Hoogbegaafdheid

 

 

Hoogbegaafdheid, wat te doen?

Hoogbegaafdheid in combinatie met een leerstoornis

Signaleren

Onderpresteren

Verveling

Verbaal-performale kloof

Compacten, verdiepen en verrijken

 

 

 

Hoogbegaafdheid, wat te doen.

 

Deze leerlingen kunnen opvallen door…

Hoogbegaafde leerlingen vertonen een grote honger naar kennis en nieuwe inhoud. Zonder

veel inspanning pikken ze leerinhouden op. Meestal ontwikkelen ze weinig of geen leer- of

studievaardigheden. Ze vervelen zich snel. Hun intelligentie gebruiken ze soms om problemen te ontwijken. Als hun grote parate kennis en snelle geest niet meer volstaan om voldoende te presteren, kunnen ze faalangst en problematisch uitstelgedrag ontwikkelen.

 

mogelijk zwakke kanten

 

kennishonger

_ stellen veel en onverwachte vragen, lijken

soms problemen te zoeken waar er geen

zijn

_ blijven doorvragen, drammen door

_ haken af bij herhaling en uit het hoofd

leren

_ weinig motivatie voor het klassikale aanbod

leervaardigheden en werkhouding

_ presteren onder hun niveau, wisselende

resultaten

_ onvoldoende aandacht bij lezen van of

luisteren naar instructies

_ weigeren te leren wat ze niet zinvol vinden

_ gebruiken aangeleerde methodes niet

nonchalant, snel tevreden, geven snel op

_ kloof tussen “begrijpen” en “beheersen”

_ afwezig, overweldigd door indrukken, prikkels

of stemmingen

_ zwakke concentratie en fouten bij eenvoudige

opdrachten of herhaling

_ hekel aan routinetaken

_ dromerig, prutsen als gevolg van verveling

sociaal

_ snel uitgesloten, niet begrepen voelen

_ moeilijk contact, vriendschap met leeftijdsgenoten,

integratie in een groep

_ neiging tot domineren, betuttelen

 

 

 

 

 

 

emotioneel

_ clownesk gedrag, agressief gedrag

_ gezag en regels in vraag stellen

_ moeilijk te straffen

_ zwart/wit denken, te ver doordenken

_ faalangst, neerslachtig

algemeen

_ opgaan in eigen leefwereld, overgevoelig

_ ongelijke ontwikkeling van verschillende

vaardigheden

_ thuis ander gedrag dan op school

 

mogelijk sterke kanten

 

kennishonger

_ weet- en leergierig, diep op dingen    doorgaan

_ kennis van eigen interessegebieden is

groot

_ scherp waarnemen en observeren

_ grote denksprongen

_ sterk ontwikkeld creatief/divergent denken

 

leervaardigheden en werkhouding

_ goed geheugen, prestatiegericht

_ sterk redeneervermogen, leggen snel verbanden,

bedenken creatieve oplossingen

_ bij voldoende uitdaging grote vooruitgang

in leren, snel verwerken van veel leerstof

_ snel en graag zelfstandig werken

_ focussen zich sterk bij interesse

_ bij de les blijven, ook al lijken ze niet

betrokken of vertonen ze storend gedrag

_ zich concentreren op meerdere zaken

tegelijk

 

 

 

sociaal

_ sterke en hechte vriendschapsbanden

_ scherp inzicht in relaties en interacties

_ leiderschapskwaliteiten

_ heel goed lichaamstaal lezen

_ sterke onderhandelingsvaardigheden

_ laten zich niet door de groep dwingen

 

 

 

 

emotioneel

_ sterke wil, standvastig, sterke emoties

_ sterk rechtvaardigheidsgevoel

_ goed inlevingsvermogen

 

algemeen

_ verbaal sterk, taalvaardig, of juist sterk

  ruimtelijk -visueel

_ eigen gevoel voor humor

_ perfectionisme

_ overvloed aan ideeën

_ onvermoeibaar

 

 

Wat moet je vooral doen en wat niet?

 

do’s

accepteren

_ Laat voelen dat je in de leerling gelooft.

_ Neem de zorgen en inbreng van ouders ernstig.

_ Aanvaard dat niet alle hoogbegaafden op

dezelfde manier functioneren (verstandelijk,

sociaal, emotioneel, enz. )

_ Luister actief, zelfs als de leerling lijkt door

te drammen.

stimuleren en begeleiden

_ Motiveer en leg nadruk op talenten.

_ Zorg dat de leerling meermaals per dag iets

kan leren.

_ Maak duidelijke afspraken over wederzijdse

inzet en timing.

_ Bied uitdagende opdrachten en inhouden

aan.

_ Leg de lat hoog en maak bij de evaluatie

onderscheid tussen inspanning en resultaat.

_ Leer ‘doorzetten’. Moeilijke opdrachten en

‘veel leerstof’ moeten af en toe!

_ Begeleid teleurstelling bij falen. Deze leerling

heeft faalervaringen nodig!

_ Voorzie dat leerlingen af en toe met elkaar

kunnen werken (b.v. in een kangoeroeklas).

_Waardeer de leerling en daag positief uit.

 

 

 

 

compenseren/dispenseren

_ Vermijd onnodige instructie.

_ Compact (leerstof op kortere tijd aanbieden,

waardoor er ruimte komt voor verdiepen en

verbreden).

_ Verdiep (dieper en anders ingaan op een

onderwerp dan de methode doet).

_ Verbreed (leerstof buiten het reguliere programma

aanbieden).

_ Versnel indien nodig (in versneld tempo

laten doorlopen van de schoolperiode).

_ Beoordeel aanvullende taken en geef feedback.

leren leren

_ Maak de leerling bewust van de eigen leermethodes

en leerstijl. Help die te verbeteren.

Check of de leerling ze ook zo toepast.

_ Leer stilstaan bij belangrijke kernwoorden.

_ Leer de leerling hulp vragen.

_ Check of de opdracht gelezen/gehoord en

begrepen is.

 

don’ts

begeleiding

_ Uitspraken zoals “Als je dan toch zo slim

bent…”.

_ Uitspraken over “de hoogbegaafden”. (Zij

verschillen heel sterk onderling én weten

dat.)

_ Redeneringen afdoen als niet terzake.

_ Levensvragen die de leerling ter sprake

brengt uit de weg gaan.

_ Verwachten dat de leerling bewijst dat hij

een voorsprong heeft.

_ De spontane ontwikkeling van de leerling

afremmen.

_ De leerling buiten de klassengroep plaatsen.

aanpak en begeleiding

_ Meer van hetzelfde: de leerling herhaling na

herhaling laten ondergaan.

_ De leerling niet aan bod laten komen omdat

je weet dat hij het toch al kent.

_ Vrijblijvendheid van aanvullend werk.

_ Denken dat versnellen op zich afdoende is.

_ Er van uitgaan dat de beschikbaarheid van

uitdagend materiaal alleen voldoende is

voor een hoogbegaafde leerling.

_ De leerling als zuiver hulpje inschakelen.

Wel: bijvoorbeeld als coach van medeleerling.

_ Onrealistische verwachtingen stellen (bijvoorbeeld verwachten dat ze al hun problemen zelf kunnen oplossen)

_ Verwachten dat de leerling op alle vlakken

even sterk is.

_ Elk eigen initiatief de kop indrukken.

_ Aanvaarden dat de leerling zich aanpast

aan de gemiddelde klasnorm.

gedrag

_ ‘Waarom? Daarom!’ Wel: uitleg geven bij

geboden en verboden.

