deze skeletjes. De dikke lagen krijtgesteente van het Krijt komen in het Paleogeen niet meer voor. Statistische analyse laat zien dat de massa-extinctie een gevolg was van het uitsterven van veel soorten binnen beperkte tijd, in plaats van een afname van het aantal nieuwe soorten dat ontstond door speciatie.

 

Een fossiel van Radiolites sp., een rudistensoort uit het Boven-Krijt. Alle rudisten stierven uit op de Krijt-Paleogeengrens.

 

Bij de dinoflagellaten is er minder duidelijkheid over de precieze invloed van de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie, voornamelijk omdat van deze groep alleen de cysten fossiliseren. Niet alle dinoflagellaten hebben een cystestadium zodat de diversiteit waarschijnlijk groter was dan gevonden wordt als fossiel. Er lijken echter geen belangrijke veranderingen te zijn geweest op de Krijt-Paleogeengrens. Ook onder Radiolaria lijkt er geen sprake te zijn van grootschalig uitsterven rond de Krijt-Paleogeengrens. Als gevolg van de wereldwijde afkoeling van het klimaat was er in het Vroeg-Paleoceen zelfs een opbloei van deze groep in de wateren rond Antarctica.

 

Naar het voorkomen van planktonische Foraminifera rond de Krijt-Paleogeengrens is veel onderzoek gedaan. Sommige geleerden denken dat er een grote massa-extinctie plaatsvond, andere dat het meerdere kleinere extincties betreft met daartussen perioden waarin de populaties zich herstelden. Omdat de totale biomassa in de oceanen tijdens de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie verminderde was er minder voedsel voor benthische Foraminifera, die zich met detritus voedden. Nadat het mariene leven zich herstelde aan het begin van het Paleoceen, kwamen ook nieuwe soorten benthische Foraminifera op. Het herstel besloeg de eerste paar honderdduizend jaar in het Paleoceen.

 

De tijdspanne waarbinnen de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie plaatsvond is een controversieel onderwerp, omdat hypotheses over de oorzaak van de extinctie afhangen van een relatief korte tijd (een paar jaar tot enkele duizenden jaren) terwijl andere hypotheses juist langer nodig hebben. Vanwege het zogenaamde Signor-Lippseffect is het moeilijk de duur van de extinctie te bepalen met stratigrafisch onderzoek (op welk niveau in de gesteentelagen fossielen van een bepaalde soort wel of juist niet voorkomen). Het Signor-Lippseffect is het effect dat er zo weinig fossielen gevonden zijn dat de kans statistisch groot wordt dat een soort lang na de tijd van het jongst gevonden fossiel uitstierf. Er zijn bovendien weinig doorlopende gesteentelagen bekend die een ouderdom hebben van een paar miljoen jaar voor tot een paar miljoen jaar na de extinctie.

 

Er is een aantal hypotheses over de oorzaak van de massa-extinctie op de Krijt-Paleogeengrens. De meeste daarvan gaan uit van een grote meteorietinslag of van een periode van verhoogd vulkanisme. Een andere veelgehoorde factor is een wereldwijde (eustatische) daling van het zeeniveau, die regressie van de zee tot gevolg had. Sommige hypotheses gaan uit van een combinatie van de eerste twee of van alle drie deze factoren.

 

a) Meteorietinslag.

Het idee van vader en zoon Alvarez en hun collega's, dat het uitsterven veroorzaakt werd door het inslaan van een grote meteoriet, was niet nieuw. Ze waren wel de eersten die bewijs publiceerden voor een dergelijke inslag in concentratie van 6 ppb iridium in de Krijt-Paleogeengrens. Iridium komt in de aardkorst normaal voor met een concentratie van 0,3 ppb, maar in chondriet-meteorieten is dat 455 ppb. De verhouding van isotopen van chroom in de Krijt-Paleogeengrenslaag is vergelijkbaar met die in koolstofchondrieten. De totale hoeveelheid iridium die over de hele wereld in de Krijt-Paleogeengrens zit, volstaat voor een inslaand object van rond de 10 km doorsnee (of meerdere kleinere objecten). Bij een dergelijke inslag zou 2 miljoen maal zoveel energie vrijkomen als bij de krachtigste kernbommen die ooit getest zijn. De geschokte kwarts, microsferulen en microdiamanten vormen verder bewijs voor de meteoriethypothese. Deze worden vooral in Noord- en Zuid-Amerika gevonden, wat erop wijst dat de inslag in dat deel van de wereld moet hebben plaatsgevonden.

