
Dit
draaiboek “uitgangspunten om te komen tot een beleidsplan voor de
(hoog)begaafde kinderen binnen de basisschool” is ontstaan naar aanleiding van
hulpvragen van de verschillende scholen.
Vanuit
de expertise opgedaan als project- leerkracht van de Plusklas heb ik een
vertaalslag gemaakt met behulp van de diverse artikelen en boeken over
hoogbegaafdheid – zie bronvermelding – naar een beleidsplan voor de scholen om
te komen tot schoolafspraken voor (hoog)begaafde leerlingen.
In
het Zorgplan van het Samenwerkingsverband ’s-Hertogenbosch staat de
ambitie geschreven:
- In 2010 zijn alle scholen in ’s-Hertogenbosch in staat adequaat en
professioneel onderwijs te bieden aan alle kinderen in hun eigen omgeving. Er
is sprake van een sluitende en geïntegreerde aanpak voor (zorg)leerlingen in de
buurt.
Dit houdt onder meer in, dat scholen zich actief moeten bezighouden met het
opstellen van schoolbeleidslijnen voor de diverse groeperingen
(zorg)leerlingen, onder andere hoogbegaafdheid. Dit draaiboek kan hierbij een
goede ondersteuning zijn.
Uitgangspunten om te komen
tot een beleidslijn voor (hoog)begaafde kinderen.
Inhoud:
- stap 1 pedagogische grondhouding
- stap 2 het bepalen van de doelgroep
- stap 3 doelstellingen voor het beleidsplan
- stap 4 randvoorwaarden
- stap 5 werkgroep samenstellen
- stap 1 inventariseren van de huidige praktijk
- stap 2 signalering
- stap 3 diagnostiek
- stap 4 integratie van de informatie van signalering
en diagnose
- stap 1 versnellen?
- stap 2 waarom is reguliere leerstof ontoereikend?
- stap 3 keuzes in begeleiding
compacten – verdiepen – verrijken
- stap 4 evalueren
- stap 1 terugkoppeling naar het team
- stap 2 introductie bij het bestuur
- stap 3 introductie bij de ouders
- stap 4 weergave in de schoolgids
- stap 5 implementatiefase
- stap 6 evaluatie en bijstelling
-
signalering
a. signaleringsinstrumenten
b. signalering bij kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong
- onderpresteerders
a. twee vormen van onderpresteren
b. checklist voor onderpresteerders
-
overzicht persoonlijkheidstructuur van
het hoogbegaafde kind
- het hoogbegaafde kind en zijn denkprocessen
-
sociaal – emotionele ontwikkeling
-
voorbeelden van compacten
1. spelling
2. taal
3. rekenen
4.
wereldoriëntatie
- stappenplan om te komen tot een Plusklas
- hoogbegaafde kinderen kunnen meer Sylvia Drent
- de begeleiding van hoogbegaafde kinderen James T. Webb
- intelligente kinderen Hans de Vries
- begaafde kinderen op de basisschool Jo Nelissen – Pieter Span
- professioneel omgaan met hoogbegaafde
kinderen in het basisonderwijs Sylvia Drent – Eleonoor v. Gerven
- zicht op hoogbegaafdheid Eleonoor van Gerven
- hoogbegaafden in de Samenleving F.J. Mönks – Pieter Span
- onderwijs aan begaafde leerlingen in het VO M. Pluymakers – Pieter Span
- de vier kindertypen Ch. Kaniak – Urban
- sociale competentie en de brede school Saskia van Oenen
- zes denkende hoofddeksels Edward de Bono
- sociale vaardigheidstraining voor kinderen Martin Herbert.
- internetpagina www.hoogbegaafd.pagina.nl
Uitgangspunten om te komen tot een beleidsplan voor
(hoog)begaafde kinderen.
Door de eigen ervaringen van de scholen met begaafde kinderen en doordat er steeds meer aandacht komt voor de specifieke hulpvragen m.b.t. het onderwijs voor deze groep kinderen is er een bewustwordingsproces op gang gekomen binnen de scholen om de zorg niet alleen aan de “uitvallers”aan de onderkant te geven, maar dat de “uitvallers” aan de bovenkant net zo goed recht op extra aandacht hebben. Deze verschuivingen binnen het zorgsysteem hebben ertoe geleid, dat er een intrinsieke motivatie bij de scholen op gang is gekomen om deze zorg binnen een schoolbeleidsplan vast te leggen.
Stap 1.
De visie van de
school.
- het is belangrijk dat de school haar pedagogische grondhouding ten aanzien van het onderwijs aan leerlingen omschrijft.
- Zo ook voor deze doelgroep.
Let op dat in de omschrijving vermeden wordt: snelle ontwikkeling. Er zal dan meteen omschreven moeten worden wat snel is en op welke gebieden.
Kinderen met
een ontwikkelingsvoorsprong kunnen op dat moment snel zijn, maar zijn niet
begaafd.
Belangrijk:
de pedagogische grondhouding van de school zal door het gehele team
onderschreven moeten worden, vastgelegd worden in het schoolwerkplan en in de
schoolgids te vinden moeten zijn.
Voorbeeldomschrijving:
Wij accepteren dat er verschillen zijn tussen kinderen. Vanuit deze acceptatie willen we zoveel mogelijk recht doen aan een doorgaande ontwikkelingslijn voor de leerlingen, rekening houdend met hun verschillen, werkend in een leerstofjaar-klassen systeem met de grootste mogelijk interne groepsdifferentiatie, die op dat moment mogelijk is.
De grondpijlers voor deze onderwijsvisie zijn:
- Het bevorderen van de relatie tussen de kinderen onderling en de kinderen en
leerkrachten,
- Het bevorderen van competentie – en autonomiegevoel van de leerlingen.
Stap 2.
Het bepalen van de
doelgroep.
Vaak wordt er bij de beschrijving van (hoog)begaafde kinderen uitgegaan van het Interdependentiemodel van Renzulli en Mönks.
- Het gezinsverband, waarin het kind opgroeit, de school en de “peergroup”
( 3 sociale omgevingsfactoren) en daarnaast hoge intellectuele capaciteiten
( IQ hoger da n 130), creativiteit
en doorzettingsvermogen ( 3 persoons -kenmerken) zijn in dit model de
zes factoren, die bepalend zijn voor de ontwikkeling van hoogbegaafdheid.
Een ander model, dat ook regelmatig gebruikt wordt, is het model van Heller. Hierin wordt het model van Renzulli en Mönks samengebracht met de meervoudige intelligentie theorie van Gardner.
Welk model ook
gehanteerd wordt, de keuze voor de definitie is in principe sturend voor de
manier, waarop straks tegen inhoudelijke zaken als versnellen, compacten en
verrijken wordt aangekeken.
Mogelijkheid tot verbreding van de doelgroep:
Binnen de doelgroep kunnen ook de volgende groepen leerlingen horen:
- leerlingen, die op deelgebieden duidelijk boven het gemiddelde scoren of op hoogbegaafd niveau scoren. Deze prestaties zijn voornamelijk terug te vinden in de A-scores op de Cito- toetsen;
- bovengemiddeld begaafde leerlingen met een IQ tussen de 120 en de 130.
Discussie:
- keuze voor smalle of brede definitie voor de groep leerlingen?
- moet er persé een IQ test zijn afgenomen om tot de doelgroep te behoren?