_ De leerling als een lastpak benaderen, hem

als storend labelen (dat kan pesten in de

hand werken).

_ De leerling aanmanen ‘gewoon’ te doen.

 

 

 

 

Bron: www.letop.be

 

 

 

HOOGBEGAAFDHEID IN COMBINATIE MET EEN (LEER)STOORNIS - 2X SPECIAAL

 

Deze leerlingen kunnen opvallen door…

Leerproblemen en -stoornissen komen ook voor bij meer- en hoogbegaafde kinderen en jongeren.

Deze leerlingen hebben vaak een disharmonisch intelligentieprofiel met uitgesproken

sterktes en zwaktes. De schommelingen in sterke en zwakke schoolse resultaten zijn groot

en moeilijk te begrijpen.

 

Deze leerlingen kunnen opvallend zwak blijven in:

_ leesvaardigheden en/of spellingvaardigheden (dyslexie, dysorthografie)

_ rekenvaardigheden en/of rekeninzicht (dyscalculie)

_ motorische vaardigheden en schrijfvaardigheden (dyspraxie)

_ geheugenfeiten en vakspecifieke termen en symboolgeheugen (automatiseringsstoornissen,ADD)

_ aandacht- en concentratievermogen (ADD, ADHD, automatiseringsstoornissen)

_ organisatorische vaardigheden (dyspraxie, ADHD, ADD, automatiseringsstoornissen)

_ flexibel denkvermogen (NLD)

_ visueel ruimtelijke vaardigheden (dyscalculie, NLD)

_ sociaal-emotionele vaardigheden (autisme, syndroom van Asperger)

_ impulsiviteitscontrole (ADHD)

 

Anderzijds zijn ze gelijktijdig opvallend sterker in andere, compenserende vaardigheden.

Als een meerbegaafde leerling er ondanks de hoge intelligentie niet in slaagt de leerstoornis

of het leerprobleem te compenseren, zijn de problemen meestal zeer hardnekkig en

moeilijk te remediëren. Onbegrijpelijke schommelingen in resultaten en vaardigheden kunnen

leiden tot een negatieve stempel als ‘dom’ of ‘lui’. De leerling zelf vergelijkt zich met

anderen en komt al heel vroeg tot het bewustzijn dat er iets fout loopt. Gebrek aan begrip en

ondersteuning vanuit de omgeving leidt tot een negatief zelfbeeld.

De kans is groot dat de leerling onterecht in het watervalsysteem terecht komt door een

opvallend tekort in wiskunde of talen. De uitsluiting uit doorstromingsrichtingen doet geen

goed aan de totale persoonlijkheidsontwikkeling van deze meerbegaafde leerling, die juist

veel nood heeft aan contact met soortgenoten én aan intellectuele uitdaging.

De deskundigheid van de onderwijswereld om deze leerling noodzakelijke vaardigheden aan

te leren is in dit geval van groot belang. Teamwerking is hierbij onontbeerlijk. Een sterktezwakte

analyse, in samenwerking met CLB en deskundigen in leerstoornissen, geeft een

begrijpelijker beeld van de pijnpunten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

mogelijk zwakke kanten

_ faalangst is groter en al heel vroeg aanwezig

_ vermijdingsgedrag, psychosomatische

klachten, eenzaamheid en depressie

_ weinig sociale aansluiting, geen peergroup

vinden, meer kans om te pesten of

gepest te worden

 

mogelijk sterke kanten

_ sterk compenserende vaardigheden:

- opvallend taalvaardig, ondanks dyslexie

- opvallend sterk op visueel-ruimtelijk vlak,

ondanks dyscalculie

_ creatief in het bedenken van oplossingen

_ aanleg voor kunst, drama, muziek…

_ sociaal-emotioneel vaardig

_ grote motivatie en doorzettingsvermogen

 

algemene tips

 

do’s

leer- en remediëringsaanbod

_ Blijf eisen stellen, maar bied compenserende

software en hulpmiddelen (tekstverwerker,

spellingcontrole, zakrekenmachine,

enz.) om aan die eisen te kunnen voldoen

_ Bied extra structuur in planning, nota’s,

schema’s en volg dit meer op.

_ Bespreek de problemen met de leerling en

laat meebeslissen over noodzakelijke

acties.

_ Leer foutenanalyse aan: ‘wat ging er fout,

hoe kwam dat, wat kan je verbeteren?’

_ Laat werken met correctiesleutels.

nota’s, examens en toetsen

_ Vul toetsen aan met mondelinge vragen.

_ Stel foutloze nota’s ter beschikking.

coaching van leerling

_ Beklemtoon en blijf investeren in compenserende

vaardigheden.

_ Schakel een medeleerling in als coach.

_ Moedig sterk individueel aan.

teamaanpak

_ Vraag advies en hulp aan het CLB, de problematiek

kan zo ernstig zijn dat je ondersteuning

nodig hebt.

_ Betrek de ouders en overleg regelmatig.

_ Zorg voor een individuele steekkaart met

aandachtspunten en tips die goed werken.

Geef ze aan alle leerkrachten en vul ze elk

jaar aan.

 

don’ts

leer- en remediëringsaanbod

_ Te weinig intellectuele uitdaging aanbieden.

_ Te veel vrijstellen (‘hoeft niet’ –aanpak).

_ Compenserende hulpmiddelen enkel toelaten

bij oefeningen en niet bij examens en

toetsen.

 

nota’s, examens en toetsen

_ Zeggen dat de leerling het kan als hij maar

wil en zich inspant.

_ Problemen pas na examens signaleren.

_ Te snel een bepaalde studierichting uitsluiten.

 

coaching van de leerling

_ Leerling bij zwakke resultaten als ‘lui’ of

‘ongemotiveerd’ bestempelen.

_ Irreële verwachtingen uitspreken.

_ Te lage verwachtingen uitspreken.

_ Geen feedback of feedback zonder aanvullende

tips en ondersteuning om problemen

aan te pakken.

 

teamaanpak

_ Een verschillend beleid of andere maatregelen

en faciliteiten. Wat bij de ene leerkracht

kan, kan bij de andere niet.

_ Alle afspraken via de leerling laten lopen.

_ Te laat signaleren dat er ernstige problemen

zijn, zodat bijsturing niet meer mogelijk is.

 


 

een hoogbegaafde leerling met dyslexie/ dysorthografie

 

mogelijk zwakke kanten

_ veel spellingfouten in alle talen

_ talrijke overschrijffouten, veel fouten in

nota’s in alle vakken (ook wiskunde en

wetenschappen)

_ traag leestempo en/of veel leesfouten

_ moeite met meerkeuzevragen

_ heel zwak geheugen voor woordenschat,

vakspecifieke termen, tijdsbegrippen en

ruimtelijke woordenschat

 

do’s

_ Spellingfiches en oplossingsalgoritmen

leren gebruiken, ook bij examens.

_ Compenserende software leren en laten

gebruiken: leessoftware, spellingcontrole,

elektronische woordenboeken

mogelijk sterke kanten

_ graag en veel schrijven en/of lezen

_ snel kern van de zaak vatten;

_ graag vreemde talen leren;

_ sterker in grammaticale spelling;

_ brede interesse en veel weten;

_ associatief en creatief denkvermogen

_ logisch denkvermogen

 

 

 

don’ts

_ Veel tekst laten overschrijven van bord.

_ Spellingfouten aanrekenen indien niet relevant

voor de taak.

_ Veel onverwacht leeswerk geven op examens

en voor taken.

