Dit draaiboek “uitgangspunten om te komen tot een beleidsplan voor de (hoog)begaafde kinderen binnen de basisschool” is ontstaan naar aanleiding van hulpvragen van de verschillende scholen.

Vanuit de expertise opgedaan als project- leerkracht van de Plusklas heb ik een vertaalslag gemaakt met behulp van de diverse artikelen en boeken over hoogbegaafdheid – zie bronvermelding – naar een beleidsplan voor de scholen om te komen tot schoolafspraken voor (hoog)begaafde leerlingen.

In het Zorgplan van het Samenwerkingsverband ’s-Hertogenbosch staat de ambitie geschreven:
- In 2010 zijn alle scholen in ’s-Hertogenbosch in staat adequaat en professioneel onderwijs te bieden aan alle kinderen in hun eigen omgeving. Er is sprake van een sluitende en geïntegreerde aanpak voor (zorg)leerlingen in de buurt.
Dit houdt onder meer in, dat scholen zich actief moeten bezighouden met het opstellen van schoolbeleidslijnen voor de diverse groeperingen (zorg)leerlingen, onder andere hoogbegaafdheid. Dit draaiboek kan hierbij een goede ondersteuning zijn.

 

 

 

 

Uitgangspunten om te komen tot een beleidslijn voor (hoog)begaafde kinderen.


Inhoud:                                             

-         stap 1 pedagogische grondhouding                                                

-         stap 2 het bepalen van de doelgroep                                             

-         stap 3 doelstellingen voor het beleidsplan

-         stap 4 randvoorwaarden

-         stap 5 werkgroep samenstellen

-         stap 1 inventariseren van de huidige praktijk

-         stap 2 signalering

-         stap 3 diagnostiek

-         stap 4 integratie van de informatie van signalering

                 en diagnose

-         stap 1 versnellen?

-         stap 2 waarom is reguliere leerstof ontoereikend?

-         stap 3 keuzes in begeleiding

                     compacten – verdiepen – verrijken

-         stap 4 evalueren

-         stap 1 terugkoppeling naar het team

-         stap 2 introductie bij het bestuur

-         stap 3 introductie bij de ouders

-         stap 4 weergave in de schoolgids

-         stap 5 implementatiefase

-         stap 6 evaluatie en bijstelling

 

-         signalering                                                                                            

a.       signaleringsinstrumenten

b.      signalering bij kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong

-         onderpresteerders                                                                              

a.       twee vormen van onderpresteren

b.      checklist voor onderpresteerders                                   

-         overzicht persoonlijkheidstructuur van                                                        

      het hoogbegaafde kind

-         het hoogbegaafde kind en zijn denkprocessen                                            

-         sociaal – emotionele ontwikkeling                                                                 

-         voorbeelden van compacten                                                                           

1.       spelling

2.      taal

3.      rekenen

4.    wereldoriëntatie

            -     stappenplan om te komen tot een Plusklas                                                  

 

 

Bronvermelding / literatuur

 

- hoogbegaafde kinderen kunnen meer                            Sylvia Drent

- de begeleiding van hoogbegaafde kinderen                  James T. Webb

- intelligente kinderen                                                        Hans de Vries

- begaafde kinderen op de basisschool                            Jo Nelissen – Pieter Span

- professioneel omgaan met hoogbegaafde

   kinderen in het basisonderwijs                                      Sylvia Drent – Eleonoor v. Gerven

- zicht op hoogbegaafdheid                                               Eleonoor van Gerven

- hoogbegaafden in de Samenleving                                  F.J. Mönks – Pieter Span

- onderwijs aan begaafde leerlingen in het VO               M. Pluymakers – Pieter Span

- de vier kindertypen                                                          Ch. Kaniak – Urban

- sociale competentie en de brede school                        Saskia van Oenen

- zes denkende hoofddeksels                                            Edward de Bono

- sociale vaardigheidstraining voor kinderen                   Martin Herbert.

- internetpagina www.hoogbegaafd.pagina.nl

 

 

 

 

 

 

Uitgangspunten om te komen tot een beleidsplan voor (hoog)begaafde kinderen.

 

A.Initiatieffase.

 

Door de eigen ervaringen van de scholen met begaafde kinderen en doordat er steeds meer aandacht komt voor de specifieke hulpvragen m.b.t. het onderwijs voor deze groep kinderen is er een bewustwordingsproces op gang gekomen binnen de scholen om de zorg niet alleen aan de “uitvallers”aan de onderkant te geven, maar dat de “uitvallers” aan de bovenkant net zo goed recht op extra aandacht hebben. Deze verschuivingen binnen het zorgsysteem hebben ertoe geleid, dat er een intrinsieke motivatie bij de scholen op gang is gekomen om deze zorg binnen een schoolbeleidsplan vast te leggen.

 

Stap 1.

De visie van de school.

-         het is belangrijk dat de school haar pedagogische grondhouding ten aanzien van het onderwijs aan leerlingen omschrijft.

-         Zo ook voor deze doelgroep.

 

Let op dat in de omschrijving vermeden wordt: snelle ontwikkeling. Er zal dan meteen omschreven moeten worden wat snel is en op welke gebieden.

Kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong kunnen op dat moment snel zijn, maar zijn niet begaafd.
 

Belangrijk: de pedagogische grondhouding van de school zal door het gehele team onderschreven moeten worden, vastgelegd worden in het schoolwerkplan en in de schoolgids te vinden moeten zijn.
 

Voorbeeldomschrijving:

Wij accepteren dat er verschillen zijn tussen kinderen. Vanuit deze acceptatie willen we zoveel mogelijk recht doen aan een doorgaande ontwikkelingslijn voor de leerlingen, rekening houdend met hun verschillen, werkend in een leerstofjaar-klassen systeem met de grootste mogelijk interne groepsdifferentiatie, die op dat moment mogelijk is.

De grondpijlers voor deze onderwijsvisie zijn:

- Het bevorderen van de relatie tussen de kinderen onderling en de kinderen en

  leerkrachten,

- Het bevorderen van competentie – en autonomiegevoel van de leerlingen.

 

 

 

 

 

 

Stap 2.

Het bepalen van de doelgroep.
 

Vaak wordt er bij de beschrijving van (hoog)begaafde kinderen uitgegaan van het Interdependentiemodel van Renzulli en Mönks.

-         Het gezinsverband, waarin het kind opgroeit, de school en de “peergroup”      

( 3 sociale omgevingsfactoren) en daarnaast hoge intellectuele capaciteiten

( IQ hoger da n 130), creativiteit en doorzettingsvermogen ( 3 persoons -kenmerken) zijn in dit model de zes factoren, die bepalend zijn voor de ontwikkeling van hoogbegaafdheid.

 

Een ander model, dat ook regelmatig gebruikt wordt, is het model van Heller. Hierin wordt het model van Renzulli en Mönks samengebracht met de meervoudige intelligentie theorie van Gardner.

 

Welk model ook gehanteerd wordt, de keuze voor de definitie is in principe sturend voor de manier, waarop straks tegen inhoudelijke zaken als versnellen, compacten en verrijken wordt aangekeken.

 

Mogelijkheid tot verbreding van de doelgroep:

Binnen de doelgroep kunnen ook de volgende groepen leerlingen horen:

-         leerlingen, die op deelgebieden duidelijk boven het gemiddelde scoren of op hoogbegaafd niveau scoren. Deze prestaties zijn voornamelijk terug te vinden in de A-scores op de Cito- toetsen;

-         bovengemiddeld begaafde leerlingen met een IQ tussen de 120 en de 130.

 

 


Discussie:

-         keuze voor smalle of brede definitie voor de groep leerlingen?

-         moet er persé een IQ test zijn afgenomen om tot de doelgroep te behoren?

-         Als de Cito-scores mee tellen, wanneer is een Cito-score bepalend om tot de doelgroep te mogen behoren: bij de eerste keer of moet er meerdere malen op A-niveau gepresteerd zijn?

Het is belangrijk dit item goed vast te leggen i.v.m. ouders, die komen vragen of hun kind ook extra werk kan krijgen, want het kind heeft toch een goed cijfer of een goede toetsuitslag?

-         Hoe verhoudt zich de definitie tot een eerder gekozen werkmodel bijv. FLEXIT of het GIP-model?


 

Stap 3.

Doelstellingen voor het beleidsplan “begaafde kinderen”.

( beschrijven van de wenselijke situatie)
 

-         In het plan komt te staan, of er op de school volgens uitgangspunten van een bepaald didactisch model wordt gewerkt in de groepen, bijv. FLEXIT of GIP-model.

-         Verder wordt er in opgenomen, dat er in principe wordt gewerkt volgens het BHV-model ( Basis- Herhaling- Verrijken) en dat de interne differentiatie een zo’n breed mogelijk terrein beslaat.