- Als de Cito-scores mee tellen, wanneer is een Cito-score bepalend om tot de doelgroep te mogen behoren: bij de eerste keer of moet er meerdere malen op A-niveau gepresteerd zijn?
Het is belangrijk dit item goed vast te leggen i.v.m. ouders, die komen vragen of hun kind ook extra werk kan krijgen, want het kind heeft toch een goed cijfer of een goede toetsuitslag?
-
Hoe verhoudt zich de definitie tot een eerder
gekozen werkmodel bijv. FLEXIT of het GIP-model?
Stap 3.
Doelstellingen voor
het beleidsplan “begaafde kinderen”.
( beschrijven van de wenselijke situatie)
- In het plan komt te staan, of er op de school volgens uitgangspunten van een bepaald didactisch model wordt gewerkt in de groepen, bijv. FLEXIT of GIP-model.
- Verder wordt er in opgenomen, dat er in principe wordt gewerkt volgens het BHV-model ( Basis- Herhaling- Verrijken) en dat de interne differentiatie een zo’n breed mogelijk terrein beslaat.
- In het plan komt te staan met welke signalerings- en diagnosticerings instrumenten wordt gewerkt.
- In het plan wordt opgenomen welke verrijkings- en verbredingsmaterialen worden gebruikt en wanneer deze worden ingezet.
- In het plan wordt opgenomen of deze kinderen naast de begeleiding in de groep ook aparte begeleiding krijgen of niet.
- In het plan wordt opgenomen hoe de extra begeleiding eruit ziet en door wie en waar deze wordt gegeven. (bijv. project Plusklas)
- In het plan wordt opgenomen of er wordt gewerkt met vervroegde doorstroming in de kleutergroepen.
-
In het plan wordt opgenomen of er wordt versneld
en hoe vaak een leerling kan versnellen binnen zijn/haar schoolloopbaan.
Belangrijk zijn de motivaties die ten grondslag liggen aan deze keuzes.
Met betrekking tot versnellen:
-
het is belangrijk goed vast te leggen, dat alle
aspecten van ontwikkeling van een leerling worden meegenomen. Niet alleen de
cognitieve ontwikkeling is een reden om te versnellen.
Stap 4.
Randvoorwaarden.
Om de beleidslijn goed te kunnen implementeren op de werkvloer is het belangrijk te kijken naar verschillende andere aspecten:
-
Financiering
· is er extra geld beschikbaar ( mogelijkheid tot subsidie aanvragen )
· formatieplaatsen
-
menskracht
· wie neemt welke taken op zich?
· extra tijd van personen/ vrijwilligers?
· Hoeveel tijd beschikbaar voor de begeleiding voor deze kinderen?
· Wie neemt de begeleiding van deze kinderen op zich?
-
maximale inzet van de leerkrachten
· hoe is de taakverdeling?
· Wat kan er minimaal/ maximaal gevraagd worden?
- gevoeligheden binnen team en schoolbestuur
· visieverschillen / draagvlak
· kwaliteitsverbeteringen / prioriteiten
· extra financiële injectie voor
§ aanschaf van extra materialen
§ extra mankracht
§ aanstellen van bovenschools intern begeleider begaafde leerlingen vanuit schoolbestuur
§ aanschaf van materialen / prioriteiten
- het totale aantal leerlingen, dat door de werkdefinitie in aanmerking komt voor een speciaal begeleidingstraject.
Stap 5.
Werkgroep
samenstellen.
Het beste is een werkgroep samen te stellen, die bestaat uit
een vertegenwoordiging uit de diverse bouwsectoren, de interne begeleider
leerlingenzorg en een directielid. Door deze samenstelling kan het beleidsplan
waarschijnlijk de meeste steun van het gehele team krijgen. Tevens kunnen de
lijnen naar de verschillende subgroepen in de school zeer kort zijn.
-
omschrijving van de verschillende taken van
de leden van de werkgroep
·
wie is de algemeen coördinator?
-
omschrijving van het tijdspad
· wanneer werkgroepvergaderingen
·
terugkoppeling naar bouwoverleg
-
welke stappen van het beleidsplan worden
wanneer afgesloten
· omschrijving van terugkoppeling naar directie
naar team
( naar schoolbestuur)
· omschrijving van inbreng / inzet ouders ( voor zover van toepassing)
·
omschrijving van inbreng ambulante begeleiding (
voor zover van toepassing)
Als er nog geen bouwcoördinatoren zijn aangesteld, zal deze organisatiestructuur eerst moeten gebeuren of men kan kiezen voor een coördinerende taak voor een van de leerkrachten.
Tevens zal de directie de leerkrachten, die zich specifiek geschoold hebben of willen gaan scholen met betrekking tot (hoog)begaafde kinderen, betrekken bij de werkgroep, ook als zij geen bouwcoördinator zijn.
Het aantal leden van de werkgroep moet niet te groot zijn. Er is altijd een mogelijkheid om deeltaken te delegeren naar collega’s.
Stap 1.
Inventariseren van de
huidige praktijk:
· wat gebeurt er op school al in de praktijk voor begaafde kinderen?
· Welke afspraken, al dan niet beschreven, gelden er?
· Welke materialen zijn op school al aanwezig?
Vaak blijkt dat er op de school al een aantal zaken
zijn gerealiseerd en /of gebeuren. Deze zijn vaak niet vastgelegd of met het gehele
team door gesproken. Ook met betrekking tot materialen blijkt vaak dat er al
het een en ander op school aanwezig is, maar niet geregistreerd in orthoteek of
bij het gehele team bekend.
-
activiteiten op schoolniveau:
· bijv. afspraken over signalering en diagnostiek
· rapporten
· professionalisering van leerkrachten
· voorlichting aan en samenwerking met derden
·
relaties met het voortgezet onderwijs
-
activiteiten op bouwniveau:
· bijv. gelden afspraken over de benadering van begaafde kinderen
· aparte werkvormen / strategieën
·
werken met aparte materialen
-
activiteiten op groepsniveau:
· activiteiten die de leerkracht binnen de speelruimte van zijn eigen onderwijsleersituatie en eigen professionaliteit onderneemt
bijv. het aanpassen van de hoeveelheid leerstof
alleen antwoorden opschrijven
gesprekken met kinderen
gesprekken met ouders
Bij deze inventarisering moet de werkgroep zich richten op de aspecten:
- signalering
- diagnostiek
- materialen en didactiek
- interne hulpverlening
- externe contacten
-
professionalisering.
Deze inventarisering kan via de bouwcoördinatoren naar de
werkgroep door gespeeld worden. Na een werkgroepvergadering, waarin alle
deelstukken in een groot geheel worden geplaatst, is het goed om een
terugkoppeling naar het team te organiseren.
Stap 2.
Signalering.
Signalering van begaafde kinderen dient zo vroeg mogelijk te
gebeuren. Het vroegtijdig onderkennen van de begaafdheid en hiermee de
onderwijsbehoeften van een leerling is vooral van belang om problemen als
onderpresteren en negatief zelfbeeld of gedragsproblemen te voorkomen.
Signaleren omvat alle
leerlingen.
In het beleidsplan staat de wenselijke situatie centraal. Om te beginnen kan het beste eerst duidelijk omschreven worden wat er wordt beoogd met de signalering.
Aandachtspunten:
-
Signaleringsmethoden bij binnenkomst
· waar komt de informatie vandaan?
1. informatie van de ouders
2. indruk van de leerkracht
-
signaleringsmethoden tijdens schoolloopbaan
· waar komt de informatie vandaan?