 

 

een hoogbegaafde leerling met dyspraxie

 

mogelijk zwakke kanten

_ moeilijk leesbaar handschrift, slordig

_ zwakke ordening in tijd (plannen, …), chaotisch

_ zwakke ruimtelijke oriëntatie (bladspiegel,

weg terugvinden, …)

 

do’s

_ Laat de leerling de computer gebruiken bij

alle schrijftaken en meetkundige tekeningen.

_ Lees en beoordeel slordige taken en toetsen

met het nodige begrip en relativiteitszin.

_ Bied leesbare en ordelijke nota’s.

 

mogelijk sterke kanten

_ kan toch complexe opdrachten aan

_ is graag en veel met constructies bezig

_ kan op computer ruimtelijke en meetkundige

opdrachten uitvoeren

 

don’ts

_ Een moeilijk leesbaar handschrift strikt

lezen en beoordelen.

_ Hoge eisen bij taken die sterk steunen op

visueel-ruimtelijke vaardigheden en bij

meetkundige en technische tekeningen

 

 


 

een hoogbegaafde leerling met automatiseringsdyscalculie, geheugendyscalculie/procedurale

dyscalculie

 

mogelijk zwakke kanten

_ heel zwakke rekenvaardigheden (tafels, HR

tot twintig, …)

_ heel zwak geheugen voor symbolen en formules,

frequente omkeringen

_ zwakke vaardigheden in het gebruik van

ZRM en rekentoestellen

 

 

 

do’s

_ Oplossingsalgoritmen en formularia leren

en laten gebruiken, ook bij examens.

_ Compenserende hulpmiddelen leren en

laten gebruiken.

_ Correctiesleutels en ingevulde werkboeken

ter beschikking stellen.

 

mogelijk sterke kanten

_ opvallend logisch inzicht

_ uitstekende visueel-ruimtelijke vaardigheden

_ kan zelf veel efficiënte oplossingsstrategieën

vinden

_ sterke analytische vaardigheden

 

 

 

 

don’ts

_ Zwakke rekenvaardigheden toeschrijven

aan zwak inzicht.

_ Verwachten dat de leerling het tempo van

de klas kan volgen.

_ Veel (remediërings)oefeningen laten maken

die een beroep doen op rekenvaardigheden.

 

 

een hoogbegaafde leerling met visueel-ruimtelijke dyscalculie en/of NLD

(zie ook fiches ‘dyscalculie’ en ‘NLD’)

 

mogelijk zwakke kanten

_ paniek en faalangst bij nieuwe leerstof

_ symbooltaal leren is heel moeilijk

_ procedures, algoritmen en technieken vragen

extra veel oefening, snel verwarring

_ zwakke visueel -ruimtelijke vaardigheden

_ heel zwakke analytische vaardigheden

_ zwak flexibel denkvermogen,

_ onvoldoende wiskundig inzicht

 

 

do’s

_ Via individueel contact sterk aanmoedigen.

_ Inzicht bieden in eigen kunnen en in eigen

sterktes en zwaktes.

_ Individuele coaching bij visueel -ruimtelijke

leerstofonderdelen en visueel ruimtelijke

gegevens verbaal ondersteunen.

_ Compenserende vaardigheden (taal, geheugen,

associatief denken) maximaal benutten

mogelijk sterke kanten

_ na veel oefening goede resultaten

_ dankzij sterk geheugen in staat om veel procedures,

rekenfeiten en trucjes te memoriseren

_ compenserend vermogen in andere vaardigheden

die ‘taliger’ zijn

 

 

 

 

don’ts

_ Onhandigheid in de verf zetten (denk ook

aan de lessen lichamelijke opvoeding en

plastische opvoeding).

_ Onderdelen louter abstract aanbieden.

_ Veel en snel (meetkundige) figuren van het

bord laten overtekenen.

 

 


 

een hoogbegaafde leerling met aandachtsstoornissen en ADD en /of impulsiviteit of ADHD

( zie ook fiche ‘ADD’ en ‘ADHD’)

 

mogelijk zwakke kanten

_ moeilijk om pro-actief taken te plannen, om

tijdig beginnen herhalen

_ storend veel vergeten: afspraken, boeken

en schriften, taken, enz.

_ alles verliezen

_ oneigenlijk gebruik van materiaal, veel prutsen

tot het uiteindelijk stuk is

_ veel meer ongelukken

 

 

do’s

_ Geef direct feedback.

_ Agenda en nota’s controleren, eventueel

zorgen voor een kopie van geordende

nota’s.

_ Beperk het schrijven (laat gebruik maken

van de computer).

_ Afspraken maken op papier, hierbij ouders

en CLB betrekken.

 

mogelijk sterke kanten

_ kan zich concentreren wanneer het onderwerp

hem boeit

_ kan tegelijk zien, horen en doen

_ doet actief pogingen om toch orde te creëren

_ kan naar behoren functioneren in dagdagelijkse

routine

 

 

 

 

dont’s

_ Denken dat de leerling van slechte wil is,

zonder voldoende rekening te houden met

stoornis.

_ Mondelinge afspraken maken, enkel met de

leerling.

_ In discussie gaan over regels en afspraken.

 

 

Een hoogbegaafde leerling met autisme, autismespectrumstoornis, syndroom van Asperger

 

mogelijk zwakke kanten

_ ondanks verbale begaafdheid moeite om op

instructies en verbale boodschappen correct

te reageren

_ ondanks fenomenaal geheugen moeite om

schema’s en regels te onthouden

_ moeilijk inschatten van effect van eigen

gedrag op klasgenoten

 

do’s

_ Agenda en nota’s controleren.

_ Stress helpen beheersen door visuele stappenplannen

en weekplanningen.

_ Oefenen van sociale vaardigheden in een

één op één situatie of in een groepje leerlingen

met hetzelfde probleem.

_ Medeleerlingen als coach inschakelen.

mogelijk sterke kanten

_ verbluffende kennis over onderwerpen in de

interessesfeer

_ toch goed inzicht in figuurlijk taalgebruik

_ toch mogelijk om sociaal gedrag snel te

leren

_ actieve pogingen om toch orde te creëren

_ vaardig in computergebruik

 

don’ts

_ Overschatten omwille van verbale intelligentie.

_ Eindeloos argumenteren of ingaan op strijd

over wie gelijk heeft.

 

 

Bron: www.letop.be 

 

 

 

Signaleren van een ontwikkelingsvoorsprong

 

Bij kleuters spreekt men nog niet van hoogbegaafdheid maar van een ontwikkelingsvoorsprong. Waarom kan men dan nog niet van hoogbegaafdheid spreken:

-         dit is pas vanaf 8-jarige leeftijd betrouwbaar te testen

-         een kleuter ontwikkelt zich sprongsgewijs

-         de ontwikkeling is afhankelijk van zijn directe omgeving

 

Het is erg belangrijk dat men vroegtijdig signaleert of een leerling een ontwikkelingsvoorsprong heeft. Welke factoren kunnen hierbij van belang zijn:

-         intense betrokkenheid

-         “diep” denken (bijv. over leven en dood)

-         empathisch vermogen (zich goed kunnen inleven in de situatie van een ander)

-         kennishonger

-         logisch denken

-         creërend vermogen

-         fantasierijk

-         aanpassingsvermogen (hierdoor kan al op jonge leeftijd het onderpresteren ontstaan)

-         meer geïnteresseerd in cijfers en letters

-         sterk geheugen

-         gevoel voor humor

- spraak-taalontwikkeling:

-          spreekt duidelijk en heeft een goede zinsbouw.

-    heeft een grote woordenschat.

-          gebruikt veel moeilijke woorden.