-         In het plan komt te staan met welke signalerings- en diagnosticerings instrumenten wordt gewerkt.

-         In het plan wordt opgenomen welke verrijkings- en verbredingsmaterialen worden gebruikt en wanneer deze worden ingezet.

-         In het plan wordt opgenomen of deze kinderen naast de begeleiding in de groep ook aparte begeleiding krijgen of niet.

-         In het plan wordt opgenomen hoe de extra begeleiding eruit ziet en door wie en waar deze wordt gegeven. (bijv. project Plusklas)

-         In het plan wordt opgenomen of er wordt gewerkt met vervroegde doorstroming in de kleutergroepen.

-         In het plan wordt opgenomen of er wordt versneld en hoe vaak een leerling kan versnellen binnen zijn/haar schoolloopbaan.
 

Belangrijk zijn de motivaties die ten grondslag liggen aan deze keuzes.

Met betrekking tot versnellen:

-         het is belangrijk goed vast te leggen, dat alle aspecten van ontwikkeling van een leerling worden meegenomen. Niet alleen de cognitieve ontwikkeling is een reden om te versnellen.

 

Stap 4.

Randvoorwaarden.

 

Om de beleidslijn goed te kunnen implementeren op de werkvloer is het belangrijk te kijken naar verschillende andere aspecten:

-         Financiering

·         is er extra geld beschikbaar ( mogelijkheid tot subsidie aanvragen )

·         formatieplaatsen

-         menskracht

·         wie neemt welke taken op zich?

·         extra tijd van personen/ vrijwilligers?

·         Hoeveel tijd beschikbaar voor de begeleiding voor deze kinderen?

·         Wie neemt de begeleiding van deze kinderen op zich?

-         maximale inzet van de leerkrachten

·         hoe is de taakverdeling?

·         Wat kan er minimaal/ maximaal gevraagd worden?

-         gevoeligheden binnen team en schoolbestuur

·         visieverschillen / draagvlak

·         kwaliteitsverbeteringen / prioriteiten

·         extra financiële injectie voor

§         aanschaf van extra materialen

§         extra mankracht

§         aanstellen van bovenschools intern begeleider begaafde leerlingen vanuit schoolbestuur

§         aanschaf van materialen / prioriteiten

-         het totale aantal leerlingen, dat door de werkdefinitie in aanmerking komt voor een speciaal begeleidingstraject.

 


 

 

Stap 5.

Werkgroep samenstellen.

 

Het beste is een werkgroep samen te stellen, die bestaat uit een vertegenwoordiging uit de diverse bouwsectoren, de interne begeleider leerlingenzorg en een directielid. Door deze samenstelling kan het beleidsplan waarschijnlijk de meeste steun van het gehele team krijgen. Tevens kunnen de lijnen naar de verschillende subgroepen in de school zeer kort zijn.
 

-         omschrijving van de verschillende taken van de leden van de werkgroep

·         wie is de algemeen coördinator?
 

-         omschrijving van het tijdspad

·         wanneer werkgroepvergaderingen

·         terugkoppeling naar bouwoverleg
 

-         welke stappen van het beleidsplan worden wanneer afgesloten

·         omschrijving van terugkoppeling  naar directie

                                                                                naar team

                                                                                ( naar schoolbestuur)

·         omschrijving van inbreng / inzet ouders ( voor zover van toepassing)

·         omschrijving van inbreng ambulante begeleiding ( voor zover van toepassing)

 

Als er nog geen bouwcoördinatoren zijn aangesteld, zal deze organisatiestructuur eerst moeten gebeuren of men kan kiezen voor een coördinerende taak voor een van de leerkrachten.

Tevens zal de directie de leerkrachten, die zich specifiek geschoold hebben of willen gaan scholen met betrekking tot (hoog)begaafde kinderen, betrekken bij de werkgroep, ook als zij geen bouwcoördinator zijn.

Het aantal leden van de werkgroep moet niet te groot zijn. Er is altijd een mogelijkheid om deeltaken te delegeren naar collega’s.

 

 

 

 

 

B. Inventarisatiefase.

 

Stap 1.

Inventariseren van de huidige praktijk:

·         wat gebeurt er op school al in de praktijk voor begaafde kinderen?

·         Welke afspraken, al dan niet beschreven, gelden er?

·         Welke materialen zijn op school al aanwezig?

Vaak blijkt dat er op de school al een aantal zaken zijn gerealiseerd en /of gebeuren. Deze zijn vaak niet vastgelegd of met het gehele team door gesproken. Ook met betrekking tot materialen blijkt vaak dat er al het een en ander op school aanwezig is, maar niet geregistreerd in orthoteek of bij het gehele team bekend.

 

-         activiteiten op schoolniveau:

·         bijv. afspraken over signalering en diagnostiek

·         rapporten

·         professionalisering van leerkrachten

·         voorlichting aan en samenwerking met derden

·         relaties met het voortgezet onderwijs
 

-         activiteiten op bouwniveau:

·         bijv. gelden afspraken over de benadering van begaafde kinderen

·         aparte werkvormen / strategieën

·         werken met aparte materialen
 

-         activiteiten op groepsniveau:

·         activiteiten die de leerkracht binnen de speelruimte van zijn eigen onderwijsleersituatie en eigen professionaliteit onderneemt

bijv. het aanpassen van de hoeveelheid leerstof

        alleen antwoorden opschrijven

        gesprekken met kinderen

        gesprekken met ouders
 

Bij deze inventarisering moet de werkgroep zich richten op de aspecten:

-         signalering

-         diagnostiek

-         materialen en didactiek

-         interne hulpverlening

-         externe contacten

-         professionalisering.
 

Deze inventarisering kan via de bouwcoördinatoren naar de werkgroep door gespeeld worden. Na een werkgroepvergadering, waarin alle deelstukken in een groot geheel worden geplaatst, is het goed om een terugkoppeling naar het team te organiseren.


Stap 2.

Signalering.

Signalering van begaafde kinderen dient zo vroeg mogelijk te gebeuren. Het vroegtijdig onderkennen van de begaafdheid en hiermee de onderwijsbehoeften van een leerling is vooral van belang om problemen als onderpresteren en negatief zelfbeeld of gedragsproblemen te voorkomen.
 

Signaleren omvat alle leerlingen.

In het beleidsplan staat de wenselijke situatie centraal. Om te beginnen kan het beste eerst duidelijk omschreven worden wat er wordt beoogd met de signalering.

Aandachtspunten:

-         Signaleringsmethoden bij binnenkomst

·         waar komt de informatie vandaan?

1.       informatie van de ouders

2.      indruk van de leerkracht

-         signaleringsmethoden tijdens schoolloopbaan

·         waar komt de informatie vandaan?

1.       resultaten in het leerlingvolgsysteem ( welke systeem- vastleggen)

2.      resultaten bij methode geboden toetsen ( bij welke vakken – vastleggen)

3.      leereigenschappen van de leerling ( hoe zijn deze vastgesteld en door wie)

4.      informatie van de ouders

5.      formele signaleringslijst

-         signering van onderpresteerders

·         waar komt de informatie vandaan?

1.       algemene observaties

2.      resultaten in het leerlingvolgsysteem

3.      kenmerkenlijst onderpresteerders

4.      informatie van de ouders

-         welke instrumenten willen we hanteren?

-         wie is verantwoordelijk voor de signalering?

-         welke procedure wordt doorlopen?

-         hoe worden de resultaten vastgelegd?
 

Het resultaat van de signalering.

Na deze eerste signalering hebben informatie over de intellectuele mogelijkheden en de leerprestaties van de leerling. De informatie uit deze eerste stap heeft aangegeven, dat een leerling waarschijnlijk (hoog)begaafd is.

Het profiel van de intellectuele mogelijkheden c.q. cognitieve ontwikkeling van een leerling, de prestaties op de verschillende vakgebieden en de ervaring van de leerkracht op de verschillende vakgebieden geven aan of de ontwikkelingsbehoeften over de hele linie gelden of vakspecifiek.

 

Stap 3.

Diagnostiek van begaafde leerlingen.
 

Waarom diagnose?

Diagnose is noodzakelijk om andere ontwikkelingsbehoeften van de leerling in kaart te brengen. Het gaat hierbij om het verzamelen van informatie over factoren, die het werken en functioneren van begaafde leerlingen beïnvloeden en daarmee van belang zijn voor het uitzetten van een leerlijn.
 

De factoren zijn:

-         werkgedrag

·         zelfstandigheid

·         werkinstelling

·         motivatie

-         taakaanpak

·         planmatige aanpak

·         welke stappen neemt een leerling in het oplossen van een probleem?