1. resultaten in het leerlingvolgsysteem ( welke systeem- vastleggen)
2. resultaten bij methode geboden toetsen ( bij welke vakken – vastleggen)
3. leereigenschappen van de leerling ( hoe zijn deze vastgesteld en door wie)
4. informatie van de ouders
5. formele signaleringslijst
-
signering van onderpresteerders
· waar komt de informatie vandaan?
1. algemene observaties
2. resultaten in het leerlingvolgsysteem
3. kenmerkenlijst onderpresteerders
4. informatie van de ouders
-
welke instrumenten willen we hanteren?
-
wie is verantwoordelijk voor de signalering?
-
welke procedure wordt doorlopen?
-
hoe worden de resultaten vastgelegd?
Het resultaat van de
signalering.
Na deze eerste signalering hebben informatie over de intellectuele mogelijkheden en de leerprestaties van de leerling. De informatie uit deze eerste stap heeft aangegeven, dat een leerling waarschijnlijk (hoog)begaafd is.
Het profiel van de intellectuele mogelijkheden c.q.
cognitieve ontwikkeling van een leerling, de prestaties op de verschillende
vakgebieden en de ervaring van de leerkracht op de verschillende
vakgebieden geven aan of de ontwikkelingsbehoeften over de hele linie
gelden of vakspecifiek.
Stap 3.
Diagnostiek van
begaafde leerlingen.
Waarom diagnose?
Diagnose is noodzakelijk om andere ontwikkelingsbehoeften van
de leerling in kaart te brengen. Het gaat hierbij om het verzamelen van
informatie over factoren, die het werken en functioneren van begaafde
leerlingen beïnvloeden en daarmee van belang zijn voor het uitzetten van een
leerlijn.
De factoren zijn:
- werkgedrag
· zelfstandigheid
· werkinstelling
· motivatie
- taakaanpak
· planmatige aanpak
· welke stappen neemt een leerling in het oplossen van een probleem?
· creativiteit en flexibiliteit
- sociaal-emotionele ontwikkeling
· omgang met andere kinderen
· omgang met volwassenen
· houding tegenover school
· zelfbeeld
-
interessen/ hobby’s
De stap diagnose wordt nogal eens vergeten. Maar het is heel belangrijk te weten hoe een leerling werkt. Als een leerling bijv. absoluut niet planmatig kan werken, zul je in het begin de taken veel meer moeten structureren en hem/ haar daarin begeleiden.
Als dit vergeten wordt, mislukken de geplande activiteiten gauw. De leerkrachten raken gedemotiveerd, geven het op. Zie je wel ze kunnen het niet. Het heeft geen zin om op deze manier te werken.
Maar de wijze van aanpak kan verkeerd gekozen zijn voor die
leerling. Het is belangrijk om deze aspecten met de leerkrachten door te
spreken, zodat zij zicht hebben op het belang van deze aspecten voor het slagen
van de gekozen aanpak.
Diagnostische instrumenten.
Welke vormen van diagnostisch onderzoek zijn geschikt?
· invullen van een observatielijst
groep 1 en 2
groep 3 t/m 8
· verrichten van didactisch onderzoek
groep 1 en 2
groep 3 t/m 8
· verrichten van psychodiagnostisch onderzoek
groep 1 en 2
groep 3 t/m 8
voorbeelden van observatielijsten:
-
vragenlijst “begaafden in de basisschool”van de
OBD Midden-Holland en Rijnstreek
Deze formulieren worden in de Plusklas
gehanteerd. Zij geven een beeld over bovenstaande factoren door zowel de
leerkracht als de ouders. Het is belangrijke informatie.
-
de SI-BEL
en de SI-DI van Eduforce / GCO
Fryslan
Stap 4.
Integratie van de
informatie van signalering en diagnose.
Na signalering en diagnose kan men antwoord geven op de volgende vragen:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Met het antwoord op deze vragen kan men een leerlijn voor de leerling uitzetten. Men kan de juiste materialen zoeken, die passen bij de ontwikkelingsbehoeften, werkwijze en interessen van de leerling. Tevens heeft men een duidelijk beeld van eventuele risicofactoren, die extra aandacht behoeven.
Inhoudelijke uitwerking van een
beleidsplan.
Stap 1.
Het probleem: VERSNELLEN.
Het team zal een standpunt moeten innemen over het probleem versnellen. Het is mede bepalend hoe de beleidslijn voor (hoog)begaafde kinderen eruit zal komen zien.
Als men uitgaat van een doorgaande ontwikkelingslijn voor kinderen, moet het eigenlijk vanzelfsprekend zijn, dat er aan de onderwijsbehoeften van kinderen, die sneller dan gemiddeld leren tegemoet wordt gekomen. Soms betekent het, dat het kind een groep versnelt, omdat de ontwikkelingsgelijken van het kind in een groep hoger zitten.
Maar alleen het cognitieve element mag niet de enige leidraad zijn voor versnellen.
Vaak zal de praktijk uitwijzen dat er in de onderbouw wordt versneld. Kleuters, die zich het leren lezen hebben eigen gemaakt, stromen vaak door. Al dan niet geleidelijk aangepast.
Hier moet wel bij opgemerkt worden, dat kinderen, die een ontwikkelingsvoorsprong hebben op jonge leeftijd, niet altijd hoogbegaafd hoeven te zijn. Deze kinderen kunnen de voorsprong kwijt raken in de loop van de jaren. Observatielijsten aan de hand van een kenmerkenlijst zullen gebruikt moeten worden om te achterhalen of er sprake is van hoogbegaafdheid of een ontwikkelingsvoorsprong.
Versnellen, na groep 3, is vaak het grootste probleem.
Zeker als de leerling ongunstig jarig is t.a.v. de 1 oktober grens, zou het kunnen voorkomen, dat de leerling te vroeg naar het voortgezet onderwijs doorstroomt.
Wat betreft de cognitieve aspecten zou het geen probleem geven, maar de emotionele – en sociale ontwikkeling gaan problemen opleveren. De leerling komt met pubers in aanraking, terwijl hij of zij daar zelf nog niet aan toe is.
Er zal dan gekozen moeten worden voor verdiepende- en verrijkende leerstof i.p.v. versnellen.
Stap 2.
Waarom is de
reguliere leerstof ontoereikend voor de (hoog)begaafde leerling.
· de leerling heeft meestal een hoog werktempo.
· De leerling heeft minder tijd nodig zich nieuwe dingen aan te leren.
· De leerling heeft behoefte aan grotere leerstappen en minder herhalingsstof.
·
De leerling heeft minder behoefte aan
instructie.
Waaraan moet leerstof
voor de begaafde leerling wel aan voldoen?
· leerstof van een hogere moeilijkheidsgraad dan de reguliere leerstof
· meer uitdagender leerstof
· een hoger abstractieniveau
· complexere vraagstukken, combinaties van verschillende problemen.
· Vakgebieden in samenhang.
· Variatie in aanbod.
· Liefst aansluiten bij de interessen van de leerling.
· Een zinvolle aanvulling vormen op de reguliere leerstof.
· Zo min mogelijk of geen herhalingen, geen routinewerk.
· Didactisch logisch, gestructureerd opgebouwd.
· Reflectie op eigen handelen uitlokken.
· Divergent denken stimuleren.
· Leerstof met een aangepaste instructiewijze ( minder luisteren, meer doen).