-          heeft een goed geheugen.

-          heeft een brede belangstelling.

-          vertelt veel in de groep op een ontspannen manier.

-          reageert op andere leerlingen.

-          kan verhalen goed weergeven.

-          legt de goede verbanden

- sociale-emotionele ontwikkeling:

-          speelt goed met leeftijdgenoten maar trekt ook veel met oudere kinderen

-          neemt initiatief

-          open naar de leerkracht

-          zelfstandig

-          kan goed samenspelen

-          perfectionistisch

 

 

- werkhouding:

-          begrijpt opdrachten snel

-          een hoog werktempo

-          is gemotiveerd

-          kijkt kritisch naar zijn eigen prestaties

-          heeft een grote spanningsboog

-          stelt eisen aan zichzelf

-          is teleurgesteld als iets niet lukt zoals hij het wil

 
 

Signaleringsinstrument

Het SI-DI protocol geeft enerzijds veel informatie over kenmerken van (hoog)begaafde kinderen en is anderzijds een goede leidraad om in de eigen schoolsituatie tot een professioneel signalerings-en diagnosebeleid te komen.

Uitgangspunt is:

o        signalering, waarbij naar alle kinderen wordt gekeken

o        diagnose, waarbij onderzoek in een beperkte groep wordt voortgezet

Er wordt verder gekeken dan alleen een hoog IQ. In SI-DI wordt inzicht gegeven in de diverse aspecten en persoonlijkheidskenmerken en intelligenties van kinderen, waarbij de rol van creativiteit in het handelen en in de prestaties wordt meegerekend.

(Hoog)begaafdheid

In het moderne onderwijs is ‘omgaan met verschillen’ een centraal thema geworden.
(Hoog)begaafdheid is één van de factoren, waar leerkrachten op school rekening mee moeten houden.
Wat is het beste voor het kind met een zeer hoog IQ, maar met een ernstig gebrek aan structuur in studievaardigheden? Hij kan het, maar het komt er absoluut niet uit…

Hoe om te gaan met het kind, dat door de druk van de omgeving, zo faalangstig is geworden, dat het niets meer durft te presteren? Het functioneert op een te laag niveau om maar niet op te vallen…

Wat te doen met het kind, dat zo anders denkt en voelt, dat het in een sociaal isolement terecht is gekomen? Het heeft geen vriendjes en durft geen contacten te leggen, omdat het al op drie scholen is weggepest…

Wat doe je met de kleuter van nog geen vier, die al kan lezen en schrijven?

Begaafdheid is veelal geen luxe, ook al lijkt dat voor de buitenwacht wel zo. Kinderen met begaafdheidsproblemen zijn meestal moeilijke kinderen. Voor zichzelf, voor de omgeving en voor de samenleving. Het onderwijs heeft tot nu toe op onvoldoende wijze aandacht besteed aan deze vaak zeer talentvolle kinderen. Die aandacht behoort er te komen: niet alleen voor het welzijn van de samenleving, maar vooral ook voor het welzijn van de (hoog)begaafde kinderen.

Met behulp van de SI-BeL observatielijst voor het identificeren van (hoog)begaafdheid kun je op een praktische wijze een beeld krijgen van de (hoog)begaafde leerlingen.

 

Hoe zit het SI-Bel pakket in elkaar?

Het SI-BeL pakket bestaat uit drie delen:

Deel 1 Achtergrondinformatie over (hoog)begaafdheid
Deel 2 De SI-BeL observatielijst
Deel 3 Kopieerbladen

Hoe werkt de SI-Bel?

Via vier stappen
Stap 1: Algemene signalen,
Stap 2: De observatielijst invullen,
Stap 3: Verwerken in een grafiek,
Stap 4: Het Identificatieverslag,

geeft de SI-BeL inzicht in (hoog)begaafdheid ten aanzien van de volgende onderdelen:

Een snelle signalering (met behulp van signaleringsinstrumenten), een goede diagnose en inspelen op de (cognitieve) behoeften van het kind, zal ervoor zorgen dat een kind ook sociaal-emotioneel goed zal gedijen.

 

 

Onderpresteren:

 

DAT KAN BETER! 

 

 

In de klas

Hans kan beter. Van Kaat weet niemand dat ze beter kan.

Hans haalt behoorlijk goede resultaten. Maar hij heeft ook de reputatie niet het onderste uit de kan te halen. Als hij zich toch maar eens wat meer zou inspannen…

Kaat is een modelleerling. Ze is altijd behulpzaam, haar schriften zijn prima in orde. Kaat is sociaal, ze heeft een boel vriendinnen. Haar schoolresultaten zijn vrij goed. Toch signaleren de ouders dat ze zich grote zorgen maken over het welbevinden van hun dochter. Kaat is ’s avonds thuis vaak overstuur.

 

‘Onderpresteren’ is (langdurig) minder presteren dan wat op basis van de mogelijkheden van de leerling verwacht mag worden. Soms gaat het om hoogbegaafde kinderen die werken en scoren op toetsen zoals de "gemiddelde" leerling. Zij presteren onder hun eigen niveau, maar vallen niet buiten de groep. Andere leerlingen presteren ver beneden het groepsniveau en de eigen capaciteiten.

 

Oorzaak

Verschillende (combinaties) van oorzaken zijn mogelijk:

 

      zelfbeeld/herhaald falen/...

      toch de eigen (te hoge?) normen niet halen

 

Stoornis

Kan voorkomen bij hoogbegaafdheid, hoogbegaafdheid in combinatie met een (leer)stoornis, schoolmoeheid, dyslexie, dyscalculie, dyspraxie, NLD, ADD, ADHD…

 

 

Als je zo goed en snel kunt leren, verwacht je eigenlijk dat er op school weinig tot geen problemen met (hoog)begaafde kinderen zullen optreden. Dat geldt echter niet voor alle (hoog)begaafde kinderen. 

Het huidige onderwijs is te veel afgestemd op een klas ‘gemiddelde leerlingen’ met wat extra aandacht voor leerlingen die minder dan gemiddeld presteren en (nog) praktische geen aandacht voor kinderen die boven gemiddeld presteren. De verrijkingsstof die wordt aangeboden is vaak onvoldoende voor de (hoog)begaafde leerling, omdat het met name bedoeld lijkt om tempoverschillen op te vangen en minder gericht is op het bieden van uitdagende leerstof op een moeilijker niveau. Binnen klassikaal onderwijs bestaat bovendien vaak niet de mogelijkheid om in eigen tempo door de leerstof heen te werken. Omdat (hoog)begaafde kinderen in het huidige onderwijs vaak te weinig op zijn niveau wordt aangesproken, lopen deze kinderen een groot risico om gedemotiveerd te raken, met gedragsproblemen als gevolg. 

De meest voorkomende problemen bij hoogbegaafde kinderen zijn:

Onderpresteren

Als een kind langdurig onder zijn niveau wordt aangesproken, kan dit tot gevolg hebben dat het kind zijn motivatie om te leren verliest en zich niet langer inspant bij het uitvoeren van taken, met als gevolg onderpresteren.
Onderpresteren is te omschrijven als een verschil tussen de schoolprestaties van het kind en de prestaties die op grond van zijn werkelijke capaciteiten verwacht zouden mogen worden. Het onderwijsaanbod op de meeste scholen maakt dat (hoog)begaafde kinderen eigenlijk voortdurend onder hun eigen niveau presteren. Wanneer deze situatie lang voortduurt, kan dit ertoe leiden dat de kinderen uiteindelijk zelfs onder het niveau van de groep gaan presteren.