·         creativiteit en flexibiliteit

-         sociaal-emotionele ontwikkeling

·         omgang met andere kinderen

·         omgang met volwassenen

·         houding tegenover school

·         zelfbeeld

-         interessen/ hobby’s

 

De stap diagnose wordt nogal eens vergeten. Maar het is heel belangrijk te weten hoe een leerling werkt. Als  een leerling bijv. absoluut niet planmatig kan werken, zul je in het begin de taken veel meer moeten structureren en hem/ haar daarin begeleiden.

Als dit vergeten wordt, mislukken de geplande activiteiten gauw. De leerkrachten raken gedemotiveerd, geven het op. Zie je wel ze kunnen het niet. Het heeft geen zin om op deze manier te werken.

Maar de wijze van aanpak kan verkeerd gekozen zijn voor die leerling. Het is belangrijk om deze aspecten met de leerkrachten door te spreken, zodat zij zicht hebben op het belang van deze aspecten voor het slagen van de gekozen aanpak.






Diagnostische instrumenten.
 

Welke vormen van diagnostisch onderzoek zijn geschikt?
 

·         invullen van een observatielijst

groep 1 en 2

groep 3 t/m 8

·         verrichten van didactisch onderzoek

groep 1 en 2

groep 3 t/m 8

·         verrichten van psychodiagnostisch onderzoek

groep 1 en 2

groep 3 t/m 8

 

 

voorbeelden van observatielijsten:

-         vragenlijst “begaafden in de basisschool”van de OBD Midden-Holland en Rijnstreek
 

Deze formulieren worden in de Plusklas gehanteerd. Zij geven een beeld over bovenstaande factoren door zowel de leerkracht als de ouders. Het is belangrijke informatie.
 

-         de SI-BEL  en de SI-DI  van Eduforce / GCO Fryslan


 

 

Stap 4.

Integratie van de informatie van signalering en diagnose.

 

Na signalering en diagnose kan men antwoord geven op de volgende vragen:

 

  1. Welk niveau van leerstof kan de leerling aan?

 

 

 

  1. Is er sprake van hoogbegaafdheid of begaafdheid?

 

 

  1. Op welke gebieden moet er een individuele leerlijn aangeboden worden?

 

 

  1. Is de leerling gemotiveerd om te presteren? Is deze factor stabiel?

 

 

  1. Kan de leerling zelfstandig werken en welke factoren lijken dit te beïnvloeden?

 

 

  1. kan de leerling planmatig en doelgericht werken en problemen oplossen?

 

 

  1. wordt het denken van de leerling gekenmerkt door creatieve probleemoplossing?

 

 

  1. is de leerling flexibel in zijn denken?

 

 

  1. spelen er externe risicofactoren zoal plezier hebben in school, zelfbeeld?

 

 

  1. spelen er externe risicofactoren in de omgang met anderen?

 

 

 

Met het antwoord op deze vragen kan men een leerlijn voor de leerling uitzetten. Men kan de juiste materialen zoeken, die passen bij de ontwikkelingsbehoeften, werkwijze en interessen van de leerling. Tevens heeft men een duidelijk beeld van eventuele risicofactoren, die extra aandacht behoeven.

 

 

 

 

Inhoudelijke uitwerking van een beleidsplan.

 

Stap 1.

Het probleem: VERSNELLEN.

Het team zal een standpunt moeten innemen over het probleem versnellen. Het is mede bepalend hoe de beleidslijn voor (hoog)begaafde kinderen eruit zal komen zien.

 

Als men uitgaat van een doorgaande ontwikkelingslijn voor kinderen, moet het eigenlijk vanzelfsprekend zijn, dat er aan de onderwijsbehoeften van kinderen, die sneller dan gemiddeld leren tegemoet wordt gekomen. Soms betekent het, dat het kind een groep versnelt, omdat de ontwikkelingsgelijken van het kind in een groep hoger zitten.

 

Maar alleen het cognitieve element mag niet de enige leidraad zijn voor versnellen.

Vaak zal de praktijk uitwijzen dat er in de onderbouw wordt versneld. Kleuters, die zich het leren lezen hebben eigen gemaakt, stromen vaak door. Al dan niet geleidelijk aangepast.

Hier moet wel bij opgemerkt worden, dat kinderen, die een ontwikkelingsvoorsprong hebben op jonge leeftijd, niet altijd hoogbegaafd hoeven te zijn. Deze kinderen kunnen de voorsprong kwijt raken in de loop van de jaren. Observatielijsten aan de hand van een kenmerkenlijst zullen gebruikt moeten worden om te achterhalen of er sprake is van hoogbegaafdheid of een ontwikkelingsvoorsprong.

 

Versnellen, na groep 3, is vaak het grootste probleem.

Zeker als de leerling ongunstig jarig is t.a.v. de 1 oktober grens, zou het kunnen voorkomen, dat de leerling te vroeg naar het voortgezet onderwijs doorstroomt.

Wat betreft de cognitieve aspecten zou het geen probleem geven, maar de emotionele – en sociale ontwikkeling gaan problemen opleveren. De leerling komt met pubers in aanraking, terwijl hij of zij daar zelf nog niet aan toe is.

Er zal dan gekozen moeten worden voor verdiepende- en verrijkende leerstof i.p.v. versnellen.

 

 

 

Stap 2.

Waarom is de reguliere leerstof ontoereikend voor de (hoog)begaafde leerling.

·         de leerling heeft meestal een hoog werktempo.

·         De leerling heeft minder tijd nodig zich nieuwe dingen aan te leren.

·         De leerling heeft behoefte aan grotere leerstappen en minder herhalingsstof.

·         De leerling heeft minder behoefte aan instructie.
 

Waaraan moet leerstof voor de begaafde leerling wel aan voldoen?

·         leerstof van een hogere moeilijkheidsgraad dan de reguliere leerstof

·         meer uitdagender leerstof

·         een hoger abstractieniveau

·         complexere vraagstukken, combinaties van verschillende problemen.

·         Vakgebieden in samenhang.

·         Variatie in aanbod.

·         Liefst aansluiten bij de interessen van de leerling.

·         Een zinvolle aanvulling vormen op de reguliere leerstof.

·         Zo min mogelijk of geen herhalingen, geen routinewerk.

·         Didactisch logisch, gestructureerd opgebouwd.

·         Reflectie op eigen handelen uitlokken.

·         Divergent denken stimuleren.

·         Leerstof met een aangepaste instructiewijze ( minder luisteren, meer doen).

 

 

Vaak moeten (hoog)begaafde kinderen eerst de gehele reguliere leerstof maken, voordat zij ander werk mogen maken, terwijl leerlingen, die moeite hebben om de leerstof zich eigen te maken, minder hoeven te maken, zodat de leerkracht de groep bij elkaar kan houden. Dit is tegenstrijdig m.b.t. het cognitieve aspect. Het levert veel problemen op in de gedragssfeer.

Teveel wordt het andere werk gezien als iets extra’s terwijl het gezien moet worden als iets dat er voor in de plaats komt.

 

Het denken en leren door hoogbegaafde kinderen verloopt anders dan de gemiddelde leerling of de begaafde leerling. Hier zal rekening mee gehouden moeten worden bij het aanbod van de leerstof. ( zie bijlage denkprocessen).

 

 

 

Stap 3.

Afhankelijk van de keuzes die de school maakt, kan de school kiezen uit de volgende wegen:

 

  1. de school kan ieder kind apart benaderen en ieder kind zijn eigen leerprogramma geven. Het impliceert echter een enorme tijdsinvestering, die voor ieder individueel kind moet worden herhaald. Het is belangrijk om niet alleen de eindtermen per leerstofjaarklas van de reguliere lesstof vast te stellen, maar ook de einddoelen van het verrijkingsonderwijs.
  2. de school kan een schoolbreed compacting- en verrijkingspakket aanbieden. In deze situatie gaat het team twee of drie leerstofgebieden compacten.
  3. de school kan ook naast de bestaande materialen een verrijkingsprogramma maken. Ook hier kan per individueel kind een traject afgelopen worden. Maar men kan er ook voor kiezen een schoolbreed programma te maken.

Er zijn drie opties voor een verrijkingsprogramma:

    1. leerstof, die zuiver een verbreding en verdieping is van de reguliere lesstof
    2. leerstof, die buiten het curriculum van het basisonderwijs valt
    3. een combinatie van beide opties kiezen.

 

Compacten:

-         Het comprimeren van de reguliere leerstof tot een zodanige omvang dat alleen nieuwe aspecten en de daarbij minimaal inoefenstof wordt aangeboden.

-         Een structurele opzet hiervan vraagt aanvankelijk een behoorlijke tijdsinvestering, maar gaat mee voor de duur van een methode.
 

Richtpunten bij het compacten zijn:

·         welke opgaven uit dit blok/ hoofdstuk zijn zinvol en uitdagend voor (hoog)begaafde kinderen?

·         Welke onderdelen beheerst de leerling al?

·         Welke onderdelen juist niet?

·         Er mag niet willekeurig in de lesstof worden geschrapt. Ga systematisch te werk.