 

In 1990 werd een grote inslagkrater ontdekt in de ondergrond onder Chicxulub, een plaatsje op het Mexicaanse schiereiland Yucatán, die ongeveer de juiste ouderdom heeft. De krater is ovaal en heeft een gemiddelde diameter van 180 km, wat overeenkomt met de grootte die door Alvarez en zijn collega's was voorspeld. Deze krater wordt meestal Chicxulubkrater of Yucatan-krater genoemd. Een buitenste ring van de krater is later ontdekt en heeft een diameter van 300 km. Daarmee is het de grootst bekende inslag in het binnenste gedeelte van het Zonnestelsel sinds het Late Heavy Bombardment 4 miljard jaar geleden. De vorm en locatie van de krater wijzen erop dat de inslag die de krater vormde catastrofale bijwerkingen had. De inslag vond plaats in de zee, wat tsunami's veroorzaakt moet hebben. Bewijs voor tsunami's is gevonden in sedimenten van deze ouderdom op verschillende plaatsen in het Caribisch gebied.

 

De inslag vond plaats op een plek waar veel gips (calciumsulfaat) in de ondergrond zit, wat behalve stof ook een grote hoeveelheid zwaveldioxide in de vorm van aerosols de atmosfeer in moet hebben gebracht. Geschat wordt dat de hoeveelheid uit zwavelzuur bestaande aerosols en stof die in de stratosfeer werd gebracht groot genoeg was om de hoeveelheid zonlicht die het aardoppervlak bereikte met 10% to 20% te verminderen. Het zou tenminste tien jaar hebben geduurd voor de aerosols uit de atmosfeer verdwenen waren. Veel soorten planten en fytoplankton die afhankelijk zijn van fotosynthese stierven, waardoor plantenetende dieren geen voedsel meer hadden. Massale sterfte van planteneters zou op zijn beurt weer het uitsterven van predators tot gevolg hebben gehad. Kleine soorten dieren die vooral aas en detritus aten hadden echter een redelijke kans op overleving.

 

Ook andere mogelijke gevolgen van een inslag worden gezien als oorzaken voor de massa-extinctie. Ejecta van de inslag die terugvielen naar de Aarde zouden bij het binnendringen van de atmosfeer een paar uur lang voor intense infrarode straling hebben gezorgd, vergelijkbaar met een oven op de grillstand, zodat veel blootstaande organismen werden gedood. Als gevolg van deze enorme hittepuls kunnen er wereldwijd bosbranden zijn uitgebroken. Dankzij de hoge concentratie zuurstof in de atmosfeer gedurende het Krijt konden grote branden zich bovendien sneller uitbreiden. Wereldwijde branden zouden bovendien de concentratie kooldioxide in de atmosfeer verhoogd hebben, wat tijdelijk een sterker broeikaseffect tot gevolg had. Kwetsbare soorten die door de voorgaande gebeurtenissen al getroffen waren kunnen hierdoor tot uitsterven zijn gedreven.[48] De inslag kan ook zure regen hebben veroorzaakt, afhankelijk van het soort gesteente dat door de inslag geraakt werd. Dit was waarschijnlijk geen belangrijk effect, omdat chemische buffers de verzuring moeten hebben geneutraliseerd. Het overleven van soorten dieren die gevoelig zijn voor verzuring van hun leefomgeving (zoals kikkers) wijst er bovendien op dat het effect nooit groot geweest kan zijn.

 

De inslaghypothese kan alleen een relatief snelle en korte massa-extinctie verklaren, omdat verhoogde hoeveelheden stof en zwavelzuur in de atmosfeer in korte tijd weer zouden verdwijnen. De meeste geleerden zijn het erover eens dat er rond de Krijt-Paleogeengrens inderdaad een grote meteoriet in ingeslagen, maar over de vraag of dit een oorzaak was van de massa-extinctie verschillen de meningen.

 

b) Vulkanisme van de Deccan Traps.

De Deccan Traps zijn trapvormige vloedbasalten op het Indiaas Subcontinent die door vulkanisme gevormd zijn. Nieuw bewijs laat zien, dat ze gevormd werden in een tijdsduur van 800.000 jaar, die overlapt met de Krijt-Paleogeengrens. Ze kunnen daarom goed een oorzaak vormen van de massa-extinctie en het trage ecologische herstel daarna.

 

Het vulkanisme van de Deccan Traps kan op verschillende manieren een massa-extinctie hebben veroorzaakt, zoals door de uitstoot van grote hoeveelheden stof en zwaveldioxide in de atmosfeer, dat het zonlicht kan hebben tegengehouden waardoor fotosynthese moeilijk werd. Verder werd er kooldioxide uitgestoten bij het vulkanisme, zodat het broeikaseffect versterkt werd.

 

De hypothese dat het vulkanisme van de Deccan Traps de oorzaak van het uitsterven was ging er vroeger van uit dat het uitsterven over een langere periode moet hebben plaatsgevonden. De aanhangers van de inslaghypothese beargumenteerden dat dankzij het Signor-Lippseffect de tijdsduur van de massa-extinctie langer leek en vulkanisme dus geen goede verklaring kon zijn. Hoe meer fossielen er gevonden werden, des te duidelijker werd echter dat de massa-extinctie over een korte periode plaatsvond. Pas nadat duidelijk werd dat de Deccan Traps ook in korte tijd gevormd werden werd deze hypothese weer aantrekkelijk.