Vaak moeten (hoog)begaafde kinderen eerst de gehele reguliere leerstof maken, voordat zij ander werk mogen maken, terwijl leerlingen, die moeite hebben om de leerstof zich eigen te maken, minder hoeven te maken, zodat de leerkracht de groep bij elkaar kan houden. Dit is tegenstrijdig m.b.t. het cognitieve aspect. Het levert veel problemen op in de gedragssfeer.
Teveel wordt het andere werk gezien als iets extra’s terwijl het gezien moet worden als iets dat er voor in de plaats komt.
Het denken en leren door hoogbegaafde kinderen verloopt anders dan de gemiddelde leerling of de begaafde leerling. Hier zal rekening mee gehouden moeten worden bij het aanbod van de leerstof. ( zie bijlage denkprocessen).
Stap 3.
Afhankelijk van de
keuzes die de school maakt, kan de school kiezen uit de volgende wegen:
Er zijn drie opties voor een verrijkingsprogramma:
Compacten:
- Het comprimeren van de reguliere leerstof tot een zodanige omvang dat alleen nieuwe aspecten en de daarbij minimaal inoefenstof wordt aangeboden.
-
Een structurele opzet hiervan vraagt
aanvankelijk een behoorlijke tijdsinvestering, maar gaat mee voor de duur van
een methode.
Richtpunten bij het compacten zijn:
· welke opgaven uit dit blok/ hoofdstuk zijn zinvol en uitdagend voor (hoog)begaafde kinderen?
· Welke onderdelen beheerst de leerling al?
· Welke onderdelen juist niet?
· Er mag niet willekeurig in de lesstof worden geschrapt. Ga systematisch te werk.
·
Leg vast wanneer de methode gebonden toetsen
afgenomen worden: meteen na de verwerking van de gecompacte leerstof of gelijk
met de rest van de groep, wanneer die de leerstof heeft doorgenomen.
Verdiepen:
-
het aanbieden van leerstof, die een uitbreiding
vormt op onderwerpen of vakken, die een onderdeel uitmaken van het reguliere
onderwijsaanbod van een school.
Verrijken:
-
het aanbieden van leerstof die onderwerpen of
vakken behandelt, die normaal gesproken geen onderdeel uitmaken van het
reguliere onderwijsaanbod.
Richtpunten bij het aanbieden van extra leerstof:
· inventariseren van beschikbaar materiaal; de ster- of plusopdrachten zijn niet altijd geschikt als verdiepingsstof. Ze zijn vaak bedoeld om het tempoverschil op te vangen tussen leerlingen.
· Keuze van materiaal ( zie handboek begaafde kinderen)
· Aanschaf van leermateriaal; waar moet het materiaal aan voldoen om ingezet te kunnen worden binnen de school?
Mate van zelfstandig werken aspect, moeilijkheidsgraad, beschikbaar van antwoordenboekjes.
· afspraken maken en vastleggen welke materialen door welke groepen worden gebruikt?
·
Zijn er andere verwerkingsopdrachten te maken
bij de reguliere lesstof? Afspraken maken waar en hoe deze opdrachten/ taken
worden vastgelegd en bewaard.
In het beleidsplan omschrijft men de basisprincipes, die de school toepast op alle gebruikte methoden. Er wordt dus beschreven hoe de leerkracht te werk kan gaan bij het compacten van de methodegebonden leerstof.
Bijvoorbeeld:
- de methodegebonden toetsen vooraf afnemen en aan de hand van deze resultaten bepalen welke leerstof door de leerling nog gemaakt moet worden.
-
Herhalingsoefeningen of oefenstof bedoeld voor
kinderen, die extra oefening nodig hebben, wordt weggelaten.
Stap 4.
Evalueren.
De evaluatiefase is altijd de laatste fase in het proces van leerlingbegeleiding. Dit proces is een cyclisch proces, d.w.z. dat uit de evaluatiefase weer nieuwe gegevens naar voren kunnen komen die aanleiding geven om de gevolgde werkwijze op een aantal punten bij te stellen.
Om een goede evaluatie mogelijk te maken, is het belangrijk dat van het begin af aan alle gegevens en afspraken schriftelijk zijn vastgelegd.
Daarbij zijn vooral de geformuleerde doelstellingen van belang.
Tijdens het evaluatiegesprek komen de volgende punten aan bod:
Beoordeling van het werk.
Voor de leerling is het van belang dat zijn/ haar werk wordt beoordeeld en besproken. In het gesprek tussen leerkracht en leerling moet vooral de nadruk liggen op het proces, dat de leerling heeft doorgemaakt en welke leerpunten hij/zij eruit heeft gehaald.
Voorbeeldvragen:
Zijn de doelstellingen bereikt? Zo ja, op welke manier? Kon je het anders doen?
Zo nee, waarom niet? Wat ging er mis? Wat verliep goed? En waarom ging het goed?
Weet je zelf veranderingen te noemen, waardoor het een volgende keer nog beter gaat?
Wat vind je zelf van het resultaat? Wat heb je ervan geleerd?
Ook op het rapport zal een beoordeling komen te staan over de gemaakte verrijkingsstof. Binnen het team zullen hier afspraken over gemaakt moeten worden.
1. terugkoppeling van en naar het team.
- waarom is terugkoppeling nodig?
a. het draagvlak wordt breder door weerstanden te voorkomen
b. respect voor de eigen professionaliteit van het team
c. gebruik van eens luidende definities
d. ondersteunt de werkgroep met positieve feedback
e. geeft ruimte aan de eigen opvattingen van alle teamleden
2. introductie bij het Bestuur.
- waarom is dit belangrijk?
a. het betreft wezenlijke aanpassingen van het schoolbeleid
b. breidt het draagvlak uit naar buiten
c. geeft mogelijkheden tot financiële ondersteuning
d. geeft mogelijkheden tot ondersteuning bij aanvragen van subsidies
3. introductie bij de ouders.
- hoe kunnen we dit aanpakken?
a. via de schoolgids
b. tijdens een algemene ouderavond
c. tijdens een ouderavond voor ouders van (hoog)begaafde kinderen
4. weergave in de schoolgids.
- wat moet er in de schoolgids?
a. definitie van (hoog)begaafdheid
b. aanpak
c. signalering
d. diagnostiek
e. begeleiding
f. evaluatie
g. vraagbaak in het team
h. arbitrage
5. implementatie; gefaseerd of juist niet?
- wie bepaalt de keuze?
a. beschikbare taakuren t.o.v. de te verrichten werkzaamheden
b. aantal leerlingen dat tot de doelgroep behoort
c. spreiding van de doelgroep binnen de leerstofjaargroepen
d. beschikbaarheid van de materialen
6. evaluatie en bijstelling.
- wat moet u evalueren?
a. functies en rollen
b. organisatorische aspecten
c. onderwijsinhoudelijke aspecten
d. pedagogische aspecten
e. terugkoppeling naar ouders.
Signalering.
Signaleringsinstrumenten
bij (hoog)begaafde kinderen in groep 1 en 2.
- informatie van de ouders bij een intakegesprek
- observaties/ inschatting van de leerkracht
1. HIBKOV-II (observatiemethode)
2.
SI-BEL
–SI-DI ( Eduforce / GCO Fryslan)
3. een opsomming van kenmerken voor een observatie uit de brochure
“help een hoogbegaafd kind” ( Pharos)
4.
een menstekening ( binnen de eerste 4 schoolweken
laten maken)
- informatie over prestaties van de leerling
1. CITO-toetsen
2. GSO- ( Groninger School Onderzoek)
3.
piramidetechniek ( subjectief, maar goed voor
een snelle inventarisatie)
Signaleringsinstrucmenten
bij (hoog)begaafde kinderen in groep 3 en hoger.