·         Leg vast wanneer de methode gebonden toetsen afgenomen worden: meteen na de verwerking van de gecompacte leerstof of gelijk met de rest van de groep, wanneer die de leerstof heeft doorgenomen.


 

Verdiepen:

-         het aanbieden van leerstof, die een uitbreiding vormt op onderwerpen of vakken, die een onderdeel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod van een school.
 

Verrijken:

-         het aanbieden van leerstof die onderwerpen of vakken behandelt, die normaal gesproken geen onderdeel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod.
 

Richtpunten bij het aanbieden van extra leerstof:

·         inventariseren van beschikbaar materiaal; de ster- of plusopdrachten zijn niet altijd geschikt als verdiepingsstof. Ze zijn vaak bedoeld om het tempoverschil op te vangen tussen leerlingen.

·         Keuze van materiaal ( zie handboek begaafde kinderen)

·         Aanschaf van leermateriaal; waar moet het materiaal aan voldoen om ingezet te kunnen worden binnen de school?

Mate van zelfstandig werken aspect, moeilijkheidsgraad, beschikbaar van antwoordenboekjes.

·         afspraken maken en vastleggen welke materialen door welke groepen worden gebruikt?

·         Zijn er andere verwerkingsopdrachten te maken bij de reguliere lesstof? Afspraken maken waar en hoe deze opdrachten/ taken worden vastgelegd en bewaard.

 

In het beleidsplan omschrijft men de basisprincipes, die de school toepast op alle gebruikte methoden. Er wordt dus beschreven hoe de leerkracht te werk kan gaan bij het compacten van de methodegebonden leerstof.

Bijvoorbeeld:

-         de methodegebonden toetsen vooraf afnemen en aan de hand van deze resultaten bepalen welke leerstof door de leerling nog gemaakt moet worden.

-         Herhalingsoefeningen of oefenstof bedoeld voor kinderen, die extra oefening nodig hebben, wordt weggelaten.


 

Stap 4.

Evalueren.
 

De evaluatiefase is altijd de laatste fase in het proces van leerlingbegeleiding. Dit proces is een cyclisch proces, d.w.z. dat uit de evaluatiefase weer nieuwe gegevens naar voren kunnen komen die aanleiding geven om de gevolgde werkwijze op een aantal punten bij te stellen.

Om een goede evaluatie mogelijk te maken, is het belangrijk dat van het begin af aan alle gegevens en afspraken schriftelijk zijn vastgelegd.

Daarbij zijn vooral de geformuleerde doelstellingen van belang.

 

Tijdens het evaluatiegesprek komen de volgende punten aan bod:

  1. nalopen van de afgesproken werkwijze
  2. zijn er knelpunten opgetreden?
  3. zijn de doelstellingen bereikt?
  4. evaluatie leerkracht - leerling
  5. evaluatie ouders
  6. rapportage van de verrijking en / of verdiepingsstof


     

Beoordeling van het werk.

 

Voor de leerling is het van belang dat zijn/ haar werk wordt beoordeeld en besproken. In het gesprek tussen leerkracht en leerling moet vooral de nadruk liggen op het proces, dat de leerling heeft doorgemaakt en welke leerpunten hij/zij eruit heeft gehaald.

Voorbeeldvragen:

Zijn de doelstellingen bereikt? Zo ja, op welke manier? Kon je het anders doen?

Zo nee, waarom niet? Wat ging er mis? Wat verliep goed? En waarom ging het goed?

Weet je zelf veranderingen te noemen, waardoor het een volgende keer nog beter gaat?

Wat vind je zelf van het resultaat? Wat heb je ervan geleerd?

 

Ook op het rapport zal een beoordeling komen te staan over de gemaakte verrijkingsstof. Binnen het team zullen hier afspraken over gemaakt moeten worden.

 

 

 

Eindfase.

 

1. terugkoppeling van en naar het team.

-         waarom is terugkoppeling nodig?

a.       het draagvlak wordt breder door weerstanden te voorkomen

b.      respect voor de eigen professionaliteit van het team

c.       gebruik van eens luidende definities

d.      ondersteunt de werkgroep met positieve feedback

e.       geeft ruimte aan de eigen opvattingen van alle teamleden

2. introductie bij het Bestuur.

    - waarom is dit belangrijk?

a.   het betreft wezenlijke aanpassingen van het schoolbeleid

b.   breidt het draagvlak uit naar buiten

c.   geeft mogelijkheden tot financiële ondersteuning

d.   geeft mogelijkheden tot ondersteuning bij aanvragen van subsidies

3. introductie bij de ouders.

    -  hoe kunnen we dit aanpakken?

            a.   via de schoolgids

            b.   tijdens een algemene ouderavond

            c.   tijdens een ouderavond voor ouders van (hoog)begaafde kinderen

4. weergave in de schoolgids.

    - wat moet er in de schoolgids?

            a.   definitie van (hoog)begaafdheid

            b.   aanpak

            c.   signalering

            d.   diagnostiek

            e.   begeleiding

            f.   evaluatie

            g.   vraagbaak in het team

            h.   arbitrage

5. implementatie; gefaseerd of juist niet?

    - wie bepaalt de keuze?

            a.   beschikbare taakuren t.o.v. de te verrichten werkzaamheden

            b.   aantal leerlingen dat tot de doelgroep behoort

            c.   spreiding van de doelgroep binnen de leerstofjaargroepen

            d.   beschikbaarheid van de materialen

6. evaluatie en bijstelling.

    - wat moet u evalueren?

            a.   functies en rollen

            b.   organisatorische aspecten

            c.   onderwijsinhoudelijke aspecten

            d.   pedagogische aspecten

            e.   terugkoppeling naar ouders.

 

Bijlagen  

 

Signalering.
 

Signaleringsinstrumenten bij (hoog)begaafde kinderen in groep 1 en 2.
 

-         informatie van de ouders bij een intakegesprek

-         observaties/ inschatting van de leerkracht

1.       HIBKOV-II (observatiemethode)

2.      SI-BEL –SI-DI  ( Eduforce / GCO Fryslan)

3.      een opsomming van kenmerken voor een observatie uit de brochure

“help een hoogbegaafd kind” ( Pharos)

4.      een menstekening ( binnen de eerste 4 schoolweken laten maken)

 

-         informatie over prestaties van de leerling

1.       CITO-toetsen

2.      GSO- ( Groninger School Onderzoek)

3.      piramidetechniek ( subjectief, maar goed voor een snelle inventarisatie)


 

Signaleringsinstrucmenten bij (hoog)begaafde kinderen in groep 3 en hoger.
 

-         gesprek met de ouders

-         observeren aan de hand van een kenmerkenlijst

      (ook een voor onderpresteerders)

-         SI-BEL / SI-DI

-         Informatie uit het leerlingvolgsysteem

-         Schoolvragenlijst – de SVL

-         Piramidetechniek ( subjectief, maar goed voor een snelle inventarisatie)



 

Signaleren van een ontwikkelingsvoorsprong

Bij kleuters spreekt men nog niet van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong.

Waarom kan men dan nog niet van hoogbegaafdheid spreken?

-          Dit is pas vanaf 8-jarige leeftijd betrouwbaar te testen.

-          Een kleuter ontwikkelt zich sprongsgewijs.

-          De ontwikkeling is afhankelijk van zijn directe omgeving.
 

Het is erg belangrijk, dat men vroegtijdig signaleert of een leerling een ontwikkelingsvoorsprong heeft. Welke factoren kunnen hierbij van belang zijn?

- Algemeen:

-          intense betrokkenheid

-          “diep” denken (bijv. over leven en dood)

-          empathisch vermogen (zich goed kunnen inleven in de situatie van een ander)

-          kennishonger

-          logisch denken

-          creërend vermogen

-          fantasierijk

-          aanpassingsvermogen (hierdoor kan al op jonge leeftijd het onderpresteren ontstaan)

-          meer geïnteresseerd in cijfers en letters

-          sterk geheugen

-          gevoel voor humor
 

- spraak - taalontwikkeling:

-           spreekt duidelijk en heeft een goede zinsbouw.

-          heeft een grote woordenschat.

-          gebruikt veel moeilijke woorden.

-          heeft een goed geheugen.

-          heeft een brede belangstelling.

-          vertelt veel in de groep op een ontspannen manier.

-          reageert op andere leerlingen.

-          kan verhalen goed weergeven.

-          legt de goede verbanden
 

- sociale - emotionele ontwikkeling:

-          speelt goed met leeftijdgenoten, maar trekt ook veel met oudere kinderen

-          neemt initiatief

-          open naar de leerkracht

-          zelfstandig

-          kan goed samenspelen

-          perfectionistisch
 

-  werkhouding:

-          begrijpt opdrachten snel

-          een hoog werktempo

-          is gemotiveerd

-          kijkt kritisch naar zijn eigen prestaties

-          heeft een grote spanningsboog

-          stelt eisen aan zichzelf

-          is teleurgesteld als iets niet lukt zoals hij het wil
 

Onderpresteerders.

Onderpresteren is te omschrijven als een verschil tussen de schoolprestaties van het kind en de prestaties, die op grond van zijn werkelijke capaciteiten verwacht zouden mogen worden.

Als een kind langdurig onder zijn niveau wordt aangesproken, kan dit tot gevolg hebben, dat het kind zijn motivatie om te leren verliest en zich niet langer inspant bij het uitvoeren van taken, met als gevolg onderpresteren.
Het onderwijsaanbod op de meeste scholen maakt dat (hoog)begaafde kinderen eigenlijk voortdurend onder hun eigen niveau presteren. Wanneer deze situatie lang voortduurt, kan dit ertoe leiden dat de kinderen uiteindelijk zelfs onder het niveau van de groep gaan presteren.

Twee vormen van onderpresteren.
 

De meeste onderpresteerders doen dat op een manier, die het minst opvalt, zij passen zich aan het klassengemiddelde aan. Bij een hoger klassengemiddelde presteren zij nog redelijk goed. Bij een laag klassengemiddelde presteren zij zwaar onder hun niveau.

-         Bij de relatieve vorm van onderpresteren functioneert het kind boven het klassengemiddelde, maar toch onder zijn eigen niveau. Deze kinderen zal men niet gauw een onderpresteerder noemen, want ze behoren immers bij de besten van de klas.

-         De absolute onderpresteerder . Het kind gaat onder het klassengemiddelde presteren. Toch heeft dit kind, relatief gezien, nog de meeste kans om “ontdekt” te worden. Bij deze kinderen zie je vaak een grote discrepantie tussen het mondelinge en schriftelijke taalgebruik. De ouders hebben het idee, dat hun kind op school veel beter zou kunnen presteren, dan dat het doet. Naarmate het kind langer op school is, kunnen de matige resultaten vergezeld gaan van gedragsproblemen. Het kind kan zich in de klas als stoorzender gaan gedragen.




Checklist voor onderpresteerders.

 

Een goed hulpmiddel bij de signalering van onderpresteerders is een specifieke checklist voor onderpresteerders. Er worden een aantal kenmerken genoemd, die typerend zijn voor deze leerlingen. Hoe meer kenmerken aan een leerling toegekend kunnen worden, des te groter is de kans, dat de leerkracht te maken heeft met een onderpresterende leerling.

 

POSITIEF

 

1. begrijpt en onthoudt moeilijke informatie wanneer het wel geïnteresseerd is

 

2. leest veel of verzamelt in zijn vrije tijd op andere manieren veel informatie

 

3. presteert significant beter op mondelinge dan op schriftelijke overhoringen

 

4. kent veel feiten en heeft een grote algemene ontwikkeling

 

5. komt goed uit de verf bij individueel onderwijs op maat

 

6. is creatief en heeft een levendige verbeelding

 

7. ontwikkelt thuis op eigen initiatief allerlei activiteiten

 

8. heeft een brede belangstelling en vindt het leuk om dingen te onderzoeken

 

9. is gevoelig

 

NEGATIEF

 

1. presteert op school redelijk tot slecht ( soms alleen onder het eigen niveau)

 

2. heeft zijn huiswerk niet af of slecht gemaakt

 

3. is vaak ontevreden over zijn eigen prestaties

 

4. heeft een hekel aan automatiseren

 

5. vermijdt nieuwe leeractiviteiten uit angst om te mislukken

 

6. heeft minderwaardigheidsgevoelens, kan wantrouwend of onverschillig zijn

 

7. doet niet graag mee aan groepsactiviteiten, heeft het gevoel dat niemand

    hem mag

 

8. doelen worden door het kind te hoog gekozen zodat falen hieraan geweten

    kan worden

 

9. is snel afgeleid en impulsief

 

10. staat afwijzend of onverschillig tegenover de school

 

11. wil niet geholpen worden, wil zelfstandig zijn

 

12. neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden of wijt mislukken

      aan anderen

 

13. verzet zich tegen autoriteit

 

* bron: Nelissen&Span.




Overzicht persoonlijkheidsstructuur van het hoogbegaafde kind.

 

 Type kind:                           Ik- expert

 

                                    Welke gevoelens sturen mijn gedrag?

 

Niveau één

Ontwikkelingsmotieven

 

Welke behoeften hebben de hoogste prioriteit?

                      Basis

Streven naar autonomie

 

                      Motor

Ik wil begrijpen.

 

Niveau twee

Leidende gedachten

 

Welke ideeën heb ik om dit doel te bereiken?

               Plan

Weten / vermogens

 

               Houding

               taken

Intuïtie

Denkbeeld, ideeën, achtergronden, prognose, toekomst

 

               Cognitie

               Emotie

Denken

Zich cognitief eigen maken, intellectuele helderheid, objectieve resultaten, controle, planning

 

Niveau drie

Capaciteiten

hulpmiddelen

Van welke vaardigheden maak ik gebruik?

               Gedrag

        Vaardigheden

         hulpmiddelen

Vragen stellen, conclusies trekken, plannen maken, kennis verwerven, zich intellectueel kastijden, eigen cognitieve strategieën bedenken

 

Verklaring                               ik ben bijdehand en deskundig !

 

* bron “de vier kindertypen” .



Het hoogbegaafde kind en zijn denkprocessen.

 

Hoogbegaafde kinderen denken anders. Veel ouders weten dit uit ervaring, maar het goed overbrengen aan de buitenwereld, dat hun kind door zijn manier van denken in de problemen kan komen is lastig.

 

 

Van

Concreet denken

Denken over onderwerpen die tastbaar zijn

 

Naar

Abstract denken

Voorstellingen kunnen maken, die men niet in de realiteit kan zien, voelen of met andere zintuigen kunnen ervaren.

 

Hoogbegaafde kinderen kunnen eerder dan leeftijdsgenoten abstract denken. Ze bereiken ook een hoger niveau van abstractie.

 

           Praktische

        gevolgen

  1. ze stellen regels ter discussie
  2. zij hebben een groot rechtvaardigheidsgevoel, wat tot veel discussie kan leiden of het ervaren van onrecht aangedaan.
  3. soms /geen aansluiting vinden in de groep
  4. communicatie met leeftijdsgenoten vormt vaak een probleem
  5. ze stellen hogere eisen aan vriendschappen dan leeftijdsgenoten. Gevolg: gekwetst worden, bij jonge kinderen zie je soms woede uitbarstingen of enorme huilbuien uit frustratie.
  6. intellectueel vaardig, kan niet tegen onbegrijpelijke stupiditeiten. Ze leggen vaak hun oplossingen te compact uit aan anderen; verwarring.
  7. leren vaak zichzelf lezen en rekenen

 

 

Plusklas

of

Plusgroep op de eigen school

  1. Ontmoetingen met ontwikkelingsgelijken
  2. sociale vaardigheidstraining
  3. leren samenwerken
  4. behoefte aan autonomie wordt gerespecteerd door eigen keuze te maken m.b.t. uit te werken onderwerp

 

 

 

Convergent denken

 

versus

Denken gericht op het vinden van één oplossing of de beste uit een paar oplossingen. Voor de meeste kinderen is dit de manier waarop ze meestal denken. ( pientere leerling)

 

Divergent denken

Bij divergent denken is men bezig om zoveel mogelijk oplossingen te bedenken, die mogelijkerwijs tot een oplossing van het probleem of het bereiken van het gestelde doel leiden. Deze manier van denken is kenmerkend voor hoogbegaafde kinderen.

 

Zij slaan informatie ook op door veel links te leggen tussen nieuwe info en al aanwezige kennis. Om divergent te kunnen denken, moet een kind beschikken over veel kennis en diverse denkmethoden.

( divergent denken leidt altijd weer naar convergent denken – het komen tot een oplossing)

 

            Praktische

        gevolgen

  1. moeite met multipli choice vragen. ( open vragen zijn beter; je kunt dan de redenering van het kind volgen)
  2. vreemde antwoorden, doordat deze kinderen de kennis van het ene schoolvak toepassen in het andere schoolvak.
  3. ze vragen veel om nieuwe kennis te kunnen verbinden aan wat ze al weten. Ze willen verschillen en overeenkomsten duidelijk hebben; halen andere vakken erbij. Soms roept het irritatie op.
  4. ze kunnen problemen hebben bij opdrachten, waar geen verband in zit ( woordrijtjes; tafels leren)
  5. gebrekkig lezen van de opdracht, doordat zij al reeds verbanden leggen met aanwezige kennis en dat kan leiden tot zoeken in andere richtingen dan bedoeld.
  6. grote behoefte aan complexe taken; anders vinden zij het al gauw saai.
  7. kan zich in een probleem vastbijten; eventueel teveel energie in de verkeerde dingen stoppen.