Hoogbegaafde kinderen kunnen denklui zijn en gaan dan onderpresteren. Onderpresteerders zijn koplopers die geen koploper willen zijn omdat ze dan alleen zijn. Dus houden ze een stapje in om mee te lopen met de rest van de klas. Kinderen die behoefte hebben aan vriendschap kunnen denklui zijn (soms zijn ze gewoon lui), maar de meeste kinderen worden lui.

 

Onderpresteren kan op drie verschillende manieren:

-         De meeste onderpresteerders doen dat op een manier die het minst opvalt, zij passen zich aan het klassengemiddelde aan. Bij een hoger klassengemiddelde presteren zij nog redelijk goed. Bij een laag klassengemiddelde presteren zij zwaar onder hun niveau.

-         Bij de tweede vorm van onderpresteren functioneert het kind boven het klassengemiddelde, maar toch onder zijn eigen niveau. Ook dit is een vorm van aanpassen. Deze kinderen zal men niet gauw een onderpresteerder noemen want ze behoren immers bij de besten van de klas.

-         De derde en meest ernstige vorm is zodanig presteren dat het kind onder het klassengemiddelde gaat presteren. Toch heeft dit kind, relatief gezien, nog de meeste kans om “ontdekt” te worden. Bij deze kinderen zie je vaak een grote discrepantie tussen het mondelinge en schriftelijke taalgebruik. Het handschrift is vaak slecht ontwikkeld en het kind beschikt over een matige concentratie. De ouders hebben het idee dat hun kind op school veel beter zou kunnen presteren dan dat het doet. Naarmate het kind langer op school is kunnen de matige resultaten vergezeld gaan van gedragsproblemen. Het kind kan zich in de klas als stoorzender gaan gedragen.

Er zijn enkele oorzaken waardoor onderpresteerders kunnen ontstaan:

De meeste onderpresteerders zien het niet meer zitten, ze zijn moedeloos. Ze hebben geen interesse meer in een carrière, als ze de school maar doorkomen. Meestal gaan ze op latere leeftijd weer bijleren.

Hoe kun je nu op school die intellectuele verveling tegengaan?

Doordat het kind te weinig te doen heeft en zich onvoldoende hoeft in te spannen, kan verveling optreden. Deze verveling kan vervolgens weer leiden tot allerlei vormen van probleemgedrag. Het kind gaat andere kinderen van hun werk afhouden of vraagt overdreven veel aandacht van de leerkracht.Straffen werkt averechts. Ze vervelen zich nl. Hetzelfde huiswerk nog een keer maken werkt ook niet.

De interesse en motivatie van de kinderen moet weer tot leven gewekt worden. De makkelijkste huiswerkopgaven lijken ze niet te beheersen. Vervelende ervaringen verdringen ze. Bij een subtest moet je eigenlijk na 4 foute antwoorden stoppen. Dat moet je dus niet doen want anders kom je nooit achter de onderpresteerders. Onderpresteerders doen nl. de heel makkelijke opgaven goed, het middenstuk meestal niet goed, omdat dat niet interessant is en de moeilijke/leuke opgaven weer goed. Het hoogbegaafde kind heeft feedback nodig en er moet een vertrouwensband zijn op school met een leerkracht. Is dat er niet dan zal het kind de school niet leuk vinden. Wat bijvoorbeeld een leraar maakt tot een echte leraar is iemand die nablijft voor het kind om ermee te praten. Deze leraar zal ook het vertrouwen van het kind genieten. Het is nodig om de begeleiding persoonlijk te houden. De hoogbegaafde kinderen zijn mild naar school toe als ze maar vertrouwen hebben. Het is daarom ook heel belangrijk hoe er met deze kinderen wordt omgegaan.

Perfectionisme en faalangst komen veel voor onder (hoog)begaafde kinderen. Het kind heeft onvoldoende geleerd hoe het is om fouten te maken. Daardoor stelt het te hoge eisen aan zichzelf en weigert bepaalde taken omdat het bang is dat het iets niet direct goed zal doen. Ook kan het gebeuren dat het kind een taak bewust op een laag niveau uitvoert (‘zie je nou wel dat ik dit niet kan’)

Ook in sociaal opzicht kunnen (hoog)begaafde kinderen in de problemen komen. (Hoog)begaafde kinderen zijn op het sociale vlak vaak rijper dan hun leeftijdgenoten. Doordat ze andere verwachtingen ten aanzien van relaties hebben en andere interesses, krijgt het kind geen aansluiting bij leeftijdgenoten. Hierdoor kan het kind sociaal geïsoleerd raken. Er wordt vaak beweerd dat zo’n kind dan in emotionele problemen komt als het versnelt. Dat is niet waar. Hoe eerder het kind bij geestelijk gelijken komt, hoe beter het zal leren omgaan met de mensen om zich heen.

Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat (hoog)begaafde kinderen wel degelijk problemen kunnen ondervinden op school. Het is dan ook belangrijk deze kinderen zo snel mogelijk te signaleren deze problemen zoveel mogelijk voorkomen en opgelost kunnen worden. Een onderpresterend (hoog)begaafd kind is echter moeilijk te signaleren. Op grond van een aantal specifieke kenmerken kunnen deze leerlingen toch worden opgespoord. In de literatuur worden de volgende kenmerken van een onderpresteerder genoemd:

 

Signaleringslijst onderpresteerders:

-       lage test/toetsresultaten

-       slechte werkhouding, laag werktempo

-       presteert op of onder niveau in lezen/taal/rekenen

-       dagelijks schoolwerk niet of slecht af, inclusief huiswerk

-       superieur in onthouden en begrijpen van begrippen (eventueel selectief)

-       grote kloof in kwaliteit tussen schriftelijk en verbaal werk

-       grote feitelijke kennis

-       grote fantasie, creativiteit, verbeelding, is inventief

-       voortdurend ontevreden met geleverd werk, ook in de creatieve vakken

-       probeert nieuwe activiteiten te vermijden, is perfectionistisch, wil   mislukkingen voorkomen.

-      toont initiatief in het voortzetten van eigen keuzeprojecten

-        heeft brede interessegebied en mogelijke deskundigheid op een bepaald gebied.

-        toont negatieve zelfwaardering door terugtrekken of agressief gedrag.

-        functioneert niet gemakkelijk en/of constructief in een groep

-        heeft onrealistische zelfverwachtingen, te hoog of te laag

-        geeft blijk van scherpzinnige, sensitieve gevoeligheid en waarneming van problemen ten opzichte van zichzelf, anderen, levensvraagstukken, waaruit blijkt dat hij/zij ver vooruit is

-        geen voldoening over leerstofaanbod, houdt niet van stampen, geheugenwerk.

-        is gemakkelijk afleidbaar, matige concentratie

-        onverschillige of negatieve houding t.o.v. school

-        biedt weerstand tegen pogingen van de leerkracht om hem/haar te motiveren

-        heeft moeilijkheden in vriendschapsrelaties en sluiten van vriendschappen

-        lijkt lui, zich te vervelen, is met andere dingen bezig, maar weet bij navraag toch waar de les over gaat.

-       slordig, maakt onnodige fouten (met name in voor hem makkelijke taken)

-        geeft bij moeilijkere vragen vaak een goed antwoord

-       heeft kennis over (onderdelen van) leerstof die nog niet behandeld is

-       vertoont neergaande lijn in prestaties.

Juist bij onderpresteren is een gesprek met ouders erg belangrijk. Vaak is er een verschil tussen het functioneren thuis en op school. Ook gegevens over de vroege ontwikkeling en mogelijke hoogbegaafdheid bij broers of zussen kunnen de school op het spoor zetten van mogelijke (hoog)begaafdheid.