- gesprek met de ouders
- observeren aan de hand van een kenmerkenlijst
(ook een voor onderpresteerders)
- SI-BEL / SI-DI
- Informatie uit het leerlingvolgsysteem
- Schoolvragenlijst – de SVL
-
Piramidetechniek ( subjectief, maar goed voor
een snelle inventarisatie)
Signaleren van een
ontwikkelingsvoorsprong
Bij kleuters spreekt men nog
niet van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong.
Waarom kan men dan nog niet
van hoogbegaafdheid spreken?
-
Dit is pas vanaf 8-jarige
leeftijd betrouwbaar te testen.
-
Een kleuter
ontwikkelt zich sprongsgewijs.
-
De ontwikkeling
is afhankelijk van zijn directe omgeving.
Het is erg belangrijk, dat
men vroegtijdig signaleert of een leerling een ontwikkelingsvoorsprong heeft.
Welke factoren kunnen hierbij van belang zijn?
- Algemeen:
-
intense
betrokkenheid
-
“diep” denken
(bijv. over leven en dood)
-
empathisch
vermogen (zich goed kunnen inleven in de situatie van een ander)
-
kennishonger
-
logisch denken
-
creërend vermogen
-
fantasierijk
-
aanpassingsvermogen
(hierdoor kan al op jonge leeftijd het onderpresteren ontstaan)
-
meer
geïnteresseerd in cijfers en letters
-
sterk geheugen
-
gevoel voor humor
- spraak -
taalontwikkeling:
-
spreekt
duidelijk en heeft een goede zinsbouw.
-
heeft een grote
woordenschat.
-
gebruikt veel
moeilijke woorden.
-
heeft een goed
geheugen.
-
heeft een brede
belangstelling.
-
vertelt veel in
de groep op een ontspannen manier.
-
reageert op
andere leerlingen.
-
kan verhalen goed
weergeven.
-
legt de goede
verbanden
- sociale - emotionele ontwikkeling:
-
speelt goed met
leeftijdgenoten, maar trekt ook veel met oudere kinderen
-
neemt initiatief
-
open naar de
leerkracht
-
zelfstandig
-
kan goed
samenspelen
-
perfectionistisch
- werkhouding:
-
begrijpt
opdrachten snel
-
een hoog
werktempo
-
is gemotiveerd
-
kijkt kritisch
naar zijn eigen prestaties
-
heeft een grote
spanningsboog
-
stelt eisen aan
zichzelf
-
is teleurgesteld
als iets niet lukt zoals hij het wil
Onderpresteerders.
Onderpresteren is te omschrijven
als een verschil tussen de schoolprestaties van het kind en de prestaties, die
op grond van zijn werkelijke capaciteiten verwacht zouden mogen worden.
Als een kind langdurig onder
zijn niveau wordt aangesproken, kan dit tot gevolg hebben, dat het kind zijn motivatie
om te leren verliest en zich niet langer inspant bij het uitvoeren van taken,
met als gevolg onderpresteren.
Het onderwijsaanbod op de meeste scholen maakt dat (hoog)begaafde kinderen
eigenlijk voortdurend onder hun eigen niveau presteren. Wanneer deze situatie
lang voortduurt, kan dit ertoe leiden dat de kinderen uiteindelijk zelfs onder
het niveau van de groep gaan presteren.
Twee vormen van onderpresteren.
De
meeste onderpresteerders doen dat op een manier, die het minst opvalt, zij
passen zich aan het klassengemiddelde aan. Bij een hoger klassengemiddelde
presteren zij nog redelijk goed. Bij een laag klassengemiddelde presteren zij
zwaar onder hun niveau.
-
Bij de relatieve vorm van onderpresteren functioneert het
kind boven het klassengemiddelde, maar toch onder zijn eigen niveau. Deze
kinderen zal men niet gauw een onderpresteerder noemen, want ze behoren immers
bij de besten van de klas.
- De absolute onderpresteerder . Het kind gaat onder het klassengemiddelde presteren. Toch heeft dit kind, relatief gezien, nog de meeste kans om “ontdekt” te worden. Bij deze kinderen zie je vaak een grote discrepantie tussen het mondelinge en schriftelijke taalgebruik. De ouders hebben het idee, dat hun kind op school veel beter zou kunnen presteren, dan dat het doet. Naarmate het kind langer op school is, kunnen de matige resultaten vergezeld gaan van gedragsproblemen. Het kind kan zich in de klas als stoorzender gaan gedragen.
Checklist voor
onderpresteerders.
Een goed hulpmiddel bij de signalering van onderpresteerders is een specifieke checklist voor onderpresteerders. Er worden een aantal kenmerken genoemd, die typerend zijn voor deze leerlingen. Hoe meer kenmerken aan een leerling toegekend kunnen worden, des te groter is de kans, dat de leerkracht te maken heeft met een onderpresterende leerling.
|
POSITIEF |
|
|
|
1. begrijpt en onthoudt moeilijke informatie wanneer het wel geïnteresseerd is |
|
|
2. leest veel of verzamelt in zijn vrije tijd op andere manieren veel informatie |
|
|
3. presteert significant beter op mondelinge dan op schriftelijke overhoringen |
|
|
4. kent veel feiten en heeft een grote algemene ontwikkeling |
|
|
5. komt goed uit de verf bij individueel onderwijs op maat |
|
|
6. is creatief en heeft een levendige verbeelding |
|
|
7. ontwikkelt thuis op eigen initiatief allerlei activiteiten |
|
|
8. heeft een brede belangstelling en vindt het leuk om dingen te onderzoeken |
|
|
9. is gevoelig |
|
|
|
|
NEGATIEF |
|
|
|
1. presteert op school redelijk tot slecht ( soms alleen onder het eigen niveau) |
|
|
2. heeft zijn huiswerk niet af of slecht gemaakt |
|
|
3. is vaak ontevreden over zijn eigen prestaties |
|
|
4. heeft een hekel aan automatiseren |
|
|
5. vermijdt nieuwe leeractiviteiten uit angst om te mislukken |
|
|
6. heeft minderwaardigheidsgevoelens, kan wantrouwend of onverschillig zijn |
|
|
7. doet niet graag mee aan groepsactiviteiten, heeft het gevoel dat niemand hem mag |
|
|
8. doelen worden door het kind te hoog gekozen zodat falen hieraan geweten kan worden |
|
|
9. is snel afgeleid en impulsief |
|
|
10. staat afwijzend of onverschillig tegenover de school |
|
|
11. wil niet geholpen worden, wil zelfstandig zijn |
|
|
12. neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden of wijt mislukken aan anderen |
|
|
13. verzet zich tegen autoriteit |
* bron: Nelissen&Span.