 

c) Meerdere inslagen

Het kan, dat een planetoïde voor de inslag in meerdere brokstukken uiteen brak om dan in meerdere delen in te slaan. Voor de Chicxulubkrater en de krater Tycho op de Maan is wel voorgesteld, dat ze door inslagen van brokstukken van hetzelfde moederobject vormden en dat de Baptistina-planetoïdenfamilie uit overgebleven brokstukken van hetzelfde object bestaat. Dit moederobject zou ongeveer 160 miljoen jaar geleden zijn opgebroken.

 

Sinds de ontdekking van de Chicxulubkrater zijn een aantal andere inslagkraters geïdentificeerd die ongeveer rond de Krijt-Paleogeengrens zijn ontstaan. Dit kan toeval zijn, maar het kan ook, dat meerdere grote meteorieten de Aarde binnen korte tijd getroffen hebben. Kraters die ongeveer deze ouderdom hebben zijn onder andere de 24 km grote Boltisjkrater in Oekraïne (gedateerd op 65,17 ± 0,64 miljoen jaar), de Shivakrater in de Indische Oceaan en de ongeveer 20 km grote Silverpitkrater in de Noordzee (tussen de 45 en 74 miljoen jaar oud). Van de laatste twee structuren is nog niet zeker, of het inslagkraters zijn.

 

d) Regressie van de zee

In de laatste tijdsnede in het Krijt, het Maastrichtien, vond de grootste daling van het zeeniveau plaats tijdens het Mesozoïcum. In veel sedimentlagen uit deze tijd is deze regressie duidelijk terug te vinden: de oudste lagen in het Maastrichtien zijn mariene sedimenten, daarbovenop liggen strandafzettingen en daarop terrestrische afzettingen. Dit is een wereldwijde trend, waaruit blijkt dat de daling van het zeeniveau niet relatief was (veroorzaakt door lokale tektonische opheffing) maar werd veroorzaakt door de eustasie, de wereldwijde schommeling van het zeeniveau. Er is nog geen duidelijke oorzaak voor de daling van het zeeniveau bekend, maar men neemt aan dat dit veroorzaakt werd door het minder actief worden van vulkanisme op de mid-oceanische ruggen, waardoor deze tijdens het Maastrichtien inzakten en de oceaanbodem dieper kwam te liggen.

 

Door grote regressies komt het continentaal plat rond de continenten droog te staan. Dit was gedurende het Krijt bedekt met ondiepe zeeën, waar de meeste mariene soorten leefden. Een regressie zou een massa-extinctie onder deze soorten veroorzaakt kunnen hebben. De regressie kan ook tot klimaatverandering hebben geleid, ten eerste doordat de zeestromingen en daardoor de atmosferische stromingen veranderden, ten tweede omdat minder wateroppervlak het albedo van de Aarde verlaagt waardoor de wereldwijde temperatuur stijgt.

 

e) Supernova

De nevel W49B, het restant van een supernova.Een andere mogelijke oorzaak voor de Krijt-Paleogeen-massa-extinctie was kosmische straling veroorzaakt door een nabije supernova. Ook een supernova kan de iridiumanomalie op de Krijt-Paleogeengrens veroorzaakt hebben. Straling van een supernova bevat echter ook sporen van de langst levende isotoop van plutonium, 244Pu met 81 miljoen jaar halfwaardetijd. Omdat bij analyse van het gesteente van de Krijt-Paleogeengrens geen sporen van 244Pu of de elementen waarin het vervalt zijn gevonden, is het niet waarschijnlijk dat een supernova de oorzaak is.

 

f) Combinatie van factoren

In hypotheses die uitgaan van een combinatie van factoren stierven aan het einde van het Maastrichtien soorten uit door verandering en vernietiging van de habitats van die soorten. Klimaatverandering en/of een daling van het zeeniveau zorgde ervoor dat veel soorten hun natuurlijke habitat verloren. Tegelijkertijd zorgde fijn stof dat vrijkwam bij vulkanisme wereldwijd voor een verdroging van het klimaat. De dinosauriërs, de grootste gewervelden uit het Krijt, waren het gevoeligst voor veranderingen in leefomgeving en hun biodiversiteit ging daarom aan het einde van het Krijt achteruit. Op dat moment vond een grote meteorietinslag plaats waarbij zoveel stof de atmosfeer in geblazen werd dat het zonlicht niet meer tot het aardoppervlak doordrong en fotosynthese onmogelijk werd. Dit zorgde voor het instorten van voedselketens die van fotosynthese afhingen, zowel in het water als op het land.

 

Het belangrijkste verschil tussen hypotheses die uitgaan van een combinatie van factoren en hypotheses die slechts één oorzaak aanwijzen is dat ze er van uit gaan dat een enkele factor niet sterk genoeg kan zijn geweest om de massa-extinctie te veroorzaken. Aanhangers van een combinatie van factoren argumenteren bovendien dat het patroon waarmee verschillende soorten uitstierven niet door een enkele factor kan zijn veroorzaakt.