Een intakeformulier kan helpen om al op jonge leeftijd een goed beeld van een kind te krijgen. Hierin kunnen nl vragen over de houding van het kind in de thuissituatie gesteld worden. (interesse, hobby’s, motorische ontwikkeling enz.)

Onderpresteerders zijn gefrustreerde genieën!

 

Plan van aanpak voor onderpresteerders:

1.       Het nauwkeurig in kaart brengen van de beginsituatie van de desbetreffende

leerling. Gebruik makend van:  -    gegevens van de leerkracht

-          gegevens van toetsen door de IB-er afgenomen

-          gegevens van de ouders

2.      Samen met het kind bekijken op welk gebied het kind nog wel interesse heeft. Dit gaat niet direct om schoolse zaken te gaan maar kan om een speciale hobby of speciale belangstelling in de thuissituatie gaan. Samen met de leerling kan dan een plan gemaakt worden om deze activiteit de school in te halen. Je laat de leerling zelf de doelen bepalen en geeft aan op welke gebieden je hem kunt ondersteunen en wat de mogelijkheden binnen de school zijn.

3.      Daarna bied je de leerling de gelegenheid om een half dagdeel aan deze door hem gekozen activiteit te werken. Dit kan het beste aan het begin van een dagdeel gebeuren. De rest van de dag werkt de leerling aan zijn aangepast programma. Probeer hierbij voorzichtig eisen te stellen bijv. door aan te geven dat een onderdeel dat op die dag gepland staat, geheel afgerond moet zijn en dat de kwaliteit ervan goed moet zijn. Wel duidelijk aangeven wat je onder “goed” verstaat.

4.      Hierna worden de eisen aan de leerling langzaam opgeschroefd. Daar kun je een    

beloningssysteem tegenover zetten er kan bijv. een strippenkaart of iets dergelijks gebruikt worden.

Als de leerling de vooraf vastgestelde taken naar behoren heeft afgerond kan de strippenkaart gebruikt worden. Iedere strip is goed voor een half uur computeren of werk naar keuze. Voorwaarde is dat de leerling tijdens zijn keuzemomenten anderen niet stoort met zijn gedrag of zelfgekozen werk.

Als het geplande werk aan het einde van de week niet af is, kan men de afspraak maken dat het werk dan mee naar huis gaat. Dit kan alleen in samenspraak met de ouders.

5.      Als de motivatie van de leerling verbetert, wordt het onderwijsaanbod langzaam 

teruggebracht naar het regulier onderwijsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen. Dat wil zeggen dat de hoeveelheid werk en de eisen die je daaraan stelt overeenkomen met de capaciteiten van de leerling. Dit is ook het moment waarop je met de leerling in gesprek kan gaan over het ‘onderpresteren’.  Na enig doorvragen zal het kind aangeven, dat de stof saai was, te lang moest wachten op medeleerlingen en zich dood verveelde. Je kunt met de leerling afspraken maken hoe de leerling je benadert als de verveling weer dreigt toe te slaan.

6.      Als er meerdere begaafde leerlingen in de groep zitten is het goed om ze samen

laten werken zodat ze zich met ontwikkelingsgelijken kunnen identificeren. Maar ook met kinderen van een ander ontwikkelingsniveau samen laten werken om te voorkomen dat ze buiten de groep vallen.

 

VERVELING. 

WANNEER MAG IK IETS LEREN?

 

In de klas

Thomas zit te wiebelen op zijn stoel en kijkt voortdurend op de klok. Hij maakt droedels als de leerkracht uitleg geeft. Vaak geeft hij storende en zelfs brutale opmerkingen. Hij weet het soms beter dan de leerkracht. Af en toe droomt Thomas helemaal weg. Dan luistert hij niet naar wat de leerkracht vertelt en ook die ene belangrijke opmerking heeft hij dan niet gehoord. Zijn taken zijn geregeld niet afgewerkt en vertonen opvallende fouten.

 

Oorzaak

Wanneer een leerling de leerstof die aangeboden wordt meestal al kent, slaat de verveling toe. De leerling heeft te weinig te doen, moet zich onvoldoende inspannen en wordt onvoldoende uitgedaagd. Hij voelt zich niet betrokken bij het klassengebeuren. Verveling kan vervolgens weer leiden tot allerlei vormen van probleemgedrag. De leerling gaat andere leerlingen van hun werk afhouden of vraagt overdreven veel aandacht van de leerkracht. Vaak past de leerling zich echter aan, legt zich neer bij de vele herhalingen en verwacht op den duur  niets nieuws meer. Dan ontstaat het risico op onderpresteren.

 

Stoornis

Kan voorkomen bij hoogbegaafdheid, hoogbegaafdheid in combinatie met een (leer)stoornis.

9

Enkele mogelijke maatregelen.

Stimuleren en accepteren

      die leermomenten gaan komen.

      vraag, maak oogcontact. Controleer of de instructie begrepen is en de leerling

      aan het werk gaat.

      de klassenkrant, dierenverzorging, de schoolmoestuin ...)

Compenseren en dispenseren

      de leerstof al grondig gekend is).

      evalueer en beoordeel deze extra taken. Stel concrete eisen ( tijdsplanning,

           netheid, correct en volledig werk).

           de computer.

 

 

 

Verbaal - performaal kloof

Bij een intelligentietest worden een aantal vaardigheden getest, die gegroepeerd kunnen worden:
a) Verbaal ----------> het redeneren in woorden of woordsymbolen.
b) Performaal -------> het gedeelte waar je handelend optreedt, zonder talige ondersteuning.

Als de kloof tussen de verbale score en de performale score groter is dan 12 punten, dan heeft het kind een (min of meer) groot probleem.
Bij een score van 110 (verbaal) en 90 (performaal) wordt de kloof als ernstig ervaren. Bij een kloof van 152 (verbaal) en 131 (performaal) wordt de kloof onterecht als niet ernstig ervaren op grond van de relatief hoge performaalscore.

Er zijn een aantal gedragskenmerken, die voorkomen bij hoogbegaafde kinderen met een verbaal - performaal kloof, waarbij het niet uitmaakt, of de verbale score hoger is, of de performale score:

Als de verbale score hoger is dan de performale:

Als de performale score hoger is dan de verbale:

Het probleem ontstaat als het kind een opdracht krijgt, of een handeling in woorden om moet zetten.
De informatie wordt niet uitgewisseld (transfer). Er ontstaat geen beeld en juist dat beeld is het instrument. Door het kind de dingen zelf onder woorden te laten brengen (verbaliseren), ontstaat er een scherp beeld.
Verbaliseren ------> visualiseren -----> transfer.
Een beeld bestaat uit drie onderdelen: symbool, betekenis, gevoelswaarde.

Zowel het verbale gedeelte als het performale gedeelte heeft een eigen input en output. Geef je een verbale ingang bij een performaal gedeelte, dan krijg je 'kortsluiting'.
Hetzelfde gebeurt als je een performale ingang gebruikt en je een tekst-output verwacht.

 

Wat kun je doen, als er sprake is van een verbaal - performaal kloof?

 

Dit kind kan goed redeneren en weet precies hoe het er uit moet zien. Als het kind aan het werk gaat, komt er niets van terecht. Ze stoten heel vaak hun neus en daar worden ze zeer machteloos en gefrustreerd van.
Ze zijn dan CHRONISCH BOOS.

Ook loopt het kind een heel groot risico, om een (zeer) laag zelfbeeld te krijgen. Immers: je denkt de dingen uit op verbaal (hoger) niveau, maar voert ze uit op performaal (lager) niveau.

 

 

Aanwijzingen m.b.t. compacten, verdiepen en verrijken

 

Ten aanzien van elke leerling moet men in staat zijn om na een signalereing en diagnosticering antwoord te geven op de volgende vragen:

 

·         Welk niveau van leerstof kan de leerling aan?

·         Is er sprake van hoogbegaafdheid of begaafdheid?

·         Op welke gebieden moet zo’n individuele leerlijn aangeboden worden?

·         Is de leerling gemotiveerd om te presteren? Is deze factor stabiel?

·         Kan een leerling zelfstandig werken en welke factoren lijken dit te beïnvloeden?

·         Kan een leerling planmatig en doelgericht werken en problemen oplossen?

·         Wordt het denken van de leerling gekenmerkt door creatieve probleemoplossing?

·         Is de leerling flexibel in zijn denken?

·         Spelen er externe risicofactoren zoals plezier hebben in school,

zelfbeeld?

·         Spelen er externe risicofactoren in de omgang met anderen?

 

Met het antwoord op deze vragen kan men een leerlijn voor de leerling uitzetten en kan men materialen, die passen bij de ontwikkelingsbehoeften, werkwijze en interessen van de leerling.

Tevens heeft men een duidelijk beeld van eventuele risicofactoren, die extra aandacht behoeven.

 

 

Waarom is de reguliere leerstof ontoereikend voor de (hoog)begaafde leerling?

 

( let op dat veel begaafde top- down leren; niet alle stappen moeten vanaf het laagste niveau worden aangeboden)

 

 

Waaraan moet leerstof voor de begaafde leerling wel aan voldoen?

 

 

Afhankelijk van de keuzes die de school maakt, kan de school kiezen uit de volgende wegen:

 

  1. de school kan ieder kind apart benaderen en ieder kind zijn eigen leerprogramma geven. Het impliceert echter een enorme tijdsinvestering, die voor ieder individueel kind herhaald zal moeten worden. Het is belangrijk om niet alleen de eindtermen per leerstofjaarklas van de reguliere lesstof vast te stellen, maar ook de einddoelen van het verrijkingsonderwijs.
  2. de school kan een schoolbreed compactings- en verrijkingspakket aanbieden. In deze situatie gaat het team twee of drie leerstofgebieden compacten.
  3. de school kan naast de bestaande materialen een verrijkingsprogramma maken. Ook hier kan per individueel kind een traject afgelopen worden, maar men kan er ook voor kiezen een schoolbreed programma te maken.

Er zijn drie opties voor een verrijkingsprogramma:

    1. leerstof, die zuiver een verbreding en verdieping is van de reguliere lesstof
    2. leerstof, die buiten het curriculum van het basisonderwijs valt
    3. een combinatie van beide opties kiezen.

 

 

 

Compacten:

-          het comprimeren van de reguliere leerstof tot een zodanige omvang dat alleen nieuwe aspecten en de daarbij minimaal benodigde inoefenstof wordt aangeboden.

Een structurele opzet hiervan vraagt aanvankelijk een behoorlijke tijdsinvestering, maar gaat mee voor de duur van een methode.

 

Verdiepen:

-          het aanbieden van leerstof, die een uitbreding vormt op onderwerpen of vakken die een onderdeel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod van een school

 

Verrijken:

-          het aanbieden van leerstof die onderwerpen of vakken behandelt die normaal gesproken geen onderdeel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod.

 

In het beleidsplan omschrijft men de basisprincipes die de school toepast op alle gebruikte methoden. Er wordt dus beschreven hoe de leerkracht te werk kan gaan bij het compacten van de methodegebonden leerstof.

Bijv. de methodegebonden toetsen vooraf afnemen en aan de hand van deze resultaten bepalen welke leerstof door de leerling nog gemaakt moet worden

Een ander basisprincipe is dat de leerkracht herhalingsoefeningen of oefenstof bedoeld voor kinderen die extra oefenstof nodig hebben, weglaat.

 

 

Richtpunten bij het compacten zijn:

 

Richtpunten bij het aanbieden van extra leerstof.

Mate van zelfstandig werken aspect; moeilijkheidsgraad; beschikbaar van antwoordenboekjes;

 

De school moet oog krijgen  voor de problematiek van het hoogbegaafde kind, maar het hoogbegaafde kind moet zelf ook inzicht krijgen in deze problematiek.

Dit alles kan bevorderd worden door in de eerste plaats deze kinderen te aanvaarden, zoals ze zijn. Herkenning en erkenning zijn daarbij sleutelwoorden.

 

Rekening houdend met het bovenstaande kan de school de volgende uitgangspunten hanteren:

1.       hoogbegaafde kinderen laten we samenwerken in homogene

     ( ontwikkelingsgelijke) groepen om zich met andere kinderen te kunnen

     identificeren, en in heterogene ( ander ontwikkelingsniveau) groepen om te

      voorkomen dat zij buiten de groep vallen;

2.      hoogbegaafde kinderen moeten voldoende uitgedaagd worden en gemotiveerd blijven;

3.      opdrachten voor deze leerlingen moeten veelal gekoppeld zijn aan de opdrachten van de klas, of hun inspanningen moeten naar de klas toegespeeld worden, bijvoorbeeld het geven van presentaties over bereikte resultaten;

4.      er moet rekening gehouden worden met eventuele dyssynchroniteit ten aanzien van hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling.

 

Ten slot is het ook van belang om rekening te houden met het feit dat er natuurlijk grote verschillen bestaan tussen álle kinderen, óók op het terrein van de sociale -emotionele ontwikkeling. Wanneer kinderen afwijken van de norm, die u als leerkracht of de school heeft, wil dit niet zeggen dat er ook inderdaad een probleem is.

 

Onderbouw.

Bij het compacten en verdiepen en verrijken van leerstof in de onderbouw groepen moet goed in de gaten gehouden worden, dat deze kinderen een logische opbouw behouden in het aanbod van de leerstof; en dat er nog voldoende tijd wordt genomen om het automatiseringsproces van basisgegevens in te slijpen. Het zal alleen wat minder tijd nodig hebben als de gemiddelde leerling.

 

 

 

Extra uidaging moet gevonden worden in het maken van kleine werkstukken, maar ook hier geldt, let op de variatie.

-          niet altijd laten schrijven maar het maken van tekeningen, of foto’s of plaatjes zoeken  zijn prima alternatieven.

-          Een poppenkastverhaal maken met alles wat er mee te maken heeft, is ook een prima invulling van de extra tijd. De inspanningen komen ook ten goede aan de groep.

-          Extra bouwopdrachten – mozaiekopdrachten. Laat daar weer een bouwtekening voor de klasgenootjes van maken.

-          Een hoorspel maken op band.

 

 

 

Voorbeelden van compacten in samenhang met verdiepen of verrijken

 

Spelling

 

                                                 Methode  Taalactief.

compacten

        verdiepen

            verrijken

 

Voorbeeld 1:

 

-          geen signaaldictees afnemen

-          oefenstof beperken tot de belangrijkste stukken.

-          Controle dictee afnemen

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit de volgende oefeningen:

-          een verhaal schrijven gebruikmakend van zoveel mogelijk woorden van het woordpakket

-          maak rijmparen van de woorden

-          maak van elk woord een omschrijving

-          maak een woordschilderij van de 10 moeilijkste woorden

-          zijn er spreekwoorden bij de woorden te vinden?

-          maak een kwartetspel van de woorden van verschillende woordpakketten

-          maak een oefenkaart voor je medeleerlingen

-          maak een woordzoeker voor je medeleerlingen

-          c.d. roms m.b.t. spelling

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze m.b.t. creatief schrijven.

-          werkboeken van Ajadact

wie schrijft, die blijft

-          methode/ kopieerband:

Stel je kunt het wel.

 

Schoolniveau:

Bij deze keuze is het belangrijk om goede afspraken te maken welke extra stof bij welke jaargroep hoort en gebruikt kan worden.

 

Klassenniveau:

Daarnaast voor elke leerling goed vastleggen welke opdrachten er zijn gemaakt en met welk resultaat.

Voorbeeld 2:

 

-          geen signaal dictees afnemen

-          van te voren het controle dictee afnemen.

-          N.a.v. het resultaat van het controledictee gerichte oefenstof aanbieden

-          óf verdiepen óf verrijken bij goed resultaat; geen oefenstof aanbieden.

 

Taal

                            Methode taal actief / taaljournaal

  Compacten

   Verdiepen

   Verrijken

Voorbeeld 1.

 

-          per blok bekijken welke lessen

     ( taalbeschouwing) de

      begaafde leerlingen

      moeten maken en

      welke oefenstof

      weggelaten kan

      worden.

-          Afspraken maken voor de lessen Luisteren en Spreken

-          Na elk blok de toets afnemen gelijk met de rest van de groep.

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze van extra uitdagender oefenstof.

 

Mogelijkheden:

-          taaltoppers ( gr. 6 t/m/8)

-          stenvert taalblokken taalmeesters ( gr. 6 t/m 8)

-          werkboeken van Ajodact m.b.t. taalbeschouwing

-          rondom het thema een verhaal laten schrijven.

-          Rondom het thema een woordschilderij laten maken eventueel in combinatie met een collage

-          Plustaken Taal

-          Cd. Roms m.b.t. taal

 

Schoolniveau:

-          goede afspraken maken welke materialen in welke groep gebruikt kunnen en mogen worden.

Klassenniveau:

-          Zorg voor een goede registratie van activiteiten van de leerling

-          Zorg voor voldoende variatie.

 

De vrijgekomen tijd besteden aan werkstukken,

mogelijk n.a.v. een thema.

-          vriendschap

-          post

 

-          kinderboeken

maak een top vijf van de meest gelezen boeken in je groep

 

-          hoe wordt een tijdschrift gemaakt?

Maak hier een strip van!

 

-          moderne communicatie

zoek plaatjes, die een historisch overzicht geven

 

-          eigen keuze onderwerp

 

 

klassenniveau:

-          een goede registratie van activiteiten door de leerling is belangrijk.

-          Zorg voor voldoende variatie.

 

Voorbeeld 2.

 

-          per blok van te voren de eindtoets afnemen voor de lessen taalbeschouwing.

-          N.a.v. deze resultaten bekijken welke oefenstof de leerling nog moet maken / oefenen.

-          Bij goed resultaat overstappen op verdiepen of verrijken.

-          afspraken maken m.b.t. de lessen Luisteren en Spreken.

 

 

 

 

Rekenen.

                              Methode   Wereld in Getallen

        Compacten

        Verdiepen

     Verrijken

Voorbeeld 1.

-          per blok bekijken wat de kern van de leerstof is.

-          Welke oefenstof is belangrijk? Schrappen van overbodige oefenstof.

-          Houd ik een logische opbouw van de leerstof vast?

-          Schrappen van herhalingsstof

-          Aanbieden van extra / plustaken

Eindtoets afnemen gelijk met de groep

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit:

-          plustaken rekenen

gr. 3 t/m 8

-          rekentoppers gr. 6 t/m/ 8

-          werkboeken van Ajodact

-          opdrachten van kennisnet / rekennet

-          somplex

-          VOORUIT rekenopgaven

-          stenvert rekenbloks realistisch rekenen

gr. 3 t/m/8   

-          c.d roms m.b.t. rekenen Schoolniveau:

 

-          goede afspraken maken welke materialen in welke groep gebruikt kunnen en mogen worden

 

 

Klassenniveau:

-          Zorg voor een goede registratie van activiteiten van de leerling

-          Zorg voor voldoende variatie.

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit:

-          wiskunde opgaven

werkboeken vierkant voor Wiskunde

-          opgaven van internet m.b.t. wiskunde

-          project Bolleboos.

-          VOORUIT opgaven

-          stenvert rekenbloks

      rekenmeesters

      gr. 3 t/m 8

 

klassenniveau:

-          een goede registratie van activiteiten door de leerling is belangrijk.Zorg voor voldoende variatie.

 

 

Voorbeeld 2.

-Per blok van te voren de eindtoets aanbieden.

 

-N.a.v. de resultaten de oefenstof aanbieden; let op niet teveel oefenstof aanbieden; schrappen van herhalingsstof; aanbieden van plustaken

 

-Gedeelte van de eindtoets opnieuw aanbieden.

Bij kinderen uit de hoogste groepen kun je ook voorstellen dat zij zelf een selectie maken uit de oefenstof en dit de leerkracht voorleggen.

 

Schoolniveau:

- afspraken vastleggen voor de hoeveelheid oefenstof

bijv.

eindtoets bijna goed

       ¼ van de oefenstof eindtoets voldoende

       ½ oefenstof

eindtoets onvoldoende

       leerkracht selecteert alle belangrijke oefenstof in beperkte mate.

 

Klassenniveau:

-          een goede registratie van de resultaten van de leerling.

 

 

 

 

Wereldoriëntatie

                                   Methode GEOBAS

 Compacten

Verdiepen

Verrijken

Hoofdlijn in de methode:

 

Gr. 6 Nederland met zijn provincies;

Gr. 7  Europa met specifieke

Landen.

Gr. 8 werelddelen met specifieke landen

 

Bekijk per hoofdstuk welke vragen interessant zijn voor de begaafde kinderen; dit wil niet altijd zeggen de sterretjes vragen. Zorg ervoor dat deze kinderen ook de doorgaande lijn blijven volgen.

 

 

Laat de kinderen een hoofdstuk inleiden; bijv.

-Beschrijf een toeristische route voor de mensen, zodat ze een indruk krijgen van de provincie; van een bepaalde stad ( denk aan Amsterdam, Rotterdam, Leiden)

( internet is nodig)

 

beschrijf van de topo -steden  steeds een van de belangrijkste gebouwen/ bezienswaardigheden in die steden.

 

Met welke milieu eisen heeft een boer met melkvee te maken? Hoe kijk jij daar tegen aan?

 

Maak een opstel over een dag gezien door de ogen van een strandwacht op een drukke zomerse dag

 

Laat een van de belangrijkste gebouwen van een stad, land nabouwen, natekenen.

 

 

 

- laat de kinderen een werkstuk maken over:

 een provincie

 een land

 een werelddeel

 

( dit kan in verschillende groepen of individueel; niveau kan per kind verschillen)

 

maak een verslag van hoe het op een bloemenveiling er aan toegaat.

 

Maak een lijstje van de verschillende talen van Europa; zeg in elke taal goede morgen.

 

Welke verschillende religies zijn er in dit werelddeel?

 

 

Maak een  ( strip)tekening van het melktransport

 

 Zoek muziekstukken op die met een specifiek werelddeel te maken hebben en leg uit waarom je deze hebt gekozen:

Bijv. Werelddeel Amerika:

-          rock and roll

-          countrymuziek

-          indianenmuziek

-          blues

-          jazz