Overzicht
persoonlijkheidsstructuur van het hoogbegaafde kind.
|
Type kind: Ik- expert |
|
|
Welke gevoelens sturen mijn gedrag? |
|
|
Niveau één Ontwikkelingsmotieven |
Welke behoeften hebben de hoogste prioriteit? |
|
Basis |
Streven naar autonomie |
|
Motor |
Ik wil begrijpen. |
|
Niveau twee Leidende gedachten |
Welke ideeën heb ik om dit doel te bereiken? |
|
Plan |
Weten / vermogens |
|
Houding taken |
Intuïtie Denkbeeld, ideeën, achtergronden, prognose, toekomst |
|
Cognitie Emotie |
Denken Zich cognitief eigen maken, intellectuele helderheid, objectieve resultaten, controle, planning |
|
Niveau drie Capaciteiten hulpmiddelen |
Van welke vaardigheden maak ik gebruik? |
|
Gedrag Vaardigheden hulpmiddelen |
Vragen stellen, conclusies trekken, plannen maken, kennis verwerven, zich intellectueel kastijden, eigen cognitieve strategieën bedenken |
|
Verklaring ik ben bijdehand en deskundig ! |
|
* bron “de vier kindertypen” .
Het hoogbegaafde kind en zijn denkprocessen.
Hoogbegaafde kinderen denken anders. Veel ouders weten dit uit ervaring, maar het goed overbrengen aan de buitenwereld, dat hun kind door zijn manier van denken in de problemen kan komen is lastig.
|
Van Concreet denken |
Denken over onderwerpen die tastbaar zijn |
|
Naar Abstract denken |
Voorstellingen kunnen maken, die men niet in de realiteit kan zien, voelen of met andere zintuigen kunnen ervaren. Hoogbegaafde kinderen kunnen eerder dan leeftijdsgenoten abstract denken. Ze bereiken ook een hoger niveau van abstractie. |
|
Praktische gevolgen |
|
|
Plusklas of Plusgroep op de
eigen school |
|
|
Convergent denken versus |
Denken gericht op het vinden van één oplossing of de beste uit een paar oplossingen. Voor de meeste kinderen is dit de manier waarop ze meestal denken. ( pientere leerling) |
|
Divergent denken |
Bij divergent denken is men bezig om zoveel mogelijk oplossingen te bedenken, die mogelijkerwijs tot een oplossing van het probleem of het bereiken van het gestelde doel leiden. Deze manier van denken is kenmerkend voor hoogbegaafde kinderen. Zij slaan informatie ook op door veel links te leggen tussen nieuwe info en al aanwezige kennis. Om divergent te kunnen denken, moet een kind beschikken over veel kennis en diverse denkmethoden. ( divergent denken leidt altijd weer naar convergent denken – het komen tot een oplossing) |
|
Praktische gevolgen |
|
|
Plusklas of Plusgroep op de
eigen school |
verbinden – nut van kleine “saaie” oefeningen wordt voor deze h.b. kinderen acceptabel. |
|
Rationeel denken |
De manier van denken waarbij je stap voor stap alles afweegt tegen over de logica van het moment. ( denken met je linkerhersenhelft) Hoogbegaafde kinderen zijn rationele denkers bij uitstek. Zij hebben een hoog ontwikkelde logica, die bovendien versterkt wordt door grote kennis. |
|
Praktische gevolgen |
Herkennen is nog niet Kennen. |
|
Plusklas of Plusgroep op de
eigen school |
|
|
Intuïtief denken |
Een manier van denken, waarbij zowel de creativiteit als de emotie een rol speelt en zodoende snel een oplossing kan brengen. |
|
Praktische Gevolgen |
h.b. kinderen zijn vaak zeer sensitief zonder dat zij zich daar bewust van zijn. Zij nemen emoties over van anderen, spanningen waar in een groep mensen, die voor de rest niet zichtbaar is of ervaren wordt.
|
|
Plusklas of Plusgroep op de
eigen school |
|
|
Conceptueel denken
+ ( creativiteit fantasie ) |
Deze manier van denken richt zich op het uitwerken van ontwerpen; detaillering van een geheel. Fantasie en creativiteit leiden tot nieuwe ideeën, toekomstbeelden, uitvinders |
|
Praktische gevolgen |
- verbaal – performaal kloof - niveau motorische ontwikkeling kan in de weg staan - soms beginnen ze niet aan de uitwerking, omdat die al bij voorbaat niet aan hun ideeën kan voldoen.
|
|
Plusklas of Plusgroep op de
eigen school |
meer bewegingsvrijheid. |
Sociaal – emotionele ontwikkeling.
Bij het opzetten van beleid voor hoogbegaafden is het belangrijk, dat de school niet alleen de cognitieve ontwikkeling van het kind adequaat benadert, maar ook dat de school plannen maakt voor een goede benadering van de sociaal- emotionele ontwikkeling. Vaak wordt er nog gedacht dat hoogbegaafde kinderen dan wellicht slim zijn, maar dat zij wel altijd sociaal- emotionele problemen hebben of op zijn minst achterlopen in de ontwikkeling. Dat is niet waar.
Hoogbegaafde kinderen hebben net zoveel of net zo weinig problemen op sociaal- emotioneel gebied als alle andere kinderen. Het lijkt er zelfs op dat in veel gevallen de hoogbegaafde kinderen ook op het gebied van sociaal- emotionele ontwikkeling een voorsprong hebben op leeftijdgenoten.
Met sociale ontwikkeling bedoelen we in feite niets meer of minder dan de manier waarop een kind leert om te gaan met anderen en leert omgaan met de manier waarop die anderen met hem omgaan.
Bij de emotionele ontwikkeling staat de ontwikkeling van het zelfbeeld centraal. Wie ben ik, wat ben ik, waar liggen mijn grenzen? Bij deze ontwikkeling speelt het niveau van de cognitieve ontwikkeling een belangrijke rol.
Signaalpunten.
- een kind, dat voorloopt op intellectueel gebied, maar sociaal – emotioneel op leeftijdsniveau, wordt vaak ten onrechte beschouwd als een kind, dat op dit gebied achterloopt.
- Een kind, dat voorloopt op intellectueel gebied, maar sociaal- emotioneel functioneert op datzelfde niveau, wordt vaak beschouwd als een “veel te wijs kind.”
- Hoogbegaafde kinderen, die op sociaal – emotioneel gebied functioneren op een lager niveau dan hun kalenderleeftijd verkeren in een gevarenzone.
Er zijn verschillende zaken, waardoor het “anders-zijn”
van het kind opvalt:
De school moet oog krijgen voor de problematiek van het
hoogbegaafde kind, maar het hoogbegaafde kind moet zelf ook inzicht krijgen in
deze problematiek. Dit alles kan bevorderd worden door in de eerste plaats deze
kinderen te aanvaarden, zoals ze zijn. Herkenning en erkenning zijn daarbij
sleutelwoorden.
Rekening houdend met het bovenstaande kan de school de volgende uitgangspunten hanteren:
Ten slot is het ook van belang om rekening te houden met het
feit dat er natuurlijk grote verschillen bestaan tussen álle leerlingen, óók op
het terrein van de sociale -emotionele ontwikkeling. Wanneer kinderen afwijken
van de norm, die u als leerkracht of de school heeft, wil dit niet zeggen dat
er ook inderdaad een probleem is.
Discussiepunt:
Waarom wordt er bijna nooit over de sociale- emotionele
ontwikkeling gepraat als kinderen een jaar extra doen? Dan richten de meeste
leerkrachten zich op de cognitieve kant van de leerling.
Voorbeelden van
compacten.