 

        Plusklas

of

Plusgroep op de eigen school

  1. aanbieden van projecten ( van geheel naar delen)
  2. het leren Leren; leren structuren en plannen
  3. het experimenterend leren – veel handelen
  4. leerstof in context van maatschappij
  5. het grote geheel aanbieden – doelen daaraan

      verbinden – nut van kleine “saaie” oefeningen wordt 

      voor deze h.b. kinderen acceptabel.

 

 

 

Rationeel denken

De manier van denken waarbij je stap voor stap alles afweegt tegen over de logica van het moment. ( denken met je linkerhersenhelft)

 

Hoogbegaafde kinderen zijn rationele denkers bij uitstek. Zij hebben een hoog ontwikkelde logica, die bovendien versterkt wordt door grote kennis.

 

          Praktische

       gevolgen

  1. ze gaan graag in discussie; discussieert in detail; is kritisch ( ook naar zichzelf toe)
  2. gevoelig voor het niet-logische binnen de taal ( hoe kun je nu vragen aan een jong mens hoe oud hij is geworden? )
  3. als de vraag te ruim omschreven is, komen zij vaak tot een ander antwoord ( wel met goede logische redenering)
  4. h.b. kinderen hebben snel overzicht van het grote geheel met inzicht in de gevolgen, gaan vaak te snel voor hun omgeving., zien al problemen waar anderen zich nog oriënteren.
  5. maken grote stappen in de leerstof; is helaas ook een valkuil, doordat ze soms te snel denken dat ze het weten.

Herkennen is nog niet Kennen.

 

 

          Plusklas

of

Plusgroep op de eigen school

  1. de ratio inzetten om gevoelens te kunnen beheersen en benoemen ( zes denkende hoofddeksels)
  2. eigen mening vormen,
  3. leren discussiëren,
  4. begeleiding bieden bij multipli choice vragen
  5. lesstof compacten; vooraf toetsen
  6. eigen keuze van deelonderwerp bij de projecten ( wel het geheel aanbieden, onderdeel van interesse uitwerken)

 

 

 

 

 

 

 

Intuïtief denken

Een manier van denken, waarbij zowel de creativiteit als de emotie een rol speelt en zodoende snel een oplossing kan brengen.

 

       Praktische

       Gevolgen

  1. Hoogbegaafde kinderen voelen vaak perfect stemmingen aan en kijken door uiterlijk vertoon heen.

h.b. kinderen zijn vaak zeer sensitief zonder dat zij zich daar bewust van zijn. Zij nemen emoties over van anderen, spanningen waar in een groep mensen, die voor de rest niet zichtbaar is of ervaren wordt.

  1. jonge kinderen kunnen zeer onbevangen diep verborgen zaken benoemen en brengen anderen in verlegenheid.
  2. ze weten vaak het antwoord. Ze kunnen dan niet uitleggen hoe ze aan het antwoord komen.
  3. ze moeten leren Leren op jonge leeftijd; leren fouten te maken of jezelf ergens voor in te spannen.

 

        Plusklas

of

Plusgroep op de eigen school

  1. leren hun antwoorden verbaliseren
  2. het heldere inzicht in sociale situaties gebruiken om eigen positie t.o.v. anderen te versterken
  3. tegen grenzen aanlopen en daarmee om leren gaan
  4. omgaan met frustraties
  5. werkplanning voor langere termijn
  6. creatief leren gebruiken bij de projecten om zou experimenteel de leerstof zich eigen te maken.

 

 

 

 

 

Conceptueel denken +

( creativiteit

  fantasie )

Deze manier van denken richt zich op het uitwerken van ontwerpen; detaillering van een geheel.

Fantasie en creativiteit leiden tot nieuwe ideeën, toekomstbeelden, uitvinders

 

            Praktische

        gevolgen

  1. h.b. kinderen kunnen vaak op een heel creatieve wijze concepten in hun hoofd uitwerken ( voordeel)
  2. terwijl hen voor de praktische uitvoering de middelen ontbreken ( valkuil)

- verbaal – performaal kloof

- niveau motorische ontwikkeling kan in de weg staan

- soms beginnen ze niet aan de uitwerking, omdat die

   al bij voorbaat niet aan hun ideeën kan voldoen.

  1. hebben flitsende, gekke, onnozele en soms vreemde ideeën
  2. start uitvoering, maakt het niet af
  3. kunnen met meerdere zaken tegelijk bezig zijn en hebben daarom behoefte aan meerdere werkplekken tegelijk.

 

 

         Plusklas

of

Plusgroep op de eigen school

  1. leren omgaan met frustraties
  2. leren hulp in te roepen van anderen ( elkaars talenten benutten)
  3. ideeën leren toetsen aan de realiteit; uitproberen van oplossingen
  4. fouten durven maken en toegeven binnen een beschermde omgeving
  5. ontwikkelingsgelijken stimuleren elkaar in hun ideeën
  6. overleg gaat veel sneller, tevens krijgen zij voldoende tegengas.
  7. hebben meerdere werkplekken
  8. krijgen gelegenheid om anderen te hulp te schieten,

meer bewegingsvrijheid.     

 

 

 

 

 

Sociaal – emotionele ontwikkeling.

 

Bij het opzetten van beleid voor hoogbegaafden is het belangrijk, dat de school niet alleen de cognitieve ontwikkeling van het kind adequaat benadert, maar ook dat de school plannen maakt voor een goede benadering van de sociaal- emotionele ontwikkeling. Vaak wordt er nog gedacht dat hoogbegaafde kinderen dan wellicht slim zijn, maar dat zij wel altijd sociaal- emotionele problemen hebben of op zijn minst achterlopen in de ontwikkeling. Dat is niet waar.

Hoogbegaafde kinderen hebben net zoveel of net zo weinig problemen op sociaal- emotioneel gebied als alle andere kinderen. Het lijkt er zelfs op dat in veel gevallen de hoogbegaafde kinderen ook op het gebied van sociaal- emotionele ontwikkeling een voorsprong hebben op leeftijdgenoten.

 

Met sociale ontwikkeling bedoelen we in feite niets meer of minder dan de manier waarop een kind leert om te gaan met anderen en leert omgaan met de manier waarop die anderen met hem omgaan.

 

Bij de emotionele ontwikkeling staat de ontwikkeling van het zelfbeeld centraal. Wie ben ik, wat ben ik, waar liggen mijn grenzen? Bij deze ontwikkeling speelt het niveau van de cognitieve ontwikkeling een belangrijke rol.

 

Signaalpunten.

-         een kind, dat voorloopt op intellectueel gebied, maar sociaal – emotioneel op leeftijdsniveau, wordt vaak ten onrechte beschouwd als een kind, dat op dit gebied achterloopt.

-         Een kind, dat voorloopt op intellectueel gebied, maar sociaal- emotioneel functioneert op datzelfde niveau, wordt vaak beschouwd als een “veel te wijs kind.”

-         Hoogbegaafde kinderen, die op sociaal – emotioneel gebied functioneren op een lager niveau dan hun kalenderleeftijd verkeren in een gevarenzone.

 

Er zijn verschillende zaken, waardoor het “anders-zijn” van het kind opvalt:

  1. ze hebben vriendschapsverwachtingen, die passen bij kinderen, die enkele jaren ouder zijn;
  2. trouw, loyaliteit en moreel ethisch besef zijn vaak eigenschappen, die ze op veel jongere leeftijd ontwikkelen dan andere kinderen;
  3. ze hebben een woordenschat en een manier van praten, die door andere kinderen vaak niet begrepen wordt;
  4. ze stellen ook hoge eisen aan zichzelf en vinden vanzelfsprekend deze eisen ook aan hun vrienden te stellen;
  5. ze hebben duidelijk andere interessen
  6. ze maken grotere denksprongen, waardoor het samenwerken en spelen met andere kinderen bemoeilijkt wordt.
     

De school moet oog krijgen voor de problematiek van het hoogbegaafde kind, maar het hoogbegaafde kind moet zelf ook inzicht krijgen in deze problematiek. Dit alles kan bevorderd worden door in de eerste plaats deze kinderen te aanvaarden, zoals ze zijn. Herkenning en erkenning zijn daarbij sleutelwoorden.
 

Rekening houdend met het bovenstaande kan de school de volgende uitgangspunten hanteren:

  1. hoogbegaafde kinderen laten we samenwerken in homogene ( ontwikkelingsgelijk) groepen om zich met andere kinderen te kunnen identificeren en te ontwikkelen, en in heterogene ( onder ontwikkelingsniveau) groepen om te voorkomen dat zij buiten de groep vallen.
  2. hoogbegaafde kinderen moeten voldoende worden uitgedaagd en gemotiveerd blijven.
  3. opdrachten voor deze kinderen moeten veelal gekoppeld zijn aan de opdrachten van de klas, of hun inspanningen moeten naar de klas toegespeeld worden, bijvoorbeeld het geven van presentaties over bereikte resultaten.
  4. er moet rekening gehouden worden met eventuele dyssynchroniteit ten aanzien van hun cognitieve en sociaal- emotionele ontwikkeling.
     

Ten slot is het ook van belang om rekening te houden met het feit dat er natuurlijk grote verschillen bestaan tussen álle leerlingen, óók op het terrein van de sociale -emotionele ontwikkeling. Wanneer kinderen afwijken van de norm, die u als leerkracht of de school heeft, wil dit niet zeggen dat er ook inderdaad een probleem is.
 

Discussiepunt:

Waarom wordt er bijna nooit over de sociale- emotionele ontwikkeling gepraat als kinderen een jaar extra doen? Dan richten de meeste leerkrachten zich op de cognitieve kant van de leerling.

 

Voorbeelden van compacten.

 

Spelling:


 

                                                 Methode  Taalactief.

compacten

        verdiepen

            verrijken

 

Voorbeeld 1:

 

-          geen signaaldictees afnemen

-          oefenstof beperken tot de belangrijkste stukken.

-          Controle dictee afnemen

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit de volgende oefeningen:

-          een verhaal schrijven gebruikmakend van zoveel mogelijk woorden van het woordpakket

-          maak rijmparen van de woorden

-          maak van elk woord een omschrijving

-          maak een woordschilderij van de 10 moeilijkste woorden

-          zijn er spreekwoorden bij de woorden te vinden?

-          maak een kwartetspel van de woorden van verschillende woordpakketten

-          maak een oefenkaart voor je medeleerlingen

-          maak een woordzoeker voor je medeleerlingen

-          c.d. roms m.b.t. spelling

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze m.b.t. creatief schrijven.

-          werkboeken van Ajadact

wie schrijft, die blijft

-          methode/ kopieerband:

Stel je kunt het wel.

 

Schoolniveau:

Bij deze keuze is het belangrijk om goede afspraken te maken welke extra stof bij welke jaargroep hoort en gebruikt kan worden.

 

Klassenniveau:

Daarnaast voor elke leerling goed vastleggen welke opdrachten er zijn gemaakt en met welk resultaat.

Voorbeeld 2:

 

-          geen signaal dictees afnemen

-          van te voren het controle dictee afnemen.

-          N.a.v. het resultaat van het controledictee gerichte oefenstof aanbieden

-          óf verdiepen óf verrijken bij goed resultaat; geen oefenstof aanbieden.

 



 

Taal

 

                            Methode taal actief / taaljournaal

  Compacten

   Verdiepen

   Verrijken

Voorbeeld 1.

 

-          per blok bekijken welke lessen

     ( taalbeschouwing) de

      begaafde leerlingen

      moeten maken en

      welke oefenstof

      weggelaten kan

      worden.

-          Afspraken maken voor de lessen Luisteren en Spreken

-          Na elk blok de toets afnemen gelijk met de rest van de groep.

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze van extra uitdagender oefenstof.

 

Mogelijkheden:

-          taaltoppers ( gr. 6 t/m/8)

-          stenvert taalblokken taalmeesters ( gr. 6 t/m 8)

-          werkboeken van Ajodact m.b.t. taalbeschouwing

-          rondom het thema een verhaal laten schrijven.

-          Rondom het thema een woordschilderij laten maken eventueel in combinatie met een collage

-          Plustaken Taal

-          Cd. Roms m.b.t. taal

 

Schoolniveau:

-          goede afspraken maken welke materialen in welke groep gebruikt kunnen en mogen worden.

Klassenniveau:

-          Zorg voor een goede registratie van activiteiten van de leerling

-          Zorg voor voldoende variatie.

 

De vrijgekomen tijd besteden aan werkstukken,

mogelijk n.a.v. een thema.

-          vriendschap

-          post

 

-          kinderboeken

maak een top vijf van de meest gelezen boeken in je groep

 

-          hoe wordt een tijdschrift gemaakt?

Maak hier een strip van!

 

-          moderne communicatie

zoek plaatjes, die een historisch overzicht geven

 

-          eigen keuze onderwerp

 

 

klassenniveau:

-          een goede registratie van activiteiten door de leerling is belangrijk.

-          Zorg voor voldoende variatie.

 

Voorbeeld 2.

 

-          per blok van te voren de eindtoets afnemen voor de lessen taalbeschouwing.

-          N.a.v. deze resultaten bekijken welke oefenstof de leerling nog moet maken / oefenen.

-          Bij goed resultaat overstappen op verdiepen of verrijken.

-          afspraken maken m.b.t. de lessen Luisteren en Spreken.

 

Rekenen.

                              Methode   Wereld in Getallen

        Compacten

        Verdiepen

     Verrijken

Voorbeeld 1.

-          per blok bekijken wat de kern van de leerstof is.

-          Welke oefenstof is belangrijk? Schrappen van overbodige oefenstof.

-          Houd ik een logische opbouw van de leerstof vast?

-          Schrappen van herhalingsstof

-          Aanbieden van extra / plustaken

Eindtoets afnemen gelijk met de groep

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit:

-          plustaken rekenen

gr. 3 t/m 8

-          rekentoppers gr. 6 t/m/ 8

-          werkboeken van Ajodact

-          opdrachten van kennisnet / rekennet

-          somplex

-          VOORUIT rekenopgaven

-          stenvert rekenbloks realistisch rekenen

gr. 3 t/m/8   

-          c.d roms m.b.t. rekenen Schoolniveau:

 

-          goede afspraken maken welke materialen in welke groep gebruikt kunnen en mogen worden

 

 

Klassenniveau:

-          Zorg voor een goede registratie van activiteiten van de leerling

-          Zorg voor voldoende variatie.

 

De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit:

-          wiskunde opgaven

werkboeken vierkant voor Wiskunde

-          opgaven van internet m.b.t. wiskunde

-          project Bolleboos.

-          VOORUIT opgaven

-          stenvert rekenbloks

       rekenmeesters

       gr. 3 t/m 8

 

klassenniveau:

-          een goede registratie van activiteiten door de leerling is belangrijk.

-          Zorg voor voldoende variatie.

 

 

Voorbeeld 2.

-Per blok van te voren de eindtoets aanbieden.

 

-N.a.v. de resultaten de oefenstof aanbieden; let op niet teveel oefenstof aanbieden; schrappen van herhalingsstof; aanbieden van plustaken

 

-Gedeelte van de eindtoets opnieuw aanbieden.

Bij kinderen uit de hoogste groepen kun je ook voorstellen dat zij zelf een selectie maken uit de oefenstof en dit de leerkracht voorleggen.

 

Schoolniveau:

- afspraken vastleggen voor de hoeveelheid oefenstof

bijv.

eindtoets bijna goed

       ¼ van de oefenstof eindtoets voldoende

       ½ oefenstof

eindtoets onvoldoende

       leerkracht selecteert alle belangrijke oefenstof in beperkte mate.

 

Klassenniveau:

-          een goede registratie van de resultaten van de leerling.

 

 

Wereldoriëntatie

                                   Methode GEOBAS

 Compacten

Verdiepen

Verrijken

Hoofdlijn in de methode:

 

Gr. 6 Nederland met zijn provincies;

Gr. 7  Europa met specifieke

Landen.

Gr. 8 werelddelen met specifieke landen

 

Bekijk per hoofdstuk welke vragen interessant zijn voor de begaafde kinderen; dit wil niet altijd zeggen de sterretjes vragen. Zorg ervoor dat deze kinderen ook de doorgaande lijn blijven volgen.

 

 

Laat de kinderen een hoofdstuk inleiden, bijv.

-Beschrijf een toeristische route voor de mensen, zodat ze een indruk krijgen van de provincie; van een bepaalde stad ( denk aan Amsterdam, Rotterdam, Leiden)

( Internet is nodig)

 

beschrijf van de topo -steden steeds een van de belangrijkste gebouwen/ bezienswaardigheden in die steden.

 

Met welke milieu eisen heeft een boer met melkvee te maken? Hoe kijk jij daar tegen aan?

 

Maak een opstel over een dag gezien door de ogen van een strandwacht op een drukke zomerse dag

 

Laat een van de belangrijkste gebouwen van een stad, land nabouwen, natekenen.

 

 

 

- laat de kinderen een   werkstuk maken over:

 een provincie

 een land

 een werelddeel

 

( dit kan in verschillende groepen of individueel; niveau kan per kind verschillen)

 

maak een verslag van hoe het op een bloemenveiling er aan toegaat.

 

Maak een lijstje van de verschillende talen van Europa; zeg in elke taal goede morgen.

 

Welke verschillende religies zijn er in dit werelddeel?

 

 

Maak een ( strip)tekening van het melktransport

 

 Zoek muziekstukken op die met een specifiek werelddeel te maken hebben en leg uit waarom je deze hebt gekozen:

Bijv. Werelddeel Amerika:

-          rock and roll

-          countrymuziek

-          indianenmuziek

-          blues

-          jazz

 

 

 

 

Stappenplan voor het opzetten van een Plusklas.

 

De hieronder beschreven stappenplan kan gebruikt worden voor het opzetten van een interne plusklas als wel voor een externe plusklas.

 

  1. Inventariseren van hoogbegaafde kinderen.

Deze selectie kan in eerste instantie met de piramide-methode gebeuren. Elke leerkracht deelt de kinderen in; naarmate de kinderen beter scoren, zal het aantal afnemen. Deze screening kan voor de hoofdvakken gedaan worden. Maar het creatieve element moet niet vergeten worden.

Een andere manier is de scoringslijsten van het LeerlingVolgSysteem te nemen. De kinderen, die hoog scoren voor de taalonderdelen en de rekenonderdelen, kunnen geselecteerd worden ( A – A+)  ( zie handleiding materialen WSNS - diskette )

 

  1. Naar aanleiding van deze grove selectie wordt er een signaleringslijst gebruikt voor deze groep kinderen. Bijvoorbeeld: de SI-BEL of de Signaleringslijsten van Rijnstreek Zuid Holland. Soms zijn er al testgegevens bekend over deze kinderen. ( LDT – WISC-RN )

( zie handleiding materialen WSNS – diskette)).

 

  1. Er is nu een overzicht van het aantal leerlingen en de spreiding van deze leerlingen over de diverse groepen.
     
  1. Diagnosefase.

Alle gesignaleerde leerlingen zullen gediagnosticeerd moeten worden op een aantal belangrijke items, de cognitieve - , sociale - en de emotionele ontwikkeling.

Verder de werkhouding, taakgerichtheid en het concentratievermogen.
 

  1. Uitvoeringsfase.

Naar aanleiding van de diagnose kan er door de interne begeleider samen met de leerkrachten bekeken worden welke hulp welke leerling nodig heeft.

Dit kan zijn:

  1. het opstellen van een handelingsplan.

Voor elke leerling zal een handelingsplan opgesteld moeten worden .

Dit plan zal met de ouders doorgenomen moeten worden. Het is belangrijk om de ouders goed op de hoogte te brengen van eventuele gevolgen op de lange duur, bijv. bij versnellen heeft dit gevolgen voor de overgang van BO naar VO.

Het is belangrijk voor het kind en de leerkracht, dat het doel van het handelingsplan duidelijk moet zijn. Het zal beschreven moeten worden in resultaatgerichte termen.
 

  1. Evaluatie.

Na een periode van ongeveer 6 weken zal er bekeken moeten worden door de interne begeleider en /of de leerkracht of de aangeboden hulp voldoende is, vervolg moet hebben of uitgebreid moet worden.

Mocht de hulp juist een negatief resultaat geven, dan zal er zeer zorgvuldig geanalyseerd moeten worden, waardoor het mis is gegaan. Een nieuwe diagnose en handelingsplan zijn noodzakelijk.
 

  1. Het opzetten van een structurele beleidslijn.

Deze kinderen hebben een aanpassing nodig voor de langere termijn. Een korte periode van extra werk of compacten is onvoldoende om deze kinderen de goede begeleiding te bieden voor hun ontwikkeling.

Daarom is het belangrijk, dat de individuele handelingsplannen omgezet worden in een structurele beleidslijn op de school.      

 

Aanvulling Stap 6.
 

Het is mogelijk dat het hoogbegaafde kind een periode behoefte heeft om met ontwikkelingsgelijken te werken voor een aantal uren in de week.

  1. dit kan op de eigen school zijn.

      ( vakgericht) in een andere groep les te laten volgen.

Doelstellingen en evaluatie aspecten vastleggen.
 

  1. dit kan extern zijn.

Externe Plusklas.
 

De inventarisatie van hoogbegaafde kinderen op de diverse basisscholen van het samenwerkingsverband of van een schoolbestuur kan aanleiding geven om een plusklas te formeren (of niet).
 

Voorwaarden voor het starten van een Plusklas:

-         een goed bereikbare locatie voor alle belanghebbenden.

-         de locatie moet voor de langere termijn beschikbaar zijn

-         aankleding en inrichting van de ruimte, meubilair, audiovisuele middelen,etc

-         materialen voor hoogbegaafde kinderen

-         een programma gericht op de begeleiding van hoogbegaafde kinderen

-         doelstellingen en evaluatie aspecten moeten bekend zijn bij aanvang

-         criteria en aanmeldingsmogelijkheden

-         minimaal één leerkracht, liefst met een klassenassistent(e)

de leerkracht zal kennis van / ervaring met moeten hebben:

-         het financiële overzicht

Dit alles zal moeten worden vastgelegd in een werkplan, dat goedgekeurd zal moeten worden door het bestuur / samenwerkingsverband. Vervolgens zal ook de inspectie hiervan op de hoogte gebracht moeten worden.

 

Lijst van (mogelijke) basismaterialen voor het opstarten van een Plusklas.
 

Aanschaf van de materialen is afhankelijk van het aangeboden programma en van de locatie. Moeten er verrijkingsmaterialen zijn voor de hoofdvakken Taal en Rekenen of is het programma meer afgestemd op technische vaardigheden, probleemoplossend natuurkundige vaardigheden en creatieve vaardigheden? Met betrekking tot de locatie: is de Plusklas in de eigen school of ergens anders? Kun je daar materialen lenen of moet je het zelf aanschaffen?
 

Algemeen:

- meubilair – kasten – computer(s) – printer – scanner – internetverbinding – diskettes – t.v. en video mogelijkheden – cd-rom / audio mogelijkheden – handdoeken – emmer -afdroogdoeken – sponsjes en schoonmaakdoekjes -  veger en blik – stofzuiger -
 

Handvaardigheid:

De kinderen zullen altijd wel behoefte hebben aan dit soort materialen:

- scharen – plak (technicol) – verf – kwasten – chenilledraad – paperclips – afplakband – plakbandhouder+ plakband – nietmachine + nietjes– perforator – kleurpotloden – lineaal-puntenslijper – stiften – watervaste stiften – waskrijt – tekenpapier – gekleurd tekenpapier ( assorti) – dun karton – sitspapier – vliegerpapier – dun touw – grote, dikke naalden – elastiek – hamer – spijkers – afvalhout – nijptang – kleine handzaag – steenpoeder – mallen voor baksteentjes – printpapier – behangselplak – lollystokjes -wegwerpmaterialen - verder afhankelijk van de aangeboden onderwerpen
 

Wereldoriëntatie:

atlas – woordenboek Nederlands – woordenboek Engels – naslagboeken en informatieve cd-roms m.b.t. de onderwerpen, die de kinderen kunnen uitdiepen ( alleen internet is niet voldoende) uitg. www.arsscribendi.com  heeft goede boeken
 

Biologie / natuurkunde:

Vergrootglas – glazen potten en flessen – glazen bak of plastic kom – plastic slangetje(s) -  (was)knijpers – kleine zuignappen – boeken en cd-roms afhankelijk van de aangeboden onderwerpen –
 

Techniek:

Lego steentjes – technisch lego – ( losse materialen / onderdelen zijn te bestellen via Internet: www.lego.com ) – k’nex ( liever geen bouwdozen, maar algemeen materiaal) –

Lokon constructiemateriaal –
 

Sociale vaardigheden:

Gezelschapsspelletjes– piramidegame http://www.schoolmaterialen.nl  - schaken – dammen – speelkaarten – etc.


 

Rekenen:

- werkboeken AJODACT ( c- opgaven) – plustaken Delubas – rekentoppers van AJODACT - project Bolleboos – lesbrieven van VOORUIT – wisschriften Vierkant voor Wiskunde – themaboeken van Vierkant voor Wiskunde – rekenmeesters ( Stenvert)
 

Taal:

- werkboeken AJODACT – plustaken Delubas – taaltoppers van AJODACT – lesbrieven van VOORUIT – taalmeesters ( Stenvert)
 

zie verder uitgave van het Handboek voor begaafde leerlingen – WSNS ( diskette

Aanbod programma:
 

Projecten van de Plusklas

Lesbrieven en pakketten voor werkstukken van CMO ( www.cmo.nl )

Een aantal lesbrieven zijn gratis te downloaden – de pakketten zijn voor een lage prijs aan te schaffen. ( Centrum voor Mondiaal Onderwijs).
 

Kant en klare projectlessen basisonderwijs:

- www.webkwestie.nl

 

Een andere interessante site, waar veel informatie, werkbladen, proefjes en naslag te vinden is voor kinderen:

www.kids@work.be