Spelling:
|
Methode Taalactief. |
||
|
compacten |
verdiepen |
verrijken |
|
Voorbeeld 1: - geen signaaldictees afnemen - oefenstof beperken tot de belangrijkste stukken. - Controle dictee afnemen |
De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit de volgende oefeningen: - een verhaal schrijven gebruikmakend van zoveel mogelijk woorden van het woordpakket - maak rijmparen van de woorden - maak van elk woord een omschrijving - maak een woordschilderij van de 10 moeilijkste woorden - zijn er spreekwoorden bij de woorden te vinden? - maak een kwartetspel van de woorden van verschillende woordpakketten - maak een oefenkaart voor je medeleerlingen - maak een woordzoeker voor je medeleerlingen - c.d. roms m.b.t. spelling |
De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze m.b.t. creatief schrijven. - werkboeken van Ajadact wie schrijft, die blijft - methode/ kopieerband: Stel je kunt het wel. Schoolniveau: Bij deze keuze is het belangrijk om goede afspraken te maken welke extra stof bij welke jaargroep hoort en gebruikt kan worden. Klassenniveau: Daarnaast voor elke leerling goed vastleggen welke opdrachten er zijn gemaakt en met welk resultaat. |
|
Voorbeeld 2: - geen signaal dictees afnemen - van te voren het controle dictee afnemen. - N.a.v. het resultaat van het controledictee gerichte oefenstof aanbieden - óf verdiepen óf verrijken bij goed resultaat; geen oefenstof aanbieden. |
||
Methode taal actief / taaljournaal |
||
|
Compacten |
Verdiepen |
Verrijken |
|
Voorbeeld 1. - per blok bekijken welke lessen ( taalbeschouwing) de begaafde leerlingen moeten maken en welke oefenstof weggelaten kan worden. - Afspraken maken voor de lessen Luisteren en Spreken - Na elk blok de toets afnemen gelijk met de rest van de groep. |
De vrijgekomen tijd besteden aan een keuze van extra uitdagender oefenstof. Mogelijkheden: - taaltoppers ( gr. 6 t/m/8) - stenvert taalblokken taalmeesters ( gr. 6 t/m 8) - werkboeken van Ajodact m.b.t. taalbeschouwing - rondom het thema een verhaal laten schrijven. - Rondom het thema een woordschilderij laten maken eventueel in combinatie met een collage - Plustaken Taal - Cd. Roms m.b.t. taal Schoolniveau: - goede afspraken maken welke materialen in welke groep gebruikt kunnen en mogen worden. Klassenniveau: - Zorg voor een goede registratie van activiteiten van de leerling - Zorg voor voldoende variatie. |
De vrijgekomen tijd besteden aan werkstukken, mogelijk n.a.v. een thema. - vriendschap - post - kinderboeken maak een top vijf van de meest gelezen boeken in je groep - hoe wordt een tijdschrift gemaakt? Maak hier een strip van! - moderne communicatie zoek plaatjes, die een historisch overzicht geven - eigen keuze onderwerp klassenniveau: - een goede registratie van activiteiten door de leerling is belangrijk. - Zorg voor voldoende variatie. |
|
Voorbeeld 2. - per blok van te voren de eindtoets afnemen voor de lessen taalbeschouwing. - N.a.v. deze resultaten bekijken welke oefenstof de leerling nog moet maken / oefenen. - Bij goed resultaat overstappen op verdiepen of verrijken. - afspraken maken m.b.t. de lessen Luisteren en Spreken. |
||
Rekenen.
Methode Wereld in Getallen
|
||
|
Compacten |
Verdiepen |
Verrijken |
|
Voorbeeld
1.
-
per blok bekijken wat de kern van de leerstof is.
-
Welke oefenstof is belangrijk? Schrappen van overbodige oefenstof.
-
Houd ik een logische opbouw van de leerstof vast?
-
Schrappen van herhalingsstof
-
Aanbieden van extra / plustaken Eindtoets afnemen gelijk met de groep |
De
vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit:
-
plustaken rekenen gr. 3 t/m 8
-
rekentoppers gr. 6 t/m/ 8
-
werkboeken van Ajodact
-
opdrachten van kennisnet / rekennet
-
somplex
-
VOORUIT rekenopgaven
-
stenvert rekenbloks realistisch rekenen gr. 3 t/m/8
-
c.d roms m.b.t. rekenen Schoolniveau:
-
goede afspraken maken welke materialen in welke groep gebruikt kunnen
en mogen worden Klassenniveau:
-
Zorg voor een goede registratie van activiteiten van de leerling
-
Zorg voor voldoende variatie. |
De
vrijgekomen tijd besteden aan een keuze uit:
-
wiskunde opgaven werkboeken vierkant voor Wiskunde
-
opgaven van internet m.b.t. wiskunde
-
project Bolleboos.
-
VOORUIT opgaven
-
stenvert rekenbloks
rekenmeesters gr. 3
t/m 8 klassenniveau:
-
een goede registratie van activiteiten door de leerling is
belangrijk.
-
Zorg voor voldoende variatie. |
|
Voorbeeld
2. -Per
blok van te voren de eindtoets aanbieden. -N.a.v.
de resultaten de oefenstof aanbieden; let op niet teveel oefenstof aanbieden;
schrappen van herhalingsstof; aanbieden van plustaken -Gedeelte
van de eindtoets opnieuw aanbieden. Bij
kinderen uit de hoogste groepen kun je ook voorstellen dat zij zelf een
selectie maken uit de oefenstof en dit de leerkracht voorleggen. Schoolniveau: -
afspraken vastleggen voor de hoeveelheid oefenstof bijv.
eindtoets
bijna goed ¼ van de oefenstof eindtoets voldoende ½ oefenstof eindtoets
onvoldoende leerkracht selecteert alle belangrijke
oefenstof in beperkte mate. Klassenniveau:
-
een goede registratie van de resultaten van de leerling. |
||
Methode GEOBAS |
||
|
Compacten |
Verdiepen |
Verrijken |
|
Hoofdlijn in de methode: Gr. 6 Nederland met zijn provincies; Gr. 7 Europa met specifieke Landen. Gr. 8 werelddelen met specifieke landen Bekijk per hoofdstuk welke vragen interessant zijn voor de begaafde kinderen; dit wil niet altijd zeggen de sterretjes vragen. Zorg ervoor dat deze kinderen ook de doorgaande lijn blijven volgen. |
Laat de kinderen een hoofdstuk inleiden, bijv. -Beschrijf een toeristische route voor de mensen, zodat ze een indruk krijgen van de provincie; van een bepaalde stad ( denk aan Amsterdam, Rotterdam, Leiden) ( Internet is nodig) beschrijf van de topo -steden steeds een van de belangrijkste gebouwen/ bezienswaardigheden in die steden. Met welke milieu eisen heeft een boer met melkvee te maken? Hoe kijk jij daar tegen aan? Maak een opstel over een dag gezien door de ogen van een strandwacht op een drukke zomerse dag Laat een van de belangrijkste gebouwen van een stad, land nabouwen, natekenen. |
- laat de kinderen een werkstuk maken over: een provincie een land een werelddeel ( dit kan in verschillende groepen of individueel; niveau kan per kind verschillen) maak een verslag van hoe het op een bloemenveiling er aan toegaat. Maak een lijstje van de verschillende talen van Europa; zeg in elke taal goede morgen. Welke verschillende religies zijn er in dit werelddeel? Maak een ( strip)tekening van het melktransport Zoek muziekstukken op die met een specifiek werelddeel te maken hebben en leg uit waarom je deze hebt gekozen: Bijv. Werelddeel Amerika: - rock and roll - countrymuziek - indianenmuziek - blues - jazz |
Stappenplan voor het opzetten van een Plusklas.
De hieronder beschreven stappenplan kan gebruikt worden voor het opzetten van een interne plusklas als wel voor een externe plusklas.
Deze selectie kan in eerste instantie met de piramide-methode gebeuren. Elke leerkracht deelt de kinderen in; naarmate de kinderen beter scoren, zal het aantal afnemen. Deze screening kan voor de hoofdvakken gedaan worden. Maar het creatieve element moet niet vergeten worden.
Een andere manier is de scoringslijsten van het LeerlingVolgSysteem te nemen. De kinderen, die hoog scoren voor de taalonderdelen en de rekenonderdelen, kunnen geselecteerd worden ( A – A+) ( zie handleiding materialen WSNS - diskette )
( zie handleiding materialen WSNS – diskette)).
Alle gesignaleerde leerlingen zullen gediagnosticeerd moeten worden op een aantal belangrijke items, de cognitieve - , sociale - en de emotionele ontwikkeling.
Verder de werkhouding,
taakgerichtheid en het concentratievermogen.
Naar aanleiding van de diagnose kan er door de interne begeleider samen met de leerkrachten bekeken worden welke hulp welke leerling nodig heeft.
Dit kan zijn:
Voor elke leerling zal een handelingsplan opgesteld moeten worden .
Dit plan zal met de ouders doorgenomen moeten worden. Het is belangrijk om de ouders goed op de hoogte te brengen van eventuele gevolgen op de lange duur, bijv. bij versnellen heeft dit gevolgen voor de overgang van BO naar VO.
Het is belangrijk voor het kind
en de leerkracht, dat het doel van het handelingsplan duidelijk moet zijn. Het
zal beschreven moeten worden in resultaatgerichte termen.
Na een periode van ongeveer 6 weken zal er bekeken moeten worden door de interne begeleider en /of de leerkracht of de aangeboden hulp voldoende is, vervolg moet hebben of uitgebreid moet worden.
Mocht de hulp juist een negatief resultaat
geven, dan zal er zeer zorgvuldig geanalyseerd moeten worden, waardoor het mis
is gegaan. Een nieuwe diagnose en handelingsplan zijn noodzakelijk.
Deze kinderen hebben een aanpassing nodig voor de langere termijn. Een korte periode van extra werk of compacten is onvoldoende om deze kinderen de goede begeleiding te bieden voor hun ontwikkeling.
Daarom is het belangrijk, dat de
individuele handelingsplannen omgezet worden in een structurele beleidslijn op
de school.
Aanvulling Stap 6.
Het is mogelijk dat het hoogbegaafde kind een periode behoefte heeft om met ontwikkelingsgelijken te werken voor een aantal uren in de week.
( vakgericht) in een andere groep les te laten volgen.
Doelstellingen en evaluatie
aspecten vastleggen.
Externe Plusklas.
De inventarisatie van hoogbegaafde kinderen op de diverse
basisscholen van het samenwerkingsverband of van een schoolbestuur kan aanleiding
geven om een plusklas te formeren (of niet).
Voorwaarden voor het
starten van een Plusklas:
- een goed bereikbare locatie voor alle belanghebbenden.
- de locatie moet voor de langere termijn beschikbaar zijn
- aankleding en inrichting van de ruimte, meubilair, audiovisuele middelen,etc
- materialen voor hoogbegaafde kinderen
- een programma gericht op de begeleiding van hoogbegaafde kinderen
- doelstellingen en evaluatie aspecten moeten bekend zijn bij aanvang
- criteria en aanmeldingsmogelijkheden
- minimaal één leerkracht, liefst met een klassenassistent(e)
de leerkracht zal kennis van / ervaring met moeten hebben:
-
het
financiële overzicht
Dit alles zal moeten worden vastgelegd in een werkplan, dat goedgekeurd zal
moeten worden door het bestuur / samenwerkingsverband. Vervolgens zal ook de
inspectie hiervan op de hoogte gebracht moeten worden.
Lijst van
(mogelijke) basismaterialen voor het opstarten van een Plusklas.
Aanschaf van de materialen is afhankelijk van het aangeboden
programma en van de locatie. Moeten er verrijkingsmaterialen zijn voor de
hoofdvakken Taal en Rekenen of is het programma meer afgestemd op technische
vaardigheden, probleemoplossend natuurkundige vaardigheden en creatieve
vaardigheden? Met betrekking tot de locatie: is de Plusklas in de eigen school
of ergens anders? Kun je daar materialen lenen of moet je het zelf aanschaffen?
Algemeen:
- meubilair – kasten – computer(s) – printer – scanner – internetverbinding
– diskettes – t.v. en video mogelijkheden – cd-rom / audio mogelijkheden –
handdoeken – emmer -afdroogdoeken – sponsjes en schoonmaakdoekjes - veger en blik – stofzuiger -
Handvaardigheid:
De kinderen zullen altijd wel behoefte hebben aan dit soort materialen:
- scharen – plak (technicol) – verf – kwasten –
chenilledraad – paperclips – afplakband – plakbandhouder+ plakband –
nietmachine + nietjes– perforator – kleurpotloden – lineaal-puntenslijper –
stiften – watervaste stiften – waskrijt – tekenpapier – gekleurd tekenpapier (
assorti) – dun karton – sitspapier – vliegerpapier – dun touw – grote, dikke
naalden – elastiek – hamer – spijkers – afvalhout – nijptang – kleine handzaag
– steenpoeder – mallen voor baksteentjes – printpapier – behangselplak –
lollystokjes -wegwerpmaterialen - verder afhankelijk van de aangeboden
onderwerpen
Wereldoriëntatie:
atlas – woordenboek Nederlands – woordenboek Engels –
naslagboeken en informatieve cd-roms m.b.t. de onderwerpen, die de kinderen
kunnen uitdiepen ( alleen internet is niet voldoende) uitg. www.arsscribendi.com heeft goede boeken
Biologie /
natuurkunde:
Vergrootglas – glazen potten en flessen – glazen bak of
plastic kom – plastic slangetje(s) -
(was)knijpers – kleine zuignappen – boeken en cd-roms afhankelijk van de
aangeboden onderwerpen –
Techniek:
Lego steentjes – technisch lego – ( losse materialen / onderdelen zijn te bestellen via Internet: www.lego.com ) – k’nex ( liever geen bouwdozen, maar algemeen materiaal) –
Lokon constructiemateriaal –
Sociale
vaardigheden:
Gezelschapsspelletjes– piramidegame http://www.schoolmaterialen.nl - schaken – dammen – speelkaarten – etc.
Rekenen:
- werkboeken AJODACT ( c- opgaven) – plustaken Delubas –
rekentoppers van AJODACT - project Bolleboos – lesbrieven van VOORUIT –
wisschriften Vierkant voor Wiskunde – themaboeken van Vierkant voor Wiskunde –
rekenmeesters ( Stenvert)
Taal:
- werkboeken AJODACT – plustaken Delubas – taaltoppers van
AJODACT – lesbrieven van VOORUIT – taalmeesters ( Stenvert)
zie verder uitgave van het Handboek voor begaafde leerlingen – WSNS ( diskette
Aanbod programma:
Projecten van de
Plusklas
Lesbrieven en pakketten voor werkstukken van CMO ( www.cmo.nl )
Een aantal lesbrieven zijn gratis te downloaden – de
pakketten zijn voor een lage prijs aan te schaffen. ( Centrum voor Mondiaal
Onderwijs).
Kant en klare projectlessen basisonderwijs:
Een andere interessante site, waar veel informatie, werkbladen, proefjes en naslag te vinden is voor kinderen: