geschiedenis van afferden (L)

Hieronder treft men de geschiedenis van Afferden aan, beschreven in 1957 door de heer A. Goossens, Destijds meester aan de school in Afferden. Veel leesplezier!

DE KOMENDE WEKEN ZAL ER MEER STRUCTUUR WORDEN AANGEBRACHT!!!

Ter inleiding

De geschiedenis van de huidige provincie Limburg is buitengewoon ingewikkeld, opgebouwd als het is uit meerdere hertogdommen, graafschappen en "Heerlijckheden", die veelal vanaf de Middeleeuwen tot aan de Franse tijd hun zelfstandigheid bewaard hebben. Ook Afferden in het Noordlimburgse land was zo'n Heerlijckheid, lange tijd een leen van het hertogdom Gelder. Het omvatte binnen zijn grenzen het aloude burchtslot Blijenbeek, waaraan het voor een groot deel zijn historische bekendheid te danken heeft.

De Rijn in Duitsland kende haar vele roofridders, veilig in hun hoge burchten. Zo heeft ook deze omgeving haar roofridders gekend in vervlogen eeuwen. Kastelen of runes er van zijn nog steeds de stille getuigen van die oude feodale tijd. 

De bedoeling van deze enkele verzamelde gegevens is: iets meer bekendheid te geven aan de oude historie, aan het wel en wee van Afferden in vroegere tijden - en daarmee een kleine bijdrage te zijn voor de verspreiding en de bevordering van de kennis van ons heem.

Dank tenslotte aan allen, die mij in staat gesteld hebben, de hiervoor benodigde gegevens te verzamelen.

De samensteller:

A. Goossens


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Het aan de rechter-Maasoever gelegen dorp Afferden, sedert 1823 deel uitmakend van de Limburgse gemeente Bergen, gelegen ongeveer halverwege Nijmegen-Venlo, behoorde vroeger tot het opperkwartier van Gelderland en werd in 't noorden begrensd door de Kleefse Heerlijkheid Heijen, in 't zuiden door de Gelderse Heerlijkheid Well, in het oosten door 't ambt Goch, waartoe Siebengewald behoorde. De juiste grens werd in 1436 vastgelegd door het gerecht en de oudste mannen (schepenen). Van dezen staan onder andere met name vermeld de rechtere Wijnalt Schenck en Jan Sijskens; als schepenen: Harman de Wijk, Hendrik Drynen. Gerrit Claessen, Derick Seelkens van Loen, Derick van Hoekelom, Henrik Boll en andere. Deze in een oud geschrift vastgelegde "Beleijdinge" grens werd de basis van latere grensregelingen.

Bij nadere grensregelingen tussen het Koninkrijk der Nederland en Pruisen werd door laatstgenoemde mogendheid bij akte van 12 december 1817 Siebengewald (een gedeelte van de Burgemeisterei Weeze) afgestaan aan de Nederlanden. Deze aanwas van grondgebied zou ook in kerkelijke aangelegenheden verandering aanbrengen, want toe het bisdom Aken werd opgeheven, kwam in het jaar 1822 de parochie Afferden met het vergrote gedeelte Siebengewald onder het apostolisch vicariaat van Gaven, maar werd Heukelom, door de eeuwen heen vergroeid met Afferden, aan de parochie Bergen toegewezen. Siebengewald werd in 1864 een zelfstandige parochie.

Een detail uit een topografische kaart van twee eeuwen geleden. De kaart was een uitgave van het Ministerie van Oorlog en werd in 1856 door het Topografisch Bureau gegraveerd. Daarvoor werd het gebied in de jaren 1836 en 1843 verkend.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De oudste sporen van menselijk leven in Afferden gaan terug tot omstreeks 650 vr Christus. Dit is volgens de geleerden in het begin van de zogenaamde ijzertijd, welke men noemt de Hallstattperiode, een overgangstijd van het brons naar het ijzer. De naam komt van de plaats Hellstatt in het Salskamnergut in Oostenrijk. Men begroef en verbrandde in die tijd de doden, terwijl de overblijfselen werden bijgezet in grafheuvels.

De in die tijd levende mensen maakten hun huizen van hout. Men spreekt heden ook wel van de periode der urnenvelden, naar de nieuwe manier van dodenbijzetting. De urn, waarin de gecalcineerde beenderresten werden bijeengebracht, werd in een kuiltje in de grond geplaatst. Daaroverheen werd een vlak heuveltje opgeworpen. De grond voor dit heuveltje werd genomen uit de greppel die de urn meestal cirkelvormig omgeeft. Deze bewoners, die hun doden in deze "Kringgrepgraven" hebben bijgezet, zijn vermoedelijk uit het naburige Rijngebied hier binnengedrongen. Hun aardewerk is over 't algemeen onversierd.

In april 1953 is in de buurschap "De Lakei" een urn gevonden, die volgens een determinatie van de stadsarchivaris van Venlo, dhr. W. Hendriks, uit de Hallstattperiode blijkt te stammen.

Ook in vroegere jaren (vermoedelijk rond 1920) heeft men in de Lakei verschillende urnen gevonden. Deze zijn gedeeltelijk in het Rijksmuseum voor oudheden en gedeeltelijk in het museum van Kavelaer terechtgekomen. Ook deze vondsten horen bij de Hallstattcultuur. Alles wijst er op, dat hier in de Lakei een voorhistorische begraafplaats ligt.

Enkele stukken zogenaamd oppervlakte-vondsten, die dus niet op hun oorspronkelijke plaats lagen en hier in Afferden zijn gevonden, zijn aanwezig in de stedelijke collectie van oudheidkundige voorwerpen te Venlo. De vondsten dateren waarschijnlijk uit dezelfde periode, waarvan hierboven sprake is.

Fragmenten van grotere potten, uren en zelfs een platte schaal en gebruiksvoorwerpen uit vuursteen vervaardigd zijn even ten noorden van Afferden, zowel ten oosten als ten westen van de huidige Rijksweg gevonden. 

In de grintkuilen langs de Hassumerweg werden enkele jaren geleden nog verschillende urnen gevonden, maar die zijn jammer genoeg verloren geraakt. 

In elk geval wijst alles op de bewoning van deze streken in de tijd vr Christus.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Omstreeks 55 voor Christus vielen de Romeinse legerscharen onder Julius Caesar deze streken binnen. Uit vondsten is gebleken, dat zij ook hier gelegerd hebben. Sporen van de Romeinse cultuur zijn althans hier gevonden. Op de zogenaamde "Jodenberg" heeft met fragmenten van Romeins aardewerk aangetroffen, waar onder resten van het mooie rode aardewerk, de zogenaamde terra-sigillata; stukken van een zogenaamde parelbeker - alles vermoedelijk uit de eerste eeuwen na Christus.

Belangrijker en sprekender van de vondst van Romeinse cultuurresten, die in de buurschap Diekendaal (tegenover Mazenburg) is gedaan. Men vond hier namelijk verschillende voorwerpen van aardewerk en glas, afkomstig uit graven uit de 2e helft van de eerste en de 1e helft van de 2e eeuw na Christus. De vondst bestond onder andere uit een fraai bakje terra-sigillata, 2 mat-geschilderde bekers met zandbestrooiing, een kleine urn, een wrijfschaal - en van ruwwandig baksel een ovale urn, een kannetje een platte schaal met rechtopstaande wand. Verder, behalve bronswerk, een glazen bolvormig urntje en een balsarium. Dit alles bevindt zich thans in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Tegen het einde van de 3e eeuw werden de Saksen, door de gebeurtenissen die bijdroegen tot vorming van de Deense staat, gedwongen hun eerste woonplaatsen op het Kimbrische land te verlaten en over de Elbe naar het zuiden te trekken. De stammen die in het binnenland gewoon hebben en niets met de scheepvaart te maken hadden sloegen deze weg in. De Saksen hebben toen Overijssel bevolkt en de Angelen over de Ijssel teruggedrongen naar de Maas. Voor de Saksen die de kunsten hadden bewoond en aan scheepvaart deden bleef het westen over. Tegen het jaar 284 kwamen de Saksen onder de Romeinse heerschappij. Omtrent de grote volksverhuizing maakte zij zich van 409-411 vrij van Romeinse invloed. Toen kregen zij echter met de Franken te doen. De Angelen en Saksen moesten wijken. Alras daarna lezen van de overtocht naar Engeland, waar ze 7 koninkrijken stichtten, terwijl de achtergebleven onder Frankische heerschappij kwamen.

Bekend is, dat een zekere vorst Offa in die tijd de leiding had over de Angelsaksen. In Engeland komt de plaatsnaam Offerton voor, ontstaan uit de naam van genoemde vorst - en synoniem met Afferden.

Het tegenover Afferden liggende gebied van het voormalige graafschap Cuyk moet ook een Angelsaksische bezetting geweest zijn. Buiten andere verklaringen kan men op het hierboven vermelde hasserum (?) gebaseerd aannemen, dat Afferden op dezelfde manier is ontstaan uit de Angelsaksische naam Offa.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uit de Frankische tijd  (+/- 400-1000) is onder niets naders bekend over Afferden. Het lijkt ons niet onaannemelijk dat de oude burcht, die hier gelegen moet hebben ter hoogte van het huidige veerhuis - en waarvan sprake is in oude oorkonden uit de 14e eeuw, een Frankische burcht is geweest, evenals bijvoorbeeld de Frankische burcht te Asselt bij Roermond, vanwaaruit de Noormannen +/- 800 de omgeving plunderden.

In de schreven geschiedenis komt Afferden voor het eerst weer voor in oude hansvesten uit de 13e eeuw. Uit een oorkonde van 1317 worden reeds overdrachten van goederen vermeld.

De Heerlijkheid was in 1360 al verdeeld in 2 gedeelten. Als rechters worden dan vermeld: Goesen Hagendoorn namens Vrouwe van Floersun en Johan Meerselmann Namens Jacob van Myrlaer, Heer van Mylendonk.

De oorkonden geven geen opheldering wanneer en hoe deze deling is geschied. Het 2/3 deel van Afferden, dat een Keule leen was, vinden we dan in het bezit van Schenck van Nijdeggen, die ook de bijnaam Van Floersum voerde, terwijl de rest als deel van Kuik aan Jacob van Myrlaer behoorde. In 1397 ging dit deel over aan Sybrecht van Blitterswijck. Naasten van deze familie raakten in geldnood en verkochten het in 1540 aan Derick van der Lippe Hoen en Aleids Schenck van Nijdeggen. Z werd Afferden in n hand verenigd.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Vanaf 1528 was de hertog van Gelder de gebiedheer. Van hem had de Heer van Afferden zijn bezittingen en rechten "in leen", in ruil voor krijgsdienst ten tijde van oorlog.

Het hertogdom Gelder bestond uit 4 kwartieren, namelijk de Betuwe, Veluwe, Zutphen en het Overkwartier. Met de Heerlijckheden Middelaar en Weel (w.o. Bergen en Aijen) lag Afferden in het Overkwartier, met als hoofdstad Roermond.

Het graafschap Kleef scheidde het Overkwartier van de andere gedeelten. Tot Kleef behoorden onder andere Heijen en Gennep. Deze plaatsen werden in 1666, toen Kleef aan Frederik Wilhelm van Pruisen kwam, Pruisisch gebied.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Tot 1713 is Afferden Gelders bezit gebleven. Na de Spaanse successieoorlog werd het bij de vrede van Utrecht in 1713 en het Barriretractaat van 1715 met het thans in Duitsland liggend deel van het Overkwartier aan Pruisen toegekend en daardoor verenigd met het Kleefse gebied.

De Pruisische tijd kenmerkt zich onder andere door de tochten en plunderingen van de Fransen rond 1760 en 1792, waarvan ook Afferden veel te lijden had.

Het eerstvermelde deel van de Heerlijkheid, waarin het kasteel lag, was intussen in de familie Schenck van Nijdeggen van vader op zoon overgegaan, tot het in het begin van de 16e eeuw in het bezit kwam van Diederik van Lippe Hoen, gehuwd met de enige dochter van Winand Schenck: Adelheid. Een proces, dat Dierderik tegen de kinderen van Winands broer voerde, over het bezit van Bleijenbeek, eindigde in Diederiks voordeel. Zijn zoon, Caspar van Lippe Hoen, had van hem zelf de nimmer berustende Schenckse bastaardkinderen pas veel te lijden. In 1579 werden hem zelfs de bezittingen door Maarten Schenck, de beruchte krijgsoverste, ontnomen. Hiermee begint voor Afferden een tijd van lijden en ellende. 

Kort na de dood van Maarten (1589) kwamen de bezittingen weer aan Caspar van Lippe, wiens oudste dochter Aleida en haar gemaal Christoffel Schenck van Nijdeggen uit het geslacht Hillenrath Afferden erfden. Van toen af bleef Afferden in het ongestoorde bezit van de Schencken.

Met Arnold Schenck stierf de familie die recht had op dit bezit uit. Toen Arnolds weduwe, Marie Catharina Markiezin van en tot Hoensbroek, stief in 1736, kwamen de goederen bij testament aan de erve Frans Arnold Adriaan Markies en Rijksgraaf van en tot Hoensbroek (+/- 1759). Met de intrede van deze familie in de geschiedenis van Afferden wordt de Heerlijkheid nieuwe glans verleend. Achtereenvolgens komen dan Frans Lotharius tot 1796 en zijn zoon Clemens Wenceslaus tot 1845 in het bezit van het kasteel.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Bij de vrede van Luneville werd Afferden met geheel Pruisisch Gelre ingelijfd bij Frankrijk. Alle aan de Heerlijckheden verbonden rechten werden door de Fransen onder de leuze "vrijheid, gelijkheid en broederschap" opgeheven.

Na de val van Napoleon werd Afferden, zoals de hele rechter-Maasoever, door de bepalingen van het Wener Congres in 1815, over de breedte van een kanonsafstand bij Nederland gevoegd. Samen met 5 andere dorpen en 3 Heerlijckheden werd het in 1823 verenigd tot de gemeente Bergen.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Toen in 1830 de Belgische opstand tegen Koning Willem I uitbrak, werd Afferden als deel van de provincie Limburg Belgisch gebied. Het bleef dit tot 1839. Na 1845 erfde Frans Egon rijksgraaf van Hoensbroek het kasteel en de landerijen. Tot 1917 is dit in het bezit van deze familie gebleven.

Na nog onder andere 3 jaren in het bezit te zijn geweest van een Rotterdams koopman, Prins, ging het in 1932 over aan de familie Jurgens, die tot omstreeks 1968 eigenaar bleef van de rune. Het kasteel heeft ook nog dienst gedaan als klooster. Op last van de Pruisische regering werden, tijdens de "Kulturkampf", de als staatsgevaarlijk bestempelde Jezuieten na vooraf gedecoreerd te zijn wegens trouwe diensten op het slagveld en in de hospitalen bewezen, uit Duisland verdreven. Het gastvrije Nederland bood hun een veilige schuiplaats - en de grijze maarschalk Van Hoensbroek stelde spontaan het slot "Bleijenbeek" te hunner beschikking. Ruim 70 werden er gehuisvest. De eerste ballingen trokken in 1872 onder leiding van p. Ferdinand Loeffler de aloude Schenckenburcht binnen. Beurtelings vertroefden er nu de uitmuntendste leden der Duitse pro-vindie, onder wie knappe godgeleerde, letterkundigen en andere kunstenaars. 

De Bleijenbeekse pachter en landlieden genoten de geestelijke en lichamelijk weldaden van deze ballingen. Een tiental leden van de Duitse Sociteit rusten op de Afferdense begraafplaats.

De laatste bewoners waren +/- 100 (?) Duitse soldaten, die weerstand boden aan het offensief van de Canadezen in de richting van het Roergebied. Vier golven geallieerde bommenwerpers hebben de bovenbouw vernield en de Duitsers verjaagd. Op 16 februari 1945 was Afferden bevrijd en het kasteel, symbool van het feodale tijdperk, herinnering aan een bewogen verleden, een imposante puinhoop.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Oude oorkonden van 1379 laten blijken, dat Hendrik Schenck van Nijdeggen, genoemd van Floersheim, het huis ontving van de Graaf van Kleef. In 1387 was het onderwerp van verhandelingen tussen Willem van Glick, hertog van Gelder, en Adolf, graaf van Kleef. Op 14 oktober 1387 kwamen beide heren overeen de wederzijdse van hun voorvaderen afkomstige schuldvorderingen 5 jaar lang op hun beloop te laten en de onderdanen van het ene en het andere gebied vrijgeleide te verschaffen. Betreffende het slot werd overeengekomen (onder andere) dat de graaf van Kleef het huis tot 6 weken na dit verdrag zou houden, het in die tijd mocht afbreken of aan de Schencken overgeven en dat de graaf van Kleef, wat de hertog van Gelder na die 6 weken ook deed, geen eisen zou stellen, zelfs al zou hij het afbreken. Mocht dit intussen gebeuren, dan zou de een de andere helpen. Helaas ontbreekt ieder bericht of als gevolg van die overeenkomst de burcht werkelijk is afgebroken. Ook ontbreekt elk spoor tot de aanleiding van dit bedrag. Wellicht is het een verder gevolg van de toenmaals tegen de vele roofburchten gerichte landvrede geweest, waardoor de vorsten zich verbonden tot een gemeenschappelijke bescherming van hun onderdanen. In diezelfde tijd werden ook andere roofburchten veroverd en afgebroken. van de voormalige burcht is echter ieder spoor verdwenen, alhoewel na aanleiding van nivelleringswerken omstreeks 1850 in de zogenaamde Herenwaard, niet ver van het huidige veerhuis, een kleine heuvel, oude fundamenten, nog net zichtbare grachten er omheen gevonden zijn, die duidelijk op een dergelijk gebouw wezen. Men mag aannemen dat de burcht hier gestaan heeft. Ook de plaats als zodanig spreekt, daar de meeste Maasburchten (Gennep, Heijen, Well, Arcen, Geysteren, Boxmeer) op dezelfde manier niet ver van de Maas gebouwd werden en juist daardoor hun sterkte behielden.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Afferden, voorheen een vrije heerlijckheid, was verdeeld. 2/3 (met Bleijenbeek) was oorspronkelijk een leen van de aartsbisschop van Keulen; sedert 1528 van de hertog van Gelder. 1/3 was leen van het Graafschap Kuik.

Tot 1540, toen het in n hand verenigd werd, had het ook 2 Heren, die het gerechtelijk gezag gemeenschappelijk uitoefenden, maar niet met gelijke rechten. De benoeming van de schepenen schijnt gemeenschappelijk gebeurd te zijn, terwijl ieder zijn eigen rechter benoemde. De rechter van het 1/3 deel had wel zitting in het gerecht, doch geen stem; hij was een "swigent reichter". De rechter van het Keulse leen echter, eigendom van Schenck van Nijdeggen, was de "daegeliz ende sprekende zichter". Deze laatste beriep ook de schepenen, sprak recht, legde beslag op goederen, enz. binnen de heerlijkheid Afferden, zonder de andere rechter. In n geval, namelijk als de rechtszitting in de kerk gehouden werd, was de andere rechter verplicht zitting te nemen en te helpen en eenieder recht te doen. Zowel ingezetenen als vreemden, die wegens een overtreding gearresteerd werden, moesten naar Bleijenbeek gevoerd worden, waar ze in de kerker van het kasteel in hechtenis gehouden werden. Daarbij bleef aan dit huis de vergoeding voor kost-, brugge- en gevangenisgeld voorbehouden. Betaalde de gevangene zijn kost niet zelf, dan moest de Heer van Kuik mede zijn aandeel betalen. Hierbij kwamen nog andere kosten, zoals de foltering en terechtstelling.

Natuurlijk mochten de Heren niet willekeurig over goed en bloed van hun onderdanen oordelen; ook zij waren aan de voorschriften van de Heerlijkheid gebonden. Deze zijn ons in het zogenaamde "Land- en Bankrecht" behouden gebleven. In dit recht heerste echter in die tijd nogal eens wanorde. De rechter kon in vele gevallen zelf het recht zoeken. In zo'n geval werden de schepenen of andere oudere inwoners gerechtelijk gehoord. Hun verklaring werd dan in een oorkonde vastgelegd, die als onverbrekelijk recht gold en met een zegel werd bekrachtigd. Sedert 1538 had Afferden een eigen schepenzegel, waarop de parochieheiligen Cosmas en Damianus waren afgebeeld en de woorden vermeld: "Gemene Schepen van Afden."

De gerechtsplaats lag, zoals toen algemeen voorkwam, op de grens van Afferden en wel bijvoorbeeld aan de overzijde van de Maas, waar een aan Afferden behorend stuk land lag (de zogenaamde "Walbertsweert") dat aan de Heren belastingplichtig was. De thans nog voorkomende namen als Hengeland en Galgenberg herinneren ons mede aan zulke gerechtsplaatsen.

De bezittingen van de persoonlijk vrije mensen waren in soorten verdeeld. Er waren erfrente-, leen- en keurmedige goederen. De bezitters van leengoederen moesten jaarlijks aan de Heer op bepaalde onveranderlijke dagen (onder andere Maria's geboorte, St. Martinus) rente betalen. Dan werd een en ander in het magazijnboek (lagerboek) van de Heer bevestigd. Deze goederen mochten zonder vergunning van de Heer niet gedeeld of bezwaard worden. Stierf de bezitter, dan moest de bezitting door de erven gewonnen worden door betaling van 1 gulden of de dubbele rente - en dat binnen 6 weken. Gebeurde dit niet, dan kwam het goed aan de Heer. Afferden bezat 4 leengoederen. Drie er van waren Keulse leenrechten en n behoorde aan de Broederschap van het H. Sacrament. Dit heet thans nog het "gildebosje".

Op het persoonlijk bezit van de Heer werkten oorspronkelijk lijfeigenen of keurmedigen, die met al hun nakomelingen van geslacht op geslacht de Heer toebehoorden. De rechtspositie van de lijfeigenen was geenzins overal dezelfde. Er waren in elk geval diverse verlichtingen, zoals het verrichten van hand- en spandiensten. Het vragen van toestemming tot het aangaan van een huwelijk en andere. De heer had meestel het recht om uit de nalatenschap n stuk voor zich te kiezen.

Ook de Heer van Afferden bezat keurmedige goederen. Op het eind van de 15e eeuw waren er nog 7 keurmedigen, namelijk de familie Mirmans.

Bovendien ontving de Heer van al degenen die hun vee op de heide mochten laten grazen: haver, kippen, enz. Hij ontving tienden van het koren, bezat het vis- en weiderecht, jachtrecht, Maasveerrecht, het recht van patronaat of Collatie en nog vele andere. Bestond dus naar buiten afhankelijkheid van de leenheer, naar binnen was de leenman een alleenheerser.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


In de geschiedenis staat vermeld, dat Afferden rond 1275 reeds een parochie was. Het onderstuk van de kerktoren dateert uit de 12e eeuw en is gemetseld uit ijzerhoudende steenbrokken, afkomstig uit de Maasvallei. (Bij de restauratie van de toren in 1957 zijn ijzeroerhoudende stenen aangevoerd uit Dortmund D.) 

De parochie behoorde oorspronkelijk tot het aartsdiocees Keulen en was ingedeeld bij het dekenaat Geldern. In de 16e eeuw telde de parochie 200 communicanten, in 1750 waren er 320, in 1876 (waar inmiddels zelfstandig geworden parochie Siebengewald af is) 600 en in 1956 waren er 1315 communicanten.

Bij de vorming van het bisdom Roermond in 1561 werd Afferden hierbij ingedeeld, tijdens de Franse bezetting bij Aken en later weer bij Roermond.

Behalve de kerk, toegewijd aan de H.H. martelaren Comas en Damianus, was er een kapel van de H. Antonius te Heukelom en een bij het kerkhof gelegen kapel, toegewijd aan de smartvolle Moeder Maria.

De eerste kapel werd beheerd door een rector, die verplicht was de pastoors van Afferden bij te staan in de Sacramentenbediening en het katechismus geven. Het werd door de Heer van Afferden (die het recht van kerkepatronaat bezat) aan de pastoor en de bewoners van Heukelom gemeenschappelijk aangeboden.

De parochiekerk heeft in de laatste 4 eeuwen veel te verduren gehad. Verscheidene restauraties van koor, middenschip en toren hebben plaatsgehad. Vooral in de 19e eeuw (in 1830, 1884 en 1890) werd aan het uiterlijk en innerlijk van het gebouw gewerkt. In 1607 schijnt de kerk te zijn afgebrand. In 1673, toen het dorp door de Fransen werd platgebrand, is ze nogmaals verwoest.

Toen de Fransen in 1702 na een aanval op Nijmegen tot tweemaal toe werden verslagen, troostten zij zich met het platbranden van deze streken en werd ook onze kerk leeggeplunderd, zelfs tweemaal.

In 1944 werd ze voor de 3e maal verwoest. Fraaie en oude gedeelten gingen met de archivalia van de parochie verloren. Het bij het Korintische hoogaltaar behorende albasten snijwerk, dat de lijdensgeschiedenis voorstelde, is - hoewel ernstig beschadigd - behouden gebleven. Een oude aantekening vermeldt dat deze passietafereeltjes uit Engeland onder Hendrik VIII in 1542 in ons land gekomen zijn. Het alvast schijnt in 1661 de kerk aangeboden te zijn door de 3e zoon van Christoffel Schenck van Nijdeggen: Dirk Schenck en diens vrouw Anna Margaretha van Nassau-Cortenbach Grimhausen. Hoe de Nijdeggens in het bezit er van gekomen zijn, is een open vraag, alsook hoe het in ons land gekomen is.

Jammer dat enkele klokken uit 1616, gegoten door Peter van Trier - en uit 1705, gegoten door Johannes Fremi, verloren zijn gegaan. De grootste klok, een werk van Joh. van Trier, is weer terecht.

De zorg voor de verlichting van de kerk deelden vroeger de pastoor en de beide heren van Afferden. Van 27 december tot 24 juni moest de pastoor de kaarsen leveren. Van 24 juni tot 29 augustus de heer van Blitterswijk - en van 29 augustus tot 27 december waren de Schencken daartoe verplicht.

De kerk- en armengoederen werden respectievelijk door kerk- en armenmeester beheerd. Zij werden door de Heer van Afferden om de 2 jaar aangesteld. Over dit tijdvak moesten zij voor het gerecht en de gemachtigde van de Heer zowel als voor de deken en de pastoor verantwoording afleggen.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De onderwijzer van Afferden werd door de Heer benoemd. Het recht van deze aanstelling berustte op een oude schenking, die Barbara van Lippe Hoen in 1647 deed. Zij schonk namelijk de Heerlijkheid Afferden, "zodat de aangroeiende jeugd tot de eer van God tot hun en huns naasten zaligheid onderricht zou mogen worden", de som van FL. 1000,- ten behoeve van de school en tot onderhoud van de onderwijzer. (In 1841 kreeg ook Siebengewald door de toenemende bevolking een school.)

Als voor de zedengeschiedenis niet onbelangrijke aantekening mag hier verteld worden, hoe de scholieren van Afferden in 1720 hun vastenavonddagen doorbrachten. Het was namelijk onder de schooljeugd gewoonte geworden deze dagen door te brengen als een vrolijke frans en het benodigde biergeld bijeen te bedelen in de parochie. Zij noemden dit "voye jaegen". De vrouwe van Bleijenbeek, Markiezin Schenck, trad hiertegen op en droeg de schout op, middels de onderwijzer zowel het voye jaegen als het drinken van de schoolkinderen te verbieden, in en buiten de school. Desondanks haalden de kinderen op zondag vr vastenavond het geld bij elkaar en, ofschoon de volgende dag ("raesende" - dolle maandag) het drinken op straffe van FL. 3,- boete ook verboden was, werd dit feest op die dag tot de avond in de school voortgezet. De volgende morgen vond de schout om half 9 al in de school 2 jongens met een kan bier: hij joeg hen er uit en sloot de school. Hiermee had de schout heel Afferden op de been gebracht. Men meende de kinderen in hun oude voorrechten te moeten beschermen en zonden direct een verzoek aan de schout, dit 100 jaar oude recht te handhaven. De schout wees het verzoek af en wilde de school slechts laten openen als de onderwijzer les gaf.

Nu zochten de rebellerende inwoners, gesteund door gerechtsbode en schepenen, de school op een andere manier te openen. Het lukte hun ook, met een valse sleutel. Er werd bier aangevoerd en op dinsdag en woensdag tot de middag door de jeugd vrolijk gefuifd.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De oprichting van het gild of de Broederschap te Afferden is van laters datum. In 1700 werd tot vermeerdering van de eerbied voor het H. Sacrament een verfraaiing van de Sacramentsprocessie de Broederschap van de H. Joh. Evangelist gesticht. Zij ontving van Maria Catharina Markiezin Wed. Schenck van Nijdeggen geb. Hoensbroek in 1721 als stichting een stuk heide, dat met hout beplant was. Dit zogenaamde Gildebosje verkochten de Gildemeesters op 29 september 1768 aan Frans Lotharius Rijksgraaf van en tot Hoensbroek voor FL. 100,-


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De in die tijd veel voorkomende stichtingen verdienen een verduidelijking. Zo'n stichting werd in het leven geroepen door aan een zeker vermogen een bepaalde bestemming te geven en het onder bewind te stellen. Dit kon bijvoorbeeld gebeuren bij een uiterste wilsbeschikking. Uit zulke geschonken goederen kom bijvoorbeeld een kapelaan onderhouden worden. Die dan op bepaalde dagen missen moest lezen voor de stichter. Dikwijls ook werden ze gebruikt als studiebeurzen voor opleiding van priesters. Een en ander werd dan in een stichtingsbrief vastgelegd. Een zeer interessante stichting te Afferden volgt hier: Deze Toont ons de goede overtuiging en het geloof (die we merkwaardig vaak tegenkomen) van de stichters. In 1544 treffen bijvoorbeeld Dederik van Lippe Hoen, Heer van Afferden en zijn gemalin Adelheid Schenck van Nijdeggen de beschikking "dat tot de hoogste eer van de Almachtige God, tot heil en troost van alle rampspoedige, bedroefde zielen van de levenden en afgestorvenen de pastoor van Afferden ten eeuwigen dage op alle zon- en feestdagen na de predikatie, alsook op alle vrijdagen na het evangelie"enz. een nadere beschreven gebed samen met de gelovigen zou bidden. Hiervoor gaven de stichters aan de kerk een erfrentegoed van bepaalde grootte, dat de pastoor door een stuiver te betalen moest winnen. De oorkonde werd zowel in het magazijnboek van de heerlijkheid als in het misboek van de kerk opgeschreven. Deze boeken zijn echter verdwenen en daarmee ook de godsdienstoefening.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Tijdens de 80-jarige oorlog bleef ook Afferden niet vrij van allerlei krijgsoperaties. Vooral in de 2e helft van der 16e eeuw namen die hand over hand toe. Het schrikbarend optreden van de legerscharen bracht geweldig veel leed aan de bevolking. Boerderijen brandden af; men moest vluchten; de akkers bleven onbebouwd. Aan al deze willekeur en stroperijen droeg de toenmalige bezitter van het kasteel, de woeste en verwilderde Maarten Schenck, veel schuld.

Het godsdienstig leven was door deze woeste bedrijven meer verflauwd. Casper van Lippe (genoemd Hoen), Heer van Bleijenbeek en Afferden, wilde een predikant binnensmokkelen en zo een gereformeerde gemeente stichten. Elf jaar lang was de katholieke bevolking zonder herder en genoodzaakt zijn heil te zoeken bij de pastoor van het naburige Kleefse dorp Heijen. Vanuit de bisschopstad Roermond had men de benarde positie van Afferden niet uit het oog verloren en werd de heer van Bleijenbeek niet alleen aan zijn patronaatsrechten, maar ook aan diezelfde verplichtingen herinnerd. In 1606 verscheen een nieuwe herder: Joh. van Goch, uit Venray geboortig. Gedreven door echte liefde, toog hij aan het werk. In 1607 werd de kerk door brand vernield, althans gedeeltelijk. Deze pastoor volbracht de grote herstellingen met goede gevolgen. Afgemat door de alles vernietigende strijd tussen Spanjaarden en Staatsen, sloten de beide partijen het 12-jarige bestand. Begrijpelijk, dat ook de bevolking na deze roerige tijden een toevlucht zocht. De stichting van het kapelletje moet dan ook in deze tijd gesteld worden. Het oude klokje draagt het stichtingsjaar op zijn metalen rand en vermeldt: Amore Passionis 1612: d.i. ter liefde van Jezus' Passie 1612. Het roept ons tegelijk de smarten van Jezus' lijdende Moeder te binnen. Het kruiskapelletje, zo genoemd omdat het in de vorm van een kruis gebouwd is, was met een stichting begiftigd en had zijn eigen percelen bouwland. Deze fondsen zijn hoogstwaarschijnlijk in de troebele tijden na 1621, toen de Spanjaarden en Staatsen de strijd met vernieuwde woede hervatten, verduisterd en door het krijgsrumoer verwoest.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


In die barre tijden bleven de gelovigen hun toevlucht zoeken bij Moeder van Smarten. In het Kleefse Augustijnenklooster "De Gaesdonck" (juist over de grens bij Siebengewald) werd in 1650 een Broederschap ter ere van de smartvolle Moeder opgericht, waarin zowel de deftige adel als de eenvoudige landman zich liet opnemen. Deze vrome vereniging was ook weldra in Afferden bekend en schijnt overal meegewerkt of de stoot gegeven te hebben tot de wederoprichting of het herstel van het bedehuis. De tijd was er echter nog niet gunstig voor. In 1672 werd Afferden geteisterd door een hevige brand, waarbij ook de pastorie in vlammen opging, terwijl pastoor Arn. Verbleijen zich met moeite kon redden.

In 1673 plunderden de Fransen het dorp leeg. In 1684 bedreigden de Fransen het dorp met zware straffen, als de uitgeschreven schatting niet terstond betaald werd. Om de brand af te weren, kostte dit grote sommen geld.

Bij betrekkelijke rust, die hierna volgde werd Maria's heiligdom in ere hersteld onder het pastoraat van Paulus Vossen, die in 1688 de eerste H. Mis in het nieuwe bedehuis opdroeg.

De bouw van de kapel was een der eerste werken van de schout Jan Linssen, die op het eind van de 17e eeuw namens de Heer Schenck van Nijdeggen de rechterstoel van Afferden en Bleijenbeek bezette. En verlangen van pastoor Vossen was nu vervuld: het andere: de oprichting van de Broederschap van de allerheilige Rozenkrans, ging nog datzelfde jaar in vervulling. Hiermee was een nieuw begin gemaakt aan die steeds toenemende devotie, die in onze dagen (1957) het stichtend erfdeel der voorvaderen uitmaakt. Daar werden troost en opbeuring gevonden en ontmoetten bedroefde harten elkaar.

Van oudsher tegen niet alleen pelgrims uit de directe omgeving er heen, maar vooral ook mensen uit het Cuykse land kwamen hier vrij en ongehinderd hun godsdienstige gevoelens uiten.

Behalve de vrijheerlijkheid Boxmeer kwam deze hele streek na het vredesjaar 1648 onder het souvereine gezag van de Staten, waar openbare godsdienstplechtigheden verboden en kerken met kerkelijke goederen aan de katholieken ontnomen werden.

Ook al bleef Afferden niet gespaard van huiselijk leed en trokken hier in 1702 nog plunderende Franse troepen door, toch was de 1e helft van de 18e eeuw een tijd van zegeningen en smaakte het dorp het geluk van de vrede en daagden vrome en milde gevers op om door giften het hunne bij te dragen tot onderhoud en versiering van de kapel.

Na de Spaanse successieoorlog (1713) was de Heerlijckheid Afferden met het thans in Duitsland liggende deel van het overkwartier Gelder Pruisisch gebied geworden onder koning Frederik II. Ten gevolge van de verovering van Siberi door deze koning brak de 7-jarige oorlog uit. In 1757 reeds rukten de Fransen als bondgenoten van Maria Thersia het Opperkwartier binnen en betalen was en bleef de bondschap. Afferden alleen al betaalde in 1750 voor de winterkwartieren der Franse troepen de destijds hoge som van 32 rijksdaalders. Nadat de landelijke welvaart jarenlang geknakt was, trad na de vrede de rustige arbeidzaamheid weer terug. In die tijd was de zeereerw. Heer P. Erckens 40 jaar een goede herder en beleidvol beheerder van het kapelletje. Hij stierf op het payroonfeest van zijn parochie in 1795.

In 1792 waren de Franse troepen bij hun verovering Gelder weer binnengetrokken. Voor dit korte bezoek betaalde Afferden 6000 Kleefse guldens. In 1801 werden deze contreien bij Frankrijk ingelijfd, bij de vrede van Lunville.

Ondanks het concordaat, dat Napoleon sloot met de paus, was de vreugde van de oud-Gelderlanders verre van onbegrensd. De Franse leuze "vrijheid, gelijkheid en broederschap", die alle rechten aan de heerlijkheden verbonden deden verdwijnen, hief ook de oude kloosterstiften op. Men ondervond verschillende moeilijkheden bij openbare kerkplechtigheden en parochies moesten meerdere kapellen en andere bedehuizen sluiten en - mochten die al open blijven, dan was het houden van openbare erediensten nog niet toegestaan. Dit lot trof ook de kapellen van de H. Antonius Abt te Heukelom en de kruiskapel van de 7 smarten van Maria. Men kan zich de positie van een door en dor christelijke bevolking voorstellen. Al was er nu geen dienst meer in Maria's heiligdom, de gelovingen bleven het bezoeken en daar hun kwellingen uiten.

Nabij Maria's bedehuis vond in die troebele jaren meer dan een priester of kloosterling een veilig toevluchtsoord en een rustig sterfuur. De eerw. heer Petrus Ramaeckers, vicaris van de kathedrale kerk van Roermond, was de revolutiestorm in zijn geboortestad ontvlucht en had bij zijn neef, Pastoor Van Trint, een vreedzaam onderkomen gevonden. Hij is hier overleden en begraven in 1800. Ook een kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder uit het bisdom Trier, markgraaf Jozef Adolf van en tot Hoensbroek, graaf van het H. Rooms Rijk en kapitulair-kanunnik der kathedrale kerk te Trier, vond hier zijn laatste rustplaats (aan de kerk) +/- 1813.

Pastoor Jan Willem Metzemaecker, die grote zorg besteedde aan de kapel, verrijkte het interieur met nieuwe taferelen der 7 smarten om de pelgrims meer in gelegenheid te stellen die ween beter en devoter te overwegen.

In 1909 is door pastoor Berden een nieuwe grote kapel gebouwd in plaats van het kleine heiligdom, daar de oorspronkelijke met zijn 2,25 meter metende kruisarmen te klein was. Jammer dat de ex-voto's, bewijzen van de vele gebedsverhoringen hier ondervonden, tijdens de krijshandelingen in 1944 verloren zijn gegaan. Ook verdwenen de aan weerszijde van het altaar hangende schilden, titels of staties van de 7 smarten, met teksten en spreuken, waar onder de volgende eenvoudige doch bemoedigende dichtregels:

Zondaars, zieken hopelozen,
Allen kloppen bij U aan.
Laat toch, smeek ik, lieve Moeder,
Laat niemand verlegen staan.

Lof en ere duizendmalen,
Troost voor ieder droevig hart,
Toevluchtsoord voor vele kwalen,
Koningin van bittere smart!

Wij sluiten hier met de ons bekend geworden pastoors van Afferden.

1433-1438: 

De zeereerw, heer Ludolf. Hij was tegelijkertijd vicaris van het H. Geestgasthuis te Goch, waar hij ook resideerde.

1446-1457:

 Gerardus Custers (gelatiniseerde Custodis). Daar de Heerlijkheid Afferden tot omstreeks 1550 gedeeld was en 2 adellijke families zeggingschap hadden in dit gebied, ontstond er ook verschil van mening, wie de pastoor ter bevestiging moest voordragen. Door Dirk Schenck was in 1446 Gerard Custers aangewezen, terwijl Hendrik van Blitterswijk de clericus Leo van Blitterswijk voorstelde. Hierdoor ontstond een proces, dat alle instanties van de kerkelijke rechtbank doorliep en uiteindelijk bij vonnis van de Romeinse Rota ten gunste van Custers beslist werd.

1519-1537: 

Hendrik Schenck van Nijdeggen, zoon van de Heer van Afferden, Jan Schenck. Zoals uit stichtingen blijkt, was hij een groot weldoener van de armen.

1537-1570: 

Frans Deckers, geboren te Venray. Deze waardige priester gelastte op zijn sterfbed, dat zijn erfgenamen wegens de benarde tijdsomstandigheden geen van zijn crediteuren zou dwingen de schulden of opgenomen kapitalen weer te geven, tenzij zij zelf met de oplossing instemden, maar dat zij met de jaarlijkse rente tevreden zouden zijn.

+/- 1593: 

Godfried Gansmalt.

1595-1606: 

Pastoorplaats onbezet en bediend door de pastoor van Heijen. Door oorlogshandelingen was Afferden in die tijd bijna zonder inwoners. Intussen schijnt door toedoen van Casper v.d. Lippe Hoen de welgel. Heer Wesselius van Solingen nog hier te zijn geweest. Van hem bestaat het vermoeden dat hij bestemd was om de gereformeerde godsdienst hier ingang te doen vinden.

1606-1626: 

Jan van Goch. Hij restaureerde in 1607 de afgebrande kerk.

1627-1651: 

Wolfgang van Dael.

1651-1653: 

Wilfridus v.d. Bogaert. In 1653 werd onder zijn bestuur de grote klok ter ere van de parochiepatronen gegoten.

1653-1655: 

Johan Bruere.

1656-1679: 

Arnold Versleijen. Onder hem brandde de pastorie af.

1679-1697: 

Paulus Vossen, opbouwer van het kapelletje.

1697-1704: 

Matthias Beusen. Hij was enige jaren huiskapelaan op Bleijenbeek.

1705-1729: 

Laurens Simons.

1729-1739: 

Caspar Mooren, voordien rector van de kapel te Heukelom.

1740-1754: 

Arnoldus Heinrans.

1754-1795: 

Peter Erkens. In 1776 tevens deken van Gelder.

1795-1825: 

Jan Tricot.

1826-1873: 

Johan Metzemakers. Hij liet veel spreuken en bijbelteksten aanbrengen en heeft in 1850 het kerkhof doen aanleggen.

1873-1885: 

Gerardus Henricus Daemen. Hij bouwde de aanzienlijke pastorie.

1883-1896: 

Leonardus Hubertus Peters, van 1864-1878 kapelaan te Afferden en van 1878-1882 pastoor van Siebengewald.

1896-1907: 

Hubertus van Liebergen; gestorven te Roermond in 1916.

1907-1934:

 Gulielmus Hubertus Berden; overleden te Heel in 1934.

1934-1955: 

Joannes Antonius Peeters; overleden te Babberich in 1955.

1954-1962: 

Theod. Geurts; Hij heeft de in 1944 verwoeste kerk en toren later herbouwen, met behulp van de stichting "Monumentenzorg".


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Dit geslacht viert zijn naam van het in de 13e eeuw door hen beheerde ambt van schenker (in het Duits: Schenk) van de graaf van Jlich, wiens residentie het beroemde slot Nijdeggen was. Als eerste naam vindt men "Christianus pincerna" (-schenker) in 1225, in oorkonden van Jlich als getuige en in 1233 wordt hij "Christianus pincerna de Nideke". Hij stond bij de graaf van Jlich in hoog aanzien. Bij oorkonde van 1250 benoemde de graaf hem tot scheidsrechter in de toekomstige geschillen tussen de graaf en de aartsbisschop van Keulen. In 1260 vinden we hem terug als schout bij het aan het sticht Rellinghausen toebehorende hof Vroezheim.

Achtereenvolgens duiken in de geschiedenis nog op: Wilhelmus Schenck en zin 4 zonen, van wie de oudste Ludolfus heette. Met hen verlaten ons alle berichten over de familie. Pas in 1346 ontmoeten we Hendrik Schenck als Heer van Afferden.

In 1379 droeg Hendrik zijn burchthuis aan de hertog van Kleef als "open huis" op. Buiten Afferden bezat Hendrik de heerlijkheid Walbeck (in Duitsland). Hieruit had hij Hertog van Gelder Willem van Jlich in 1381 wier jaar lang de helft van de belasting en andere inkomsten geschonken. Daarvoor in de plaats kreeg hij de belofte, dat de hertog het dorp en de parochie Welbeck als zijn eigen land zou beschermen en verdedigen. Tevens bekende de hertog dat noch hij, noch zijn erfgenamen, hoe dan ook, op de Heerlijkheid Walbeck ergens een recht zou bezitten.

Hendrik was gehuwd met Aleida van Raede, de vermoedelijke erfgename van Walbeck. Hun kinderen waren: Wijnand, Hendrik en Liesbeth, de laatste religieuze te Grevendael. Zij had aan het klooster De Gaesdonck 53 paar schoenen geschonken, die na haar dood elk jaar voor haar "sielen selicheit" verdeeld moesten worden op St. Martinus' feest, door de prior van het convent, aan arme mensen.

Bij verdeling der erfenis kreeg Wijnand de heerlijkheid Afferden, het kerkenpatronaat van Heijen en het goed van Ottersum, terwijl Hendruk met enige geldrenten en het goed Ten Broke in het Kempener land werd afgescheept. Met betrekking tot Walbeck en de verder niet genoemde goederen verklaarden de nog levende ouders, dat deze na hun dood aan hun zonen zouden komen. Wijnand echter droeg zijn aandeel in het huis Walbeck onmiddellijk over aan zijn broer Hendrik. De laatste zou Bleijenbeek er ook nog bij krijgen, na de dood van Wijnand, wiens enige zoon vroeg gestorven was.

Hendrik en zijn gemalin Adelheid waren bijzondere weldoeners van "De Gaesdonck". Dit klooster verklaarde hen, hun verwanten en kinderen deelachtig aan alle goede werken van het klooster en beloofde, dat er tot heil van hun zielen ten eeuwigen dage dagelijks een H. Mis zou worden gelezen.

Hendrik stierf in 1542 en liet 2 zoons en 1 dochter na: Diederik, Johan en Adelheid. De eerste, Heer van Afferden en de halve heerlijkheid Walbeck, huwde met Adelheid van Buren. De geschiedenis van de door hen gestichte linie Bleijenbeek zal hierna volgen.

Johan, Heer van de andere helft van Walbeck, was een zeer gezien en rijk man. Door bemiddeling van hertog Arnold van Gelder werd hij ook nog drost van Middelaar. Daar stier hij in 1491. Hij ligt begraven in het koor van de Kruisherenkerk te St. Agatha, gelegen tegenover Middelaar, aan de linker-Maasoever.

Zijn zoon Otto, stichter van de linie Horst en Vorst, werd heer van Walbeck en drost van Wachtendonk en Gelder, Otto's broer Arnold, drost te Middelaar, huwde in 1486 Isabella van Best, erve van Hillenrath (bij Swalmen) en werd de stichter van de linie Hillenrath. Uit deze linie zijn veel religieuzen en priesters voortgekomen.

Lyffard huwde Christoffel van Wylack, Heer van Grubbenvorst en drost te Gennep. Dit paar ligt ook in het koor van het Kruisherenklooster te St. Agatha begraven. Behalve de tot nu toe genoemde linies van de familie Schenck van Nijdeggen bloeide er te Sevenum (bij Horst) een tak, waarvan de stichter niet is vast te stellen, maar waarschijnlijk gezocht moet worden bij een van de vele bastaardzonen van Derick Schenck (uit de stam Bleijenbeek). Deze tak schijnt aan het einde van de 19e eeuw uitgestorven te zijn. Vermeldenswaard uit deze tak is een uit deugdzame ouders geboren heilig en edel priester, die in 1601 te Sevenum het eerste levenslicht aanschouwde. Zijn naam is Frederious Schenck. Na als soldatenaalmoezenier en later als pastoor van Wankum (bij Venlo) een weldoend leven geleid te hebben, stierf hij in geur van heiligheid.

Er zijn nog andere takken van de Nijdeggens geweest; zelfs die zich uitbreidden tot in Polen, waar leden van de familie als geheim raadsheer van de koning van Polen in dienst stonden.

 


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hendriks oudste zoon Derick huwde, zoals we zagen, de erfgename van Arcen en Velden: Adelheid van Bren. Aldus werden tot n bezit verenigd: Afferden, Bleijenbeek, half Walbeck, Arcen, Velden en veel andere kleine goederen. In 1442 was Derick maarschalk van de hertog van Kleef. Van zijn 7 zonen en 4 dochters traden er 5 toe tot de geestelijke stand.

Slechts Wijnand en Petronella huwden, hoewel pas na de dood van hun vader. Wijnand erfde het huis Arcen en de dorpen Arcen, Velden en Schandelo met alle rechten er aan verbonden.

Johan kreeg de heerlijkheid Bleijenbeek en het Kleefse leen Ottersum.

Roelman verwierf de halve heerlijkheid Walbeck, Derick een goed in Gelderland, onder andere Millingen - en enkele geldrenten, Hendrik het huis Hoest bij Weeze en Petronella verscheidene geldrenten.

Johan meende benadeeld te zijn en vroeg Willem, Heer van Boxmeer en Haps, om onderzoek van de erfenis. In 1488 werd besloten, dat Johan het bieraccijns om de tienden van het huis Bleijenbeek werden toebedeeld en mt deze de water- en paardemolen te Afferden gemeenschappelijk mocht gebruiken.

De enige dochter van Wijnand huwde in 1503 Reynier van Gelre, een bastaardzoon van hertog Adolf van Geldern. Deze Reynier blijkt een dappere kerel te zijn geweest. Hij stierf in 1522. Zijn weduwe Adelheid huwde later met Derick van Lippe Hoen.

De 4 andere broers bleven ongehuwd en leidden een verwilderd leven. Zij brachten niet alleen hun familie, maar ook alle streekbewoners nameloos leed toe. Hun levenswijze biedt een bedroevend beeld van de toenmalige zeden. Zij allen hadden veel buitenechtelijke kinderen. Derick, die na de dood van zijn broer Wijnand heer van Afferden werd, maakte het wel het meest bont. Met Adelheid Csters uit Arcen had hij 8 buitenechtelijke kinderen, die overigens op Bleijenbeek een normale opvoeding genoten. Wie enigszins op de hoogte is van de toenmalige verhoudingen begrijpt, dat dit gewetenloos gedoe veel leed bracht over degenen die in nauwe betrekking tot hun heer stonden (onderdanen).

Derick, oud en zwak geworden, voelde zijn einde naderen, makte zijn testament en vermaakte zijn kinderen zijn renten, pacht en enkele goederen, onder andere van het thans nog bestaande "De Aldenhof" en "De Vlammert". Maar dit zinde hun niet. Zij wensten in het bezit te blijven van Afferden met Bleijenbeek en Walbeck en trachtten daartoe tot iedere prijs een huwelijk tussen hun ouders te bewerkstelligen. Hiervan wilde de Vader echter niets weten. In 1519 al was er sprake geweest van een dergelijke poging onder de kinderen, terwijl Derick ziek te bed lag. De kinderen echter gaven hun pogingen niet op. Zij zouden het dan wel op een oneerlijke manier proberen. Vooreerst verschaften zij zich een verklaring van hun vader, dat hij hun moeder, Adelheid Csters, die hij 40 jaar geleden trouw beloofd had, niet zou verlaten en zich slechts door de dood van haar zou laten scheiden - iets wat zij aan zijn verwanten tot dan toe verzwegen zou hebben. Tot bekrachtiging moest een zekere Jan van Kessel dze verklaring op 14 januari 1525 bezegelen, echter zonder te weten wat hij tekende, zoals hij later zelf tegen over ridders (naar een getuigenis) verklaarde. Dit feit reeds wierp een sterke verdenking op de echtheid van dit document.

De behandeling van de huwelijksvoltrekking schijnt intussen door de pastor van Afferden, Hendrik Schenck, geweigerd te zijn, zodat de kinderen hun toevlucht namen tot het Aartbisschoppelijk Hof te Keulen. Pastoor Peter Erphagen van Bergen en pastoor Hendrik Schenck van Afferden kregen opdracht een van beiden eed af te nemen van Derick Schenck en Aleid Csters, dat er geen belemmeringen aanwezig waren voor een kerkelijk huwelijk. Zonder uiterlijk vertoon zou dit kunnen gebeuren in de kapel van het kasteel. De pastoor van Afferden, die niet toegeeflijk was tegen over de kinderen, werd echter op de bestemde dag onder valse voorwendsels door Johan Schenk, een der bastaardzonen, mee naar Boxmeer gelokt. Onder druk en bedreiging werd zijn kapelaan, Derick van St. Thoenis, die overigens verzocht de terugkomst van de pastoor af te wachten, gedwongen de bekendmaking te verrichten. Vr die tijd had men alle mensen uit de kerk verwijderd. De kapelaan werd daarna mee naar Bleijenbeek genomen, moest echter buiten de kamer blijven en vernam verder niets. Gedweer dan de pastoor van Afferden toonde zich die van Bergen. Hij was door beloften een willig werktuig van de kinderen geworden. Allen hij werd toegelaten bij de op een torenkamertje van de burcht ziek liggende Derick Schenck van Nijdeggen. Notaris en getuigen moesten buiten het vertrek blijven, alles met de duidelijke bedoeling de zaak te verheimelijken.

Hoe het ook zij, het blijft bijzonder moeilijk vast te stellen, of er werkelijk een huwelijk werd voltrokken en of niet het geheel tegen wil van de zwakke Schenck slechts pro forma is geschied.

Buiten dit alles bestond er nog een huwelijksbeletsel, namelijk de verwantschap tussen Adelheid Csters en Gertgen Brgers, met wie Derick vroeger al in concubinaat geleefd had en waaruit een zoon geboren was. Achteraf probeerde men ook die begane fout te verbeteren en van Rome dispensatie te krijgen.

Dit lukte inderdaad. Deze dispensatie kwam echter te laat, want intussen was Derick gestorven. Doch ook nu wist men zich te redden en werd de pauselijke oorkonde vervalst door hem een jaar vroeger te dateren. De bastaarden bleven in het bezit van de erfenis van hun vader. (Derick Schenck).

De rechtmatige erfgenamen waren: Adelheid Schenck van Nijdeggen (weduwe van Reynier van Gelre) en Godaert Haes, wiens echtgenote een dochter was van Petronella Schenck van Nijdeggen. Door scheidsgerechten en andere middelen, waarin de hertog va Gelre en de aartsbisschop van Keulen (die de leenheerlijke rechten had) betrokken waren, behielden de bastaarden het slot.

Intussen werden de onprettige methoden op Bleijenbeek erger. Ze gingen daar te keer op een manier waardoor het slot, de toren, brug en schuren verwoest en dak- en vensterloos werden. De stal moest gestut worden om instorting te voorkomen; over de brug moesten planken gelegd worden om hem berijd- en begaanbaar te maken. Andere goederen waren zo zeer verwoest en in verval geraakt, dat ze nauwelijks de helft van de vroegere oogst opbrachten.

Bij deze wanorde zonder recht en bescherming leden echter het meest de onderdanen, die blootgesteld waren aan alle brutaliteiten van slechte buren. Er was de bastaarden weinig aan gelegen de privileges van de heerlijkheid te bewaren en te beschermen. De buren visten gretig in dit troebel water en trokken veel aan zich. Een van die buren was Adriaan van Bijlandt, Heer van Well en Bergen, overigens een zeer dapper en in de krijgsdienst ervaren man.

Tussen Afferden en Bergen lag en ligt nog het zogenaamde ven, waarvan elk een deel bezat. In de "bastaardentijd" waren zoals gewoonlijk enige Afferdenaren bezig turf te steken op Afferdense bodem, toen A. van Bijlandt, grensoverschrijding voorwendend, het ven met geweld binnenviel, de zogenaamde gestolen turf wegvoerde en wat hij niet kon laten meeslepen verbrandde of in de turfkuilen stak. Hij nam ook nog enige van de daar werkende mannen gevangen mee naar Well en zette hen daar in de toren gevangen. Een van hem moest "een ton bier geven, vr hij loskwam".

Te zelfdertijd (1529) drong A. van Bijlandt met een troep bewapende mannen Afferden binnen, brak gewelddadig enkele huizen open en sleepte meerdere inwoners gevangen mee naar Well. En van hen, Derick de Wijke, vertelt hiervan: "In genoemde nacht was de Heer van Well met geweld de heerlijkheid binnengevallen, had de huizen met geweld opengebroken, de jonge Jan Beltgens met eigen hand geboeid, met een mes door zijn mouw gestoken en zijn armen op de rug samengebonden. Z heeft hij de gevangenen naar Well gevoerd, in de toren geworpen en hen daar als misdadigers onder honger en dorst in bewaring gehouden, tot we zich losgekocht hadden (wat hij hun dikwijls liet aanbevelen) of hem een in zijn voordeel uitvallende boodschap omtrent de scheiding van de grens van beide heerlijkheden uitvallende boodschap omtrent de scheiding van de grens van beide heerlijkheden verstrekt hadden. Ze bleven intussen standvastig en verklaarden dat ze liever dr wilden sterven dan hem een stuiver te geven die ze niet schuldig waren. Later werden ze echter na betaling van 4 guldens ontslagen. Een zekere Jan Abels, meegesleept en in de toren geworpen, moest zich op de volgende originele manier loskopen: Hij moest een voor deel gevulde kan bier in 2 teugen leegdrinken en de heer van Well een vis leveren die met kop en staart over de rooster reikte. Voor iedere teug mr moest hij een zalm leveren. Jan dronk de kan in 2 teugen leeg, werd losgelaten en leverde een zalm van 15 pond. Een ander, Jacob Verkijnderen, kon geen losgeld bieden. Hij werd +/- een half jaar aan de dorsvlegel gezet, waarbij hij slechts de ?? vrij had.

Een getuigenis van de trouw van Rt Hopmans is te interessant om hieraan voorbij te gaan. Zij verklaarde namelijk dat de Heer van Well in eigen persoon van Jan Beltgens' huis, waarvan de deuren gesloten waren, de ruiten insloeg en, toen niemand in het huis zich bewoog, zijn bode door de ruitopening liet binnengaan om de deuren te openen. Toen ging hij zelf het huis binnen, onderzocht zolder, kelder en alle vertrekken, maar vond Jan Beltgens niet. Dit was (oud asylrecht) de kerk in gevlucht.

Zoals gezegd, was de aanleiding tot al die gewelddadigheden de grens tussen Well en Afferden, waarop het omstreden ven lag. A. van Bijlandt liet geen middel ongebruikt om zijn grens op te schuiven. Wij tippen die even aan om u opmerkzaam te maken op een kenmerkend gebuik van die tijd.

De Heer van Well dan viel Afferden binnen en liet een (waarschijnlijk ter dood veroordeelde) vrouw aan een paal LANGS DE Heukelomse bek binnen het hek (grens) van Heukelom (gehucht bij Afferden) terechtstellen. De terechtstellingsplaatsen lagen in die tijd bijna alle op de grens; ongetwijfeld om de levende die grens beter in het geheugen te prenten. Dit in beslag nemen van de grond gelukte niet, omdat het geheugen van de Heukelomse bewoners verder reikte.

De toestand vorderde noodzakelijk een verandering in de heerschappij over Afferden. Slechts een krachtige hand kon de onderkomen verhoudingen weer in orde brengen en de bastaarden uit het onrechtvaardig toegeigende slot werpen. Deze moed bezat Derick v.d. Lippe-Hoen, in 1529 of '30 gehuwd met Adelheid Schenck van Nijdeggen, vrouwe van Arcen en weduwe van Reynier van Gelre. Derick stond bij hertog Karel hoog aangeschreven. Zijn vroomheid en groot gevoel voor recht, gepaard gaande met energie en standvastigheid, straalde uit al zijn handelingen; een weldoende verschijning temidden van karakter- en schaamteloze mensen.

Adelheid had als zwakke en hulploze weduwe haar rechten op Bleijenbeek niet kunnen verdedigen. Daarom was Derick de niet aangename taak toebedeeld, haar erfenis uit de handen van de overweldigers te ontrukken. Het eerste wat hij deed was: de hertog van de stand van zaken op de hoogte te stellen en hem het gevaar voor te stellen, dat voor het land zou kunnen ontstaan, als het hart van het aan de grens gelegen Bleijenbeek in vreemde handen geraakte. De hertog gaf hierop een enkele drosten het bevel, het slot Bleijenbeek ten behoeve van Adelheid, die er het meeste recht op had, in alle eerlijkheid en oprechtheid, aan te kopen. Het was volgens de hertog niet de bedoeling de kinderen te bedriegen, maar hij wenste, dat de goederen niet in vreemde handen vielen.

De koop kwam tot stand, maar werd niet direct afgesloten. Derick stelde de Hertog op de hoogte van de tot stand gekomen koop en deze sanctioneerde de koop. Na een beval van de Hertog verlieten de bastaarden tegen hun zin het kasteel en Derick v.d. Lippe-Hoen liet het bewoonbaar maken.

Bij het in-bezit-nemen van het kasteel door Derick verschenen de bastaarden, tegen hertogelijk verbod in, voor het huis, gewapend met geweren, Derick belasterend en bedelvend onder scheldwoorden en zijn dienaren bedreigend.

Niettegenstaande de krachtige maatregelen van de Hertog, lieten de bastaarden zich met hun gemeen en tot lage excessen geneigd karakter niet tot bedaren brengen. In een aanklacht hierover van Derick v.d. Lippe zegt hij, dat hij ze had aangetroffen op het koor in de kerk van Afferden met geladen buksen en scheldend, ALS BOEVEN EN VIJANDEN. Ze hadden het engelenbeeld van de kerktoren afgeschoten. Op de pastorie, waar de vrouwe van Hls juist aanwezig was, schoten zij en ze bedreigden de pastoor met een pijl te doorboren.

Na een hernieuwde aanslag op de pastoor liet Derick v.d. Lippe Hendrik en Wijnand in hechtenis nemen en naar Bleijenbeek overbrengen. Weliswaar gaf hij ze op aandringen van zijn vrouw en na gedane beloften weer vrij. De twistzieke bastaarden leefden trouwens ook met elkaar niet in vrede en bleven in verband met het zogenaamde huwelijk getuigenissen en oorkonden vervalsen.

De Hertog liet een onderzoek instellen naar de hele affaire en, ofschoon hij vrdien steeds had vastgehouden aan de rechtmatigheid van het huwelijk tussen Derick en Adelheid Csters, zag hij nu de bedriegerijen in een duidelijk daglicht. Zij hadden echter niets meer te verliezen, bleven sgeren(?) en trachtten zelfs Rome op hun hand te krijgen. Beide stuurden vertegenwoordigers naar Rome. Na een langdurig proces, waarover pas in 1541 een definitief oordeel werd uitgesproken, werden de kinderen in het ongelijk gesteld, werd hun een eeuwig zwijgen opgelegd en moesten ze de gezamenlijke proceskosten betalen.

Nu zou men denken, dat de Schencken eindelijk iedere hoop op een voor hen gunstige ontwikkeling zouden opgeven. Zij tekende echter opnieuw appl aan. Dit nieuwe onderzoek sleepte tot 1546. Toen werd een tweede en laatste oordeel, gelijk aan het eerste, uitgesproken. De in die tijd heersende troebelen in het hertogdom Gelder waren niet zonder invloed op de gang van dit proces.

In 1544 wendden de Schencken zich tot keizer Karel V om teruggave van hun vermeende erfgoederen. De keizer ging werkelijk op de zaak in: Derick v.d. Lippe werd (ondanks protest) met Godaert van Hale naar Arnhem geroepen, ieder om zijn bewijzen voor de zoveelste keer voor te leggen aan kanselier en raadsheren. Na de uitspraak van Karel V waren alle rechtsmiddelen voor de Schencken uitgeput en moesten ze eindelijk onderworpen hun lot dragen. Ze bleven 10 jaar lang werkelijk rustig. Rond Kerstmis 1559 probeerde Derick Schenk, een zoon van de bastaard Derick, de burcht met geweld te nemen. Na een mislukte aanslag moest hij naar zijn woonplaats Goch terugkeren. Bleijenbeek schijnt nu dan ook voor langere tijd rust genoten te hebben, maar alleen om zich op zwaardere stormen voor te bereiden, die niet zo genadig zouden voorbijgaan. Een krachtiger hand wist de toren van het sterke Bleijenbeek te breken: Maarten Schenck, een zoon van de zoven gevreesde Derick. Maarten was een woeste krijgsoverste.

In de schijnbare rust voor de burcht had Derick v.d. Lippe nog veel grensgeschillen op te lossen, onder andere met de Heer van Well en het "Niederambt" Goch. Tijdens de langzaam voortslepende onderhandelingen was de bevolking, vooral in Siebengewald en Hassum, onderhevig aan roof en andere willekeur. Derick v.d. Lippe stierf in 1565. Zijn enige overgebleven zoon (Reynier overleed in 1541) Caspar v.d. Lippe Hoen volgde hem op als Heer van Bleijenbeek en Afferden.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Maarten was de achterkleinzoon van de veelbesproken Derick Schenck van Nijdeggen en Adelheid Csters. Maarten schijnt in Goch geboren te zijn. Als broers en zusters van Maarten worden genoemd: Peter (gehuwd met de dochter van de rechter van Doesburg Johan Scherpenseel), Johan Schenck (overste in Spaanse dienst), Maria Margaretha en Maria Magdalena. Maarten huwde met Maria van Gelre, dochter van de Heer van Arcen: Derick van Gelre.

Schencks krijgsheftige werkzaamheid in Staatse, kort daarop Spaanse dienst.

Alovrens in te gaan op het oorlogszuchtige leven van Schenck, is het voor een juiste orintering onmisbaar het toneel van zijn werkzaamheden en de toestanden van die tijd nader onder ogen te zien. De door verkwisting en genotzucht en de daarmee aanhangende buitensporigheden en onzedelijkheid onder alle standen reeds lang voorbereide revolutie, die in de reformatie een welkome gelegenheid vond zich over het land uit te storten, kwam in ons land onder Philips II tot een openlijke uitbarsting. Deze veel gesmede vorst, die tegen de halve wereld moedig en openlijk de verdediging van de katholieken Kerk voerde, wilde ook in Nederland een reactie in katholieke zin doorvoeren. Ondersteund door kardinaal Granvelle probeerde hij op kerkelijk en politiek gebied veranderingen door te voeren, die het welzijn van kerk en staat ten deel hadden. Doch op politieke terrein ondervond hij tegenstand. Zijn Spaanse geslotenheid had het hart van het volk, dat aan een vriendschappelijke omgang met zijn vorst gewoon was, van hem vervreemd. Ook de adel, die na zijn vertrek in 1559 zich in zijn positie verzwakt zag door de bevoorrechting van de Spaanse adel, werd ontevreden.

Philips had zijn halfzuster Margaretha van Parma tot landvoogdes benoemd, haar Granvelle tot raadsheer gegeven - en de groten van het land, o.w. Willem van Oranje en Egmond, aan het hoofd van enkele provincies gesteld.

Oranje, van zijn jeugd af de protestantse belijdenis toegedaan, had echter de waardigheid van algemeen stadhouder verwacht, voelde zich teruggezet en werd de ziel van ontevreden uitgaande bewegingen. De verandering in de kerkelijke constitutie bracht een welkome gelegenheid om de hartewens van de ontevredenen, Gravelles verwijdering, verwezenlijkt te zien. De zwakke regentes meende de opwinding van het volk tegemoet te komen en bewerkte de terugroeping van deze besliste en bedachtzame man. Nu wierp zich de adel, die zich tot nog toe had teruggehouden, in de ambten, trok bijna alle zaken aan zich- en spoedig was er een volkomen anarchie. Te Breda werd de Geuzenbond opgericht, die herroeping verzocht van de uitgevaardigde plakkaten. De zogenaamde beeldenstorm, die in weinige dagen kerken en kloosters smadelijk beroofde, ontwijdde en verwoestte, volgde.

De tot woede gebrachte koning stuurde de geweldige hertog van Alva, een man gehard onder wapens en in veldslagen en onverbiddelijk tegen vriend en vijand. Willem van Oranje en zijn aanhang vluchtten het land uit. Het lot van Nederland lag in de handen van Alva. Maar deze verstond het niet, volken te regeren en hun genegenheid te verwerven. Door de zware belastingen die hij hief kreeg hij zelfs de katholieken tegen. Hij moest dus tegen de hele bevolking vechten, zodat Willem van Oranje overal ondersteuning vond. Een bloedige oorlog woedde over ons land. Te laat riep Philips II Alva terug.

Zijn opvolger, Don Louis Requesens, kon Lodewijk van Nassau, die vanuit Duitsland kwam oprukken, nog wel in de vreselijke slag op de Mookerhei verslaan. In deze slag vocht Maarten Schenck reeds mee aan Spaanse zijde als aanvoerder van de Spaanse carabiniers, waar hij voor de Nassause ruiterij moest wijken. In deze tijd van opwinding viel de jeugd van Maarten Schenck. Hij kreeg dan ook een militaire opvoeding. Hij deed dienst onder kapitein Enkhuysen, later onder Jhr. Christoffel van Ijselstein, een Rijnlands edelman in Staatse dienst.

Dat Maarten een kind van zijn tijd was bewees hij door de inname met listig geweld van het kasteel Bleijenbeek, welke bezit hem een groter aanzien zou verschaffen en zijn eerzuchtig schreven zou kunnen steunen. Een voorwendsel tot uitvoering van dit plan had Schenck gauw gevonden. Hij schreef in 1576 vanuit Goch aan de Heer van Bleijenbeek, Caspar v.d. Lippe Hoen, kortweg vragend of deze aan de bij de verkoop van Bleijenbeek gemaakte koopakte dacht. Dit hield in, de gemaakte rente te betalen. Zo niet, dan wist hij, wat hij te doen had.

De betaling van de rente was in het verdrag duidelijk afhankelijk gesteld van het toen nog aanhangig proces te Rome, wat door de kinderen Schenck verloren was. Maarten Schenck bracht het antwoord persoonlijk: Hij overviel Bleijenbeek in de nacht en nam het in zijn bezit. Die makkers waren onder andere een neef van Schenck, de gebroeders Camphuys, Johan van Galen, Hoerhans en Hellebrent van Munster (de Scraepduivel).

Geen misdaad was hun vreemd. Koenraad Camphuys, een voormalig rechter, was wegens misbruik uit zijn ambt ontzet. Uit wraak stak hij zijn woonplaats in brand. Jan van Galen had onder andere te Keulen het plan gehad een wegoverval te doen, die echter mislukt was. De "Scraepduivel" had tussen Bochelt en Winterswijk verschillende vrouwen beroofd. Maarten had dus wel beste troepen geworden! Deze heren vormden de bezetting van Bleijenbeek.

Caspar v.d. Lippe, die zich bij de Staatse partij had aangesloten, vroeg van de Staten hulp. Maar deze konden hem vanwege de oorlogstroebelen niet helpen. Hij moest zelf maar landknechten werven en met hun hulp het huis heroveren. Caspar probeerde dit ook, maar zijn poging mislukte en het kasteel bleef aan Maarten.

De stadhouder van Gelderland onder andere verlangde te teruggaven van Bleijenbeek. Toen verliet Schenck de staatse dienst en hij liep over naar de Spanjaarden, met wier hulp hij Bleijenbeek zou kunnen behouden. Schenck liet niet na, vanuit Bleijenbeek de hele omgeving te verontrusten, waardoor het aan betekenis won.

Caspar zat intussen niet stil en wendden zich herhaaldelijk tot de stadhouder Jan van Nassau.

Door de Unie van Utrecht (1579) sloten zich 7 provincies aaneen, die onvervaard tegen over de Spanjaarden zouden staan. Het Overkwartier, waarin Afferden lag, was in die tijd grotendeels door de Staatsen bezet; uitgezonderd de hoofdstad Roermond en de kastelen Bleijenbeek en Well (door Maarten Schenck ingenomen).

Vertegenwoordigers van de Staten trokken na aanleiding van het verbond te Utrecht het Overkwartier rond om de verspreid liggende vendels de eed af te nemen. Maarten Schenck vernam dit en wilde z'n eerste sporen verdienen door de heren gevangen te nemen. Zo verscheen hij voor Straelen, welks bezetting zich overgaf. Staatse soldaten probeerden vanuit Venlo tevergeefs in het bezit van Straelen te komen.

Maarten ging door met de omgeving te brandschatten en verscheen zelfs voor de poorten van Venlo en Nijmegen. Te Well legde hij een sterke verschansing aan de Maas, juist op tijd om het hoofd te bieden aan graaf Willem Lodewijk, een zoon van Jan van Nassau, de nieuwe Staatse stadhouder van Gelderland, die met 10 vendels het Overkwartier binnentrok. Vanuit deze schans maakte Maarten zijn rooftochten.

De inwoners van Well verlieten als gevolg van de verdrukking grotendeels hun huizen en landerijen en vluchtten naar elders. In 1591 pas keerden zij terug.

Sambeek, een dorp aan de linker-Maasoever, moest aan Maarten 1447 gulden en 6 stuiver betalen (in termijnen) + haver, mout en rogge, als straf dat de Sambekers bij het dor de Spaanse soldaten aangerichte krijgsrumoer op de klok geslagen hadden. Bovendien moesten Sambeek, Vierlingsbeek, Beugen en andere omliggende dorpen aan Bleijenbeek, Middelaar en Well een maandelijkse contributie aan geld betalen en nog regelmatig kippen, vette koeien, mout, haver, rogge, varkens, vis, wijn enz. leveren. Bernard Schenck, een neef van Maarten uit Sambeek, moest het geld overbrengen, omdat hij nogal invloed had bij Maarten en diens onverzadigbaarheid kon matigen.

Het klooster De Gaesdonk werd 3x door Maarten geplunderd; de monniken werden dan gedwongen het huis te verlaten.

In 1579 nam hij vanuit Bleijenbeek de stad Doetinchem in. Hij drong 's morgens bij het openen van de poort onverwacht de stad binnen, verraste de bezetting en zetelde zich daar. Gewapende burgers uit de omgeving sloten de stad in en dwongen Schenck de stad terug te geven. Hij verkreeg weliswaar voor zich en de zijnen de belofte van vrije aftocht, maar werd toch gevangen genomen. Hij wist weldra zijn bewakers te misleiden en ontsnapte. Om de lastige uit te schakelen, hadden de Staatsen onder aanvoering van Willem Lodewijk van Nassau, zoon van de stadhouder, het huis van Well en de Schans ingenomen. Doch Bleijenbeek leverde moeilijkheden op, daar het kasteel door Maarten bijzonder versterkt was. Willem van Nassau werd dan ook gedwongen de belegering op te geven. Dit was in 1580.

Terzelfdertijd was de Staatsgouverneur van Groningen en Friesland, graaf van Rennenberg, naar de Spanjaarden overgelopen. Hij had Groningen overmeesterd, maar, omdat de beloofde hulp van Parma uitbleef, door de Staatsen erg in het nauw gebracht. Na maandenlang wachten kwam eindelijk het bericht, dat Spanjaarden en Malcontenten onder beval van Maarten Schenck aanrukten. De graaf van Hohenlo kreeg bevel de vijand tegemoet te trekken en de ontzetting te verijdelen. Hij vond Maarten Schenck in de buurt van Coevorden. Na een verschrikkelijke slag overwon Schenck. Hij trok de volgende dag naar Coevorden, de vijand achterna. Hij vond kind noch kraai; zelfs de inwoners waren gevlucht. Schenck werd wegend het 3 maand geduurde hebbend beleg van Groningen in triomf ontvangen en heerlijk onthaald. Hij en de graaf Rennenberg trokken direct naar Delfzijl. nadat ze daar hun positie versterkt en aanzienlijke strijdkrachten achtergelaten hadden, trekken ze met grote macht naar een schans niet ver van Nieuwzijl. Schenck beging hier een van zijn onmenselijke gruwelen, die zijn naam zo vreesaanjagend gemaakt hebben. Hij liet namelijk de arme gevangenen, na ze van tevoren rijkelijk onthaald en hun wonden verbonden te hebben, in aanwezigheid van Renesse in koelen bloede ombrengen. Vaandrig Renesse werd met 4 anderen, door hun energiek protest, er van verschoond.

Na graaf Willen van Nassau opgejaagd te hebben naar Heiligerlee en Winschoten, waar Hohenlo met zijn Duitse ruiters stond, bevochten ze bij Boertange een glansrijke overwinning. De verslagenen wierpen hun wapens weg en vluchtten.

Rennenberg en Schenck namen Coevorden en Oldenzaal in en belegerden Zwolle. Hier moesten ze het opgeven; ze trekken naar Doetinchem, konden daar weinig uitrichten en wierpen zich met alle macht op Steenwijk.

Na een vertwijfelde strijd trokken Rennenberg en Schenck, zonder de belegering geheel op te geven, naar Sloten en Stavoren, welke steden ze veroverden.

Intussen had de drost van Hattum, Lodewijk van Montfort, met de hertog van Parma onderhandeld over de overgave van het slot. De bezetting van Bleijenbeek kreeg van Schenck bevel de burcht Hattem te bezetten. Van deze burcht was 15 man door de drost dronken gemaakt. De burcht was door de Bleijenbekers onder leiding van sergeant Froncece spoedig overrompeld, maar niet de stad zelf. De aanvallers moesten het tegen de felle verdediging van de burgers afleggen. Ze kregen vrijgeleide en moesten hun terugtocht aanvaarden. Lodewijk en Willem van Montfort daarentegen werden als landverraders onthoofd en gevierendeeld.

Rennenberg en Schenck namen de belegering van Steenwijk weer op. Na een lange en bloedige strijd, waarbij Rennenberg het nog wel moest opnemen tegen ontzettingstroepen, moesten zij het beleg opgeven. Rennenberg verloor veel bezittingen. Slechts Groningen en enkele andere stadjes bleven in zijn bezit.

Schenck intussen verwijderde zich van Rennenberg en trok naar Bleijenbeek terug. Terwijl Friesland en Groningen grotendeels aan de Spanjaarden ontvielen, maakten de Spanjaarden in Brabant vorderingen. De hertog van Parma gaf een zekere graaf Hautepenne, stadhouder van Gelderland, beval om met Maarten Schenck de stad Breda in te nemen. Na de inname werd de eerste gouverneur van de stad. Spoedig daarop stierf Rennenberg te Groningen. Schenck hoopte in zijn plaats stadhouder te worden. Dit gebeurde niet, wat hem ten zeerste verdroot. Hij zat echter niet stil. Op zijn vroegere Heer van Ijsselstein, die Goor belegerde, behaalde hij een overwinning. De manschappen van van Ijsselstein beloofden, in 3 maanden niet tegen de Spanjaarden te vechten en konden inrukken. Maar Van Ijsselstein raakte met zijn officieren in handen van Maarten Schenck. De gevangen kochten zich niet direct vrij, werden eerst naar Breedevoort en later naar Bleijenbeek vervoerd, waar ze geen prettig verblijf vonden in de kelders van het kasteel. Ijsselstein en zijn gezellen (Van Ripperda, Jan van Vorst tot Grinsbergen en Matthijs van Wenkum, burgemeester van Deventer, en andere) sloten met Schenck een verdrag, waarbij zij FL. 55.000,- en 7 gouden kettingen als losgeld wilden betalen. De Staten echter noemden dit verdrag ondragelijk en onchristelijk, wilden er niets van weten en verklaarden, geen middelen te bezitten om zo'n hoge som te betalen. Ze gaven de familieleden de raad, vermindering van de som te bewerken. Schenck zat in geldnood en stond toe, dat Eggerik van Ripperda en M. van Wenkum naar Deventer gingen, om daar de toestemming tot betaling van de losprijs persoonlijk te bewerken. De achterblijvenden moesten met hun goed en bloed borg staan voor hun terugkomst.

Een klein, niet toereikende som kregen ze los, maar daarmee waren de gevangenen niet geholpen. Dus moesten de twee zich haasten voor de terugreis naar Bleijenbeek. De Deventer burgers grepen toen naar het middel uit uitkomst moest geven en namen beiden in hechtenis. Notaris Van Galen bracht Maarten Schenck hiervan op de hoogte.

Schenck was inmiddels voor priv-aangelegenheid naar Xanten gegaan, waar hij zich schijnbaar z veilig voelde, dat hij elke voorzorgsmaatregel verzuimde. Hans Ulrich, gouverneur van Geldern, kreeg dit bericht door. Hij wenste niets liever dan deze gevaarlijke tegenstander in handen te krijgen. Hij stuurde enkele verklede soldaten naar Xanten, die Schenck bij het verlaten van dit stadje gevangen namen en naar Geldern voerden. Dit voorval baarde in ons hele land groot opzien. De stad Nijmegen haastte zich het Hof te berichten, dat Schenck zonder vrkennis van het Hof niet voor geld vrijgekocht zou worden. De Staten van Overijssel wendden zich tot de gouverneur en de Staten-Generaal met het verzoek, Schenck niet eerder voor losgeld vrij te kopen, voordat hij het losgeld van de Overijsselse patriotten had verminderd. Toen begonnen de onderhandelingen.

Intussen hielden de gevangenen van Bleijenbeek niet op, klaagbrieven te schrijven. Het meest nodige ontbrak hun dikwijls. Tenslotte werd Schenck in ruil voor de Bleijenbeekse gevangenen vrijgegeven.

De toestand van ons land werd er niet beter op, daar Parma in het zuiden beduidende successen behaalde en Willem van Oranje in 1584 door Balthasar Gerards werd doodgeschoten. Velen keerden tot gehoorzaamheid aan de koning terug. Onder hen was Caspar v.d. Lippe Hoen.

Vr zijn gevangenneming had Schenck nog rooftochten ondernomen door het land van Cuyk en overal ingezetenen weggevoerd.

Boxmeer, dat met Schenck in 1502 een overeenkomst gesloten had, moest nu dubbele belasting betalen, 90 mul rogge en evenveel gerst leveren. De kerkschatten van Boxmeer werden in die tijd naar Gennep gebracht, waar ze 12 jaar bleven.

Het Kruisherenklooster St. Agatha bij Cuyk werd in diezelfde tijd door Maarten geheel beroofd en verwoest. Na Schencks bevrijding probeerde hij spoedig weer een aanval op Nijmegen, maar die mislukte.

Daarop trok hij met de beruchte Camille Sasohini, gouverneur van Middelaar, naar Millingen a/d Rijn, waar beiden een schans opwierpen en daardoor heer van het land werden. Zij brandschatten de hele Overbetuwe en de Oypolder.

Bij Parma stond Schenck, die zowel de bezittingen van de katholieken als die van de gereformeerden niet verschoon liet, niet hoog meer aangeschreven. Parma moest zelfs tussenbeiden komen bij geschillen tussen Schenck, Sacohini en Haultepenne, waarbij hij de eerste het strikte bevel gaf "in alles de heer van Haultepenne te respecteren". Schenck was niet de man om zo'n verootmoediging geduldig te dragen. Hij wreekte zich op Parma, verliet zijn dienst en liep over naar de Staatsen. Vermoedelijk ligt de oorzaak van zijn overgang in zijn persoonlijke teleurstellingen, zoals de hoop op benoeming tot stadhouder van Friesland na de dood van Rennenberg, en de vrees Bleijenbeek te verliezen na de stappen, die Caspar v.d. Lippe Hoen bij Parma ondernomen had om zijn kasteel terug te krijgen.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Na het verlaten van het Spaanse kamp trad Schenck in dienst van 2 heren: die van de Verenigde Provincies en van de afvallige Aartsbisschop-Keurvorst van Keulen: Gebbard Fruchsets van Waldburg, die tot de reformatie was toegetreden.

Hij wilde evenwel het keurvorstendom blijven regeren en het protestantisme invoeren. Maar het Domkapittel, de adel en steden van het aartsbisdom kwamen eensgezind daartegen in verzet. Paus Gregorius XIII sprak de ban over hem uit en het Domkapittel benoemde Ernst, Prins van Beieren, tot zijn opvolger. De hieruit ontstane oorlog eindigde met een volledige nederlaag van Frunchsetz, die nu zijn toevlucht nam tot de Prins van Oranje. Deze nam het vriendelijk op.

Toen Maarten Schenck besloten had de Spaanse dienst te verlaten, trad hij heimelijk in onderhandeling met Adolf, graaf van Neuenar en een gevolmachtigde van Fruchsetz. In een negental punten kwam mem tot overeenstemming. Schenck trok de volgende nacht naar Bleijenbeek terug en gaf dit, met nog andere plaatsen die in zijn bezit waren, aan de Staten over. Hij bemachtigde ook nog het slot Overasselt bij Grave en reisde toen naar Den Haag, waar de Generale Staten het verdrag in zijn geheel bekrachtigden, behoudens enkele punten die niet uitvoerbaar waren, onder andere betreffende de functie van veldmaarschalk, die nog bezet was. Zij vonden het wel goed, dat hij bij de keurvorst van Keplen zulk een waardigheid bekleedde.

Schenck kwam nu weer in actie. Nu eens vinden we hem in Utrecht of Gelderland, dan weer in de Keulse landen of West-Falen Hij verscheen met zijn gevreesde ruiterij overal waar men hem het minst verwachtte. Zijn eerste wapenfeit liep ongelukkig af. Zoals reeds vermeld, maakte Parma grote vorderingen met de verovering van het land. Een Spaanse legermacht naderde Gelderland en Utrecht. In juni 1585 kwam het tot een treffen bij Amerongen, waar de Staatsen onder beval stonden van Adolf, graaf van Neuenar, veldmaarschalk Van Soete en Maarten Schenck. De Spanjaarden wonnen en Maarten moest de wijk nemen naar Wijk bij Duurstede. Vandaar ging hij later naar Utrecht, om de Raad van State het gebeurde te melden.

Ook een hernieuwde aanslag van Schenck en Adolf van Neuenar op Nijmegen mislukte. Daarna trok Schenck met zijn ruiters Venlo binnen, waar hij zeergoed onthaald werd op wijn. Parma, die Grave wilde bezetten, zag zich genoodzaakt bezit te nemen van Blerick, de kastelen Blitterswijck en Geysteren aan de linker-Maasoever, om te verhinderen dat Venlo Grave ondersteunen zou. Parma zond toen ook zijn dappere kapitein Peter Corvera de Maas over met 100 soldaten, om het klooster Petersweert (tussen Arcen en Lomm) te bezetten. Toen Maarten Schenck dit vernam, trok hij 's nachts vanuit Venlo daarheen, omsingelde het klooster, eiste van de Spanjaarden overgave en viel aan, toen zij weigerden. Tot 3x toe heeft Maarten het klooster genomen, maar even dikwijls werd hij er uit geworpen. Daar hij geen kans meer zag op een andere manier Heer van het klooster te worden, liet hij het op 4 plaatsen in brand steken.

De Spanjaarden echter gaven zich niet gewonnen en vochten tegen een 9x zo grote overmacht. Schenck liet toen zijn ruiterij aanrukken. Van zijn mannen sneuvelden er 250. Van de Spanjaarden bleef niemand over dan Corvera (door 3 kogels getroffen en met een spies doorboord) en 6 andere, die als teken van duurgekochte overwinning naar Venlo gebracht werden.

Intussen was midden december 1585 Robrecht Dydley, graaf van Leycester, te Vlissingen geland als gouverneur-generaal (met Engelse hulptroepen). Hij werd spoedig daarna tegen de wil van de koningin tot gouv. -gen. benoemd van de 7 Verenigde Provincie. Wellicht werd Schenck in 1586 door hem ter versterking naar de stad Neuss (Duitsland) gestuurd. Met de commandant van die stad, de koene Herman van Cloedh, maakte Schenck zijn beruchte toch naar Westfalen, naar het plaatsje Werl.

Door een listige voormalige notaris en rechter, tevens ijverige aanhanger van de nieuwe leer, uit Werl, die zich wilde wreken op de stad, werd Schenck onder valse voorwendsels overgehaald. Hij ging bereidwillig op zijn voorstellen in. Met hun ruiters en infanterie trekken Schenck en Cloedh de Rijn over. Bij de stad aangekomen, liet Schenck 's morgens om 4 uur in de noordelijke voorstad een huis in brand steken. Spoedig klonk van de toren de brandklok. De stadsbewoners ijlden naar de brand. Hiervoor moest echter een stadspoort geopend worden, omdat het buiten de wal was. Enige mannen van Schenck slopen door de geopende poort binnen en staken in allerijl binnen de muur op andere plaatsen de boel in brand. Opnieuw luidde de brandklok.

De verwarring in de stad werd algemeen, daar men nu minder aan blussen dacht dan aan redding van eigen goed. Schenck liet ladders tegen de muren plaatsen, klom er met zijn voetvolk over en opende de stadspoorten, zodat de ruiters binnentrokken. Dit ging z vlug in zijn werk, dat Schenck al op het marktplein stond voordat de burgers goed wisten wat hun overkomen was. Schenck bezette alle poorten van de stad, liet ze sluiten en niemand mocht er in of uit. Het slot echter gaf zich na een verzoek van Schenck niet over. In allerijl zonden de slotbezetters een bode naar de Westfaalse maarschalk. Dit had tot gevolg, dat een troepenmacht van het landvol aanrukte om de stad te ontzetten. Schenck vernam dit van een spion. Hij besloot onmiddellijk de vijand buiten de stad aan te vallen, daar hij wel voelde, mede door de sterke slotbezetting gevaar te lopen voor insluiting. Na een verschrikkelijke veldslag, waarbij Schenck een kogel in het dijbeen kreeg, ging hij en Cloedh naar Werl terug met de hunnen, sloten de stadspoorten en troffen voorbereidingen om het slot te overmeesteren. Hierna rukten Spaanse en Keulse troepen aan. Schenck vernam dit, liet de poorten nog sterker bewaken, plunderde de stad, laadde de buit op de wagens en trok 's avonds de stad uit, 30 aanzienlijke personen van de stad meevoerend. Tegen een zeer hoog losgeld kwamen dezen weer vrij.

Bij zijn afmars liet Schenck 50 van zijn meest roekeloze mannen achter, om de stad in brand te steken. De burgers verhinderden dit, sloegen er 20 neer en namen er 30 gevangen.

Schenck kwam met buit beladen in Rheinberg aan. Tien dagen van gruwel en tegenspoed had hij in Werl en omgeving gebracht.

Nadat Schenck zijn soldaten in hun garnizoenen had geplaatst, reisde hij naar de graaf van Leycester, die hem vriendelijk ontving, met groot feestvertoon tot ridder sloeg en hem een gouden ketting ter waarde van FL. 2000,- schonk. (Het vermoeden bestaat , dat Schenck niet de gewone ridderslag ontving, maar die van ridder in de orde van de Kousenband.)

Schenck benutte het oponthoud in Utrecht om Leycester het voorstel te doen, bij de splitsing van Waal en Rijn een fort aan te leggen. Dan kon men de omgeving beheersen en de vijand het binnenkomen van het land beletten. Hij kreeg toestemming en bracht het werk daarna tot een goed einde. Het bleek later dikwijls een uitermate praktische verdediging te zijn. Het werd eerst "Den Bril", ook "Vossenhol" en later naar de bouwer "Schenckerschans" genoemd.

Na deze bouw trok Schenck weer het Keulse land in. Voor Brhl gekomen, vond hij dit in een goede verdedigingstoestand. Hij trok naar Keulen en voerde daar tegen boeren en edellieden een vernietigende strijd.

Parma had nu Venlo van alle kanten ingesloten. Huisgenoten van Schenck, onder wie zijn echtgenote, bevonden zich daar. Toen Maarten vernam in welk gevaar zijn familie verkeerde, verzuimde hij niets om Venlo te doen ontzetten. Hij viel met een dappere Engelse ritmeester en 400 ruiters in Parma's stellingen en baande zich te zwaard een weg tot aan de stadspoort. Hij moest echter terug, wilde hij niet ingesloten worden. Eindelijk capituleerde Venlo. De soldaten kregen vrije aftocht - en ook de burgers die niet in de stad wilden blijven. Hieronder waren Schenck echtgenote en zuster.

Spanje nam daarna (1586) Well in onder commando van kapitein Splinter Helnick. Schenck wees opnieuw de Staten op de belangrijkheid van het Overkwartier en de grote nood, waarin dit gebied zich bevond. Hij overlegde met de Staten, sloot met hen een verbond en werd daardoor militair gouverneur van het gehele Overkwartier (en kon ongestoord zijn strooptochten voortzetten!) Daar het land echter volledig uitgezogen was, kon dit hem geen groot financieel voordeel brengen. Boerderijen waren leeg of uitgebrand; velden lagen braak. Schenck richtte nu zijn oog op Ruhrort. Hij zond heimelijk enige soldaten de stad in, om die later met hun hulp te overweldigen. Hij dwong het landvolk, zijn ruiter te ravitailleren. De verbinding met Ruhrort en Rheinberg onderhield hij met 2 schepen. Deze stad ging echter dra weer verloren.

Schenck zat toen in Geldern, waarover de Schot Patten gouverneur was. Met deze en enkele officieren zat hij in een klooster waaruit de zusters waren verdreven, om de tijd te doden met brasserijen. Schenck en Patton kregen een woordenwisseling, die eindigde met een oorvijg van Schenck aan het adres van Patterson. De laatste werd woedend en zocht wraak, maar zijn broer en goede vrienden hielden hem tegen.

Toen de volgende dag de roes was uitgeslapen, verzoenden zij zich weer met elkaar. Achteraf bleek echter. dat Patton al lang met verraderlijke plannen rondliep en Schencks afwezigheid benutte. Hij trad door middel van zijn broer Willem heimelijk in contact met de Spaanse aanvoerder Hautepenne omtrent de overgave van Geldern tegen een grote som geld. Schenck keerde gewoonlijk 's nachts van zijn tochten terug. Patten benutte dit en loog zijn soldaten voor, dat Schenck hem bericht had in deze nacht terug te keren. De soldaten lieten dan ook, in de mening dat Schenck arriveerde, de Spanjaarden rustig binnentrekken. Schenck verloor hier veel paarden en wapens. Zijn stellingen in het Overkwartier werden bijna onhoudbaar door het verlies van Geldern. Zijn soldaten verliepen zich en, om hen met wat werk en uitzicht op buit in een nog weinig uitgeperst land bezig te houden, waar ze hun gewoonte om te brandschatten kenden uitleven, hield hij zich bezig met een aanslag op Bonn. Hij achtte de uitvoering van zijn plan gunstig, toen Parma bezig was met de uitrusting van de voor de Spaanse Armada bestemde schepen. Men vertelt. dat hij in de omgeving van Bonn varkens in de stal liet slaan en trappen, om door hun geschreeuw het lawaai van zijn bewegingen te overstemmen. Hij liet een nieuw uitgevonden schietapparaat aan de Rijnpoort brengen. Toen een uur later alles voor inname gereed was, ontplofte de hele zaak, werd de poort met een deel van de muur vernield en: de stad was genomen. Toen Schenck alles naar zijn zin had geregeld, liet hij zijn soldaten plunderen, waarbij de grootste gruwelijkheden werden begaan. Schenck had gehoopt op de steun van protestantse Rijksvorsten voor het behoud van deze stad. Maar hij had er niet op gerekend, dat dezen niet van plan waren met Spanje in oorlog te geraken. Hij wendde zich nu tot de Generale Staten met het vriendelijke verzoek, hem bij de verovering van Bonn niet te verlaten. Maar de Staten van Holland waren over dit bericht niet zo verheugd. Bonn lag hun namelijk te ver weg en zij hadden zelf de handen a vol. Bovendien kon men geen enkel recht op Bonn doen gelden. Zij stuurden Schenck zveel als ze hem bij accoord beloofd hadden.

Op de duur kwam Schenck in een hoogst pijnlijke situatie, verlaten door zijn vrienden en in het vijandelijke land in een hachelijke positie gebracht door zijn vijanden. In deze nood besloot hij naar Engeland te gaan en Koningin Elisabeth om hulp te vragen. Daar echter was ieder druk met het gereedmaken van de uitrusting tegen de Spaanse Armada. Daar de beloften omtrent de ontzetting van Bonn niet uitgevoerd werden, keerde hij via Den Haag terug. Hij besloot Neusz te belegeren, om zo Spaanse troepen bij Bonn weg te lokken. Deze list mislukte. Toen ook nog de graaf van Mansfeld voor Bonn verscheen, gaf Schenck alle hoop op. Hij capituleerde na een 6 maanden moedig uitgehouden beleg en mocht met de bezetting en een goede buit (geroofd) naar Rheinberg en Wachtendonk afmarcheren.

Schenck, verbitterd over de geleden nederlaag en ontgoocheld in zijn verwachtingen om tot gouverneur van Geertruidenberg te worden benoemd, bracht nu de Generale Staten meermalen in verlegenheid door eigenmachtig bezit te nemen van Staatse plaatsen. Om zijn aanzien te doen stijgen, beraamde hij weer een aanslag op Nijmegen. Met 2 uit de stad gevluchte burgers, die met 2 anderen in de stad contact hadden, kwam hij overeen de stadsmuur te laten springen en z binnen te dringen. Dit mislukte, omdat hij niet genoeg volk kreeg en de Waal plotseling hoog steeg.

Terzelfdertijd verscheen Schenck met zijn soldaten, pauwhanen genoemd, in het Cuykse land. Hij trok plunderend door Boxmeer en roofde Venray en Horst leeg.

De toestand van het Overkwartier was inmiddels z, dat het geheel in handen van Spanje was, behalve het slot Bleijenbeek. Dit hielden de Staatsen nog steeds bezet. Van hieruit dwongen zij de bewoners van Boxmeer belasting te betalen en aan de wallen van Bleijenbeek te werken. Daarbij maakten zij de scheepvaart op de Maas bijna onmogelijk.

Op verlangen van de steden Nijmegen, Venlo en Grave - zeker ook op aandringen van de rechtmatige Heer Van Bleijenbeek Caspar v.d. Lippe Hoen, begon de gouverneur van Gelderland, die bij afwezigheid van Parma het commando voerde, aan de belegering van Bleijenbeek. Het was april 1589. Schenck was toen in Den Haag om met de Generale Staten te overleggen omtrent zijn langer verblijf in hun dienst. Bleijenbeek werd te land door 700 man en te water door 7 oorlogsschepen aangevallen; ter beschieting stonden 6 geschutstukken klaar. Schenck smeekte om soldaten en oorlogsschepen, teneinde het huis te ontzetten. De Staten wilde er niets van horen, vrdat zijn dienstverband beschreven stond. Dit gebeurde op 12 en 16 mei. Nu kreeg Schenck manschappen en een voor de oorlog uitgerust schip met 1 kapitein en 11 bootsgezellen.

Intussen was Bleijenbeek ingesloten door de markies van Varambon. Hij had daar 14 vendels Bourgondirs, 10 vendels Walen, Duitsers en Italianen (die tot dan toe in het land van Kessel hadden gelegen), 2 vendels Schotten onder overste Patten (die Geldern had verraden), 1 vendel ruiters en nog enkele legeronderdelen. Hij sloeg zijn kamp op in de heuvelachtige hei, het zogenaamde Rimpelt. (De naam legerberg bestaat thans nog.)

Wallen werden rondom Bleijenbeek gelegd, van geschut voorzien; het kasteel werd op 19 en 20 mei "gebombardeerd", waarbij 1000 schoten zouden gevallen zijn. Doch dit bleef zonder succes. Het bombardement kon niet schaden; wat de muren geleden hadden, werd direct opgevuld met zand. Varambon begin nu aan de bestorming van Bleijenbeek.

Toen de dappere ingenieur Piatto bezig was een uit vaten gemaakte stormbrug over de gracht te slaan, deed de bezetting onder aanvoering van de commandant zelf een plotselinge uitval, waarbij van beide zijden dapper gevochten werd. De Bleijenbekers verloren hun commandant en moesten met groot verlies terug, doch niet zonder vele belegeraars te hebben gedood.

Bijzonder gevoelig voor de Spanjaarden was het verlies van ingenieur Piatto, die, door 3 kogels getroffen, viel.

Onder de kopstukken van de bezetting brak na zijn dood tweedracht uit. De vaandrig met het grootste deel van de manschappen wilde zich verdedigen tot het uiterste om de ontzetting afwachten; de minderheid wilde zich overgeven. De laatste groep won, hoewel in dezelfde nacht nog het lichtteken van de naderbijkomende ontzetting werd gezien. Na een beleg van 2 maanden werd Bleijenbeek op 25 juni overgeleverd. De bezetting kreeg met haar wapens vrije aftocht.

Onder de doden van Bleijenbeek vond men een vrouw, die met veel wonden bedekt was en veel littekens in het gezicht had. Zij had met mannemoed verschillende uitvallen meegemaakt.

De door lichttekens aangekondigde bezetting was zeker dichtbij. Schenck was op de morgen van de dag van overgave met zijn soldaten Kleef voorbij en dus dicht bij Bleijenbeek. Hij was echter net te laat om de overgave van het slot te verhinderen. Het was voor hem verloren. Inderdaad een bittere slag voor hem, want voor het behoud er van had hij zijn wilskracht, werken, zelfs zijn leven ingezet, bij herhaling van Heer verwisseld en het geloof van zijn vaderen verlaten. Hij begon echter direct aan het 2e deel van de hem gegeven opdracht: het provianderen van Rheinberg. Korte tijd daarna vernam hij van zijn spionnen, dat de markies van Varambon een som gelds naar Friesland liet overbrengen, gedekt door 7 vendels infanterie en 3 vendels ruiters.

Schenck haastte zich dit convooi te bemachtigen. Hij schreef hierover aan de Raad van State en meldde onder andere dat hij 100 Spanjaarden had gedood, terwijl er slechts 3 van zijn mannen aan verwondingen gestorven waren; en dat het krijgsvolk een goede buit aan zilverwerk, gouden kettingen en geld gekregen had.

Na deze moorddadige strijd rustte Schenck zich uit voor zijn laatste tocht, naar de door hem jarenlang begeerde stad Nijmegen. Tot nu toe was geen enkele list hier hem gelukt; zelfs de elementen weerstreefden hem hier. Maar hij was er de man niet naar om zich te laten ontmoedigen. Hij zakte met 20 grote en kleine schepen vol soldaten en geschut en met 50 ponten de Waal af, op Nijmegen aan. het was zijn bedoeling bij het aanbreken van de dag te landen, de bezetting te overrompelen en zo de stad onder zijn bevelen te brengen. Maar ook nu waren de elementen tgen hem. De wind was stil en het water hoog, zodat hij langzaam vorderde. Strijdlustig als hij was, ging Schenck als een der eersten aan land, zonder op de andere te wachten. Hij forceerde een stadspoort, drong met de zijnen de stad binnen en bezette een huis op de markt. Tegelijk begonnen de andere aangekomen schepen te schieten. Door dit lawaai werden de burgers op de been gebracht, die in allerijl bewapend het ingenomen huis begonnen te bestormen. Tenslotte kon Schenck zich niet meer in de stad handhaven en vluchtte hij met de zijnen de schepen op. Daar ieder de eerste wilde zijn, zonken er meerdere schepen. Schenck, die een zwaar, kogelvrij harnas droeg, sprong op een overladen schip, dat dan ook zonk. Zijn zware uitrusting maakte hem het zwemmen onmogelijk en hij verdronk jammerlijk. Twee schepen vielen in handen van de vijand; andere zonken en vele mannen vonden de dood. De Nijmegenaren visten onder andere ook Schencks lichaam op, brachten het aan land en herkenden het direct aan zijn rijke kleding en vele wonden. Als hoogverrader sloeg men hem het hoofd af. Dit werd als afschrikwekkend voorbeeld op de Antoniuspoort gestoken. Zijn lichaam werd gevierendeeld. Zijn harnas werd in de stadsraadkamer gebracht en daar bewaard.

De markies van Varambon liet 8 dagen later zijn hoofd en andere lichaamsdelen in een doodskist leggen en z in de Kronenburger-Waltoren bijzetten, waar het tot de plechtige begrafenis bleef staan. Aldus eindigde roemloos het leven van de gevreesde krijgsoverste Maarten Schenck van Nijdeggen.

De Staten verloren aan hem niet veel. Zijn werk had weinig resultaat afgeworpen. Zijn positie was trouwens bijna onhoudbaar geworden. Als de dood hem niet weggenomen had, was het vroeg of laat toch tot een breuk gekomen.

Schenck liet zijn vrouw Maria van Gelere een ongehoorde schuld na. De Staten schijnen zich echter haar lot aangetrokken en voor haar gezorgd te hebben.

In 1591 werd Nijmegen door Maurits van Nassau ingenomen. Schencks weduwe haastte zich, haar man een eervolle begrafenis te geven en schreef daarover aan de Generale Staten. Deze gaven er gevolg aan en volgens krijgsgebruik werd het stoffelijk overschot met grote plechtigheid, onder begeleiding van Prins Maurits, de adel en officieren, in de Stephanuskerk(?) voor het hoogaltaar in het graf van de hertogen van Gelder bijgezet.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

In een oude kroniek heeft men oud Latijns grafschrift van Maarten aangetroffen, waarschijnlijk gedicht door een tijdgenoot. Hierin wordt hij precies (hoewel hard) beoordeeld - en zijn leven wordt vergeleken met zijn vreselijk eindde.

Ook andere tijdgenoten geven hun mening ter attentie van zijn persoon. Weliswaar is partijdigheid niet uitgesloten, maar uit de samenstelling kan men toch wel een tamelijk objectief oordeel over hem vormen en de waarheid dicht benaderen.

Maarten Schenck wordt door zijn biografen een snel, vernuftig, trots en in alle opzichten dapper man genoemd. Hij zorgde er voor dat zijn vijanden hem vreesden en was dan ook een "stedendwinger" van formaat. Zonodig kon hij dag en nacht in het zadel zitten en op zijn paard eten en slapen. Zich inspannen kon hij op het waanzinnige af. Maarten was een godsdienstloze, rauwe klant, die het oorlogvoeren gebruikte om zijn buidel te vullen. Hij was een dapper soldaat, maar hem ontbrak wat de soldaat adelt: de edele overtuiging dat hij voor een goede zaak vocht. Hij zocht bij elk krijgsonderneming eigen voordeel. Roof- en plundertochten waren hem daarom zeer geliefd.

Sluwheid en snelheid worden hem toegeschreven als de eigenschappen die hem het meest hielpen. Met betrekking tot het eerste vertelt men nog heden, dat hij eens de hoeven van zijn paard averechts had laten beslaan om de vijand te misleiden.

Voor zijn snelheid spreekt zijn zinspreuk "Hodie, oras nihil" (heden; morgen niets). Een van zijn portretten draagt deze spreuk. Hij zou waarschijnlijk tot de groten uit de vaderlandse historie zijn gaan behoren, als hij zich niet had overgegeven aan gruwelijke wreedheden - en niet te zeer persoonlijke belangen boven die van algemeen belang had gesteld.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Het met de naam van Maarten Schenck zo nauw verbonden slot Bleijenbeek was, zoals vermeld, weer in handen van de Spanjaarden. Caspar v.d. Lippe Hoen probeerde nu weer in het bezit van zijn huis te komen en wendden zich tot de Spaanse gouverneur van de stad Roermond. Deze verkreeg in Brussel met veel moeite en grote kosten de teruggave aan de voormalige bezitter. In 1590 werd een verdrag gesloten tussen de Spaanse vertegenwoordiger Francisco Moro en de schoonzoon van Caspar: Christoffel Schenck van Nijdeggen, Heer van Hillenrath.

Bleijenbeek en Afferden bevonden zich in een troostloze toestand. Het land was met hei begroeid, de huizen waren afgebrand en verwoest, de bevolking was praktisch geheel gevlucht. In 1592 keerden enige Afferdenaren terug om hun landerijen te bebouwen. Ze vonden hun huizen niet meer en moesten hun toevlucht nemen in de kerk. Op de toren werd een uitkijkpost geplaatst, die bijnaderend gevaar moest waarschuwen. Rond de kerk werd een schans ter bescherming gebouwd. De pastoorsplaats was op grond van het benoemingsrecht aan de bisschop toegewezen. Caspar v.d. Lippe Hoen mocht intussen een geigende pastoor voordragen. in de persoon van Weselius van Solingen kreeg Afferden zijn pastoor. Zoals reeds eerder is vermeld, schijnt deze de bestemming te hebben gehad, de nieuwe leer hier ingang te doen vinden.

Een oom en neef van Caspar beijverden zich, de reformatie in Meurs en Krefeld in te voeren. Caspars zoon werd niet in het graf van zijn voorvaderen te Afferden, maar in de bloeiende gemeente te Gennep begraven. Opvallend was daarbij, dat in het met vermelde pastoor gesloten verdrag met geen enkel woord gesproken werd over de Heilige Mis en de Heilige Sacramenten, terwijl het lezen van Gods woord meermalen en met grote nadruk werd ingeprent.

De laatste dagen van Caspars leven werden ook nog vergald. Het was vermoedelijk in 1595, dat Derick Schenck (waarschijnlijk dezelfde die met Maarten aan de verovering van het kasteel meewerkte) met nog 2 bendeleden op diefachtige wijze vr Bleijenbeek 2 paarden van de ploeg af spande en er mee wegreed. Dit zag Caspars zoon Willem. Hij sprong te paard, reed de rovers na en haalde hen in op Gelderse bodem, op de weg naar Kleef. Derick Schenck echter stormde zonder veel praten op hem af en doodde hem. Daarna trad Derick onder een valse naam in Spaanse krijgsdienst, waaruit hij spoedig ontslagen werd. Zijn kapitein noemde hem, volgens een getuigenis, een eerloze schelm, die de galg verdiende.

Zijn straatschenderijen echter kon hij niet laten. Hij plaagde mensen, die zich van hem moesten loskopen - en liet zelfs een der zijnen gewoon doodschieten.

De Kleefse raadsheren, aan wie Caspar het voorval direct gemeld had, bevalen Dericks gevangenneming. Hij werd echter onder borgstelling weer vrijgelaten, nogmaals gevangengenomen, bleef 2 jaar zonder veroordeling in hechtenis en wist toen de dans te ontspringen.

Deze boef veroorzaakte nog meer moeilijkheden. Caspar v.d. Lippe stierf in 1595 en liet een zoon (Rolman) en 4 dochters na. De oudste dochter, Adelheid, huwde met Christoffel Schenck van Nijdeggen, Heer van Hillenrath, die later het hele vermogen erfde en dus ook Heer van Bleijenbeek werd. Zijn huwelijk werd gezegend met 11 kinderen. Hij stierf in 1624. Zijn oudste zoon Arnold werd stamheer. Uit diens leven weten we slechts, dat hij onder de koning van Spanje heeft gediend. Hij stierf in 1653 en liet 8 kinderen na. De oudste zoon, Christoffel, werd nu heer van Bleijenbeek. Deze had in zijn jeugd de universiteit van Keulen bezocht. Hij kwam door het vroeg overlijden van zijn vader zeer jong in het bezit van de erfenis. De toch al onstuimige jongen werd hierdoor overmoedig en twistziek, wat blijkt uit verschillende verhalen. Hij liet bijvoorbeeld eens een voerman flink afranselen door zijn knecht, omdat hij niet direct met zijn kar voor hem was uitgeweken.

Een arme radmaker, die hem geld verschuldigd was, dreigde hij "een pistool aan zijn oor te zullen zetten", als hij niet gauw betaalde.

Ook met zijn buren leefde hij vak in onmin. Desalniettemin rees spoedig zijn aanzien en kreeg hij nog grotere macht. Hij stierf in 1680 op het slot Hillenrath (Swalmen). Zijn oudste zoon en opvolger Arnold Schenck van Nijdeggen, te vroeg ouderloos geworden, kwam op 18-jarige leeftijd in het bezit van het uitgestrekte gebied. In jeugdige lichtzinnigheid verwikkelde hij zich in een aangelegenheid, die zijn beste jaren zou vergallen. Hij leerde bij zijn oom Caspar Schenck een weduwe, pseudo-gravin Maria Dausque, kennen. Deze dame wist haar netten z goed naar de jonge, onervaren Arnold uit te werpen, dat zij hem tot het aangaan van een huwelijk bewoog, zonder dat hij iets afwist van haar verhouding met zijn oom. kort na het huwelijk kwam de ontgoocheling en verwijderde hij zich van haar. Uit een proces bleek, dat zij de dochter was van een kwakzalver, die zich uitgaf voor medisch doktor en dat zij in concubinaat had geleefd met meerdere adellijke heren, van wie n bij haar 2 kinderen had verwekt. Het huwelijk met Arnold werd ongeldig verklaard (door Rome bevestigd).

In 1694 huwde Arnold op het slot Haag bij Geldern met Maria Catharina Markiezin van en tot Hoensbroek. Deze schonk hem een zoon, die in 1695 op Bleijenbeek geboren werd en bij de plechtige doop op het slot Haag de namen van zijn beide grootvaders kreeg, namelijk Christoffel Arnold, Adriaan. Deze veelbelovende erfgenaam vond in 1703 te Hillenraath een ongelukkige dood. Men vertelt dat hij, spelend met een briks, zichzelf doodgeschoten zou hebben. Zeer waarschijnlijk heeft de zogenaamde gravin Dausque uit wraak hierin de hand gehad.

Toen Arnold in 1709 kinderloos stierf, vermaakte hij zijn hele vermogen aan zijn gemalin en kwam het slot Bleijenbeek in het bezit van de adellijke familie van en tot Hoensbroek.

Nu nog herinneren enkele namen ons aan de oude familie Schenck. Tegenover Lobith over de Rijn, juist over de grens van Duitsland, ligt Schenkenschans, in 1817 bij grensregeling met Pruisen aan dit laatste toegevoegd. De Schenkendijk is een weg van de Lakei (onder Afferden) naar Siebengewald; hij liep door voormalig moerassig gebied. Verder nog de Schenkenpas, een wei in het leegveld onder Afferden.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De wapen zijn ontstaan in de middeleeuwen, toen op de toernooien de behoefte naar voren kwam om de gehelmde ridders uit elkaar te kennen. Het schild, dat zij tot het opvangen der steken van hun tegenstanders gebruikten, werd daartoe versierd met een bepaalde figuur. Ook op de helm werd deze figuur dikwijls aangebracht. De schildfiguren en helmtekens werden zo familietekens (wapens) en erfelijk.

Het uit 1271 daterend wapen van Wilhelm Schenck van Nijdeggen geeft aan; een goudgetongde leeuw op een hartvormig schild met zwarte achtergrond en een schuine balk er door.

Van ridder Hendrik Schenck van Nijdeggen, heer van Walbeck 1420 ziet men wederom de rechtopstaande leeuw met uitslaande klauwen op een hartvormig schil.

Het wapen van Derick Schenck van Nijdeggen van 1487 is uitgebreider en vertoont ons een rond schild, waarop 2 getongde leeuwen staan, een grote gekroonde ridderhelm steunend, waar bovenuit een leeuw. Het geheel wordt gedragen door het schuinliggend hartschild met leeuw. Op de rand stond de naam van Schenck vermeld.

Afferden, 1957.

===================================================================================

De evakuatie

Evenals in Heijen is in Afferden medio oktober 1944 het bevel gekomen dat de bevolking huis en haard moest verlaten.

De meeste inwoners hebben in eerste instantie getracht zo dicht mogelijk bij huis te blijven.

Behalve in Heijen en Afferden, was in oktober binnen de gemeente Bergen nog niets bekend van een evakuatiebevel. Ook Heukelom werd nog ongemoeid gelaten. De inwoners van Afferden hebben toen in de andere dorpen van de gemeente Bergen bij familie of kennissen een onderkomen gezocht en gevonden. Men hoopte dat dit tijdelijke verblijf binnen enkele weken door de bevrijding beindigd zou worden. Dit is helaas niet uitgekomen.

Met de evakuatie van een gedeelte van de inwoners van Siebengewald op 4 november 1944, zijn de daar verblijvende evakue's uit Afferden naar het oosten en noorden van ons land getrokken. Degenen, die in andere plaatsen van de gemeente Bergen een evakuatie-adres hadden gevonden, zijn in de eerste helft van januari 1945 in dezelfde richting vertrokken. Toen waren de weersomstandigheden veel ongunstiger dan in oktober en november. Toch zijn in januari nog voettochten naar een evakuatiebestemming ondernomen. Daarnaast zijn vele mensen toen per trein van Weeze naar Groningen gereisd.

Op bijgaande kaartje zijn 2 routes aangegeven:

- de toch, die op 4 november 1944 in Siebengewald is begonnen  (te voet, per fiets en met karren).

- de treinreis van Weeze naar Groningen (13-14 januari 1945)

Vanaf Zwolle of Ommen is men soms in de richting van Heerenveen of andere Friese plaatsen getrokken.

Verder zijn verschillende evakue's in Overijssel of Gelderland gebleven, zodat hun tocht daar geindigd is.

De bevrijding van Afferden

Uit eigen ervaring zal wel niemand in Afferden kunnen vertellen hoe de laatste grote hindernissen voor de bevrijding van deze plaats genomen zijn. Bij terugkeer uit de verschillende evakuatieplaatsen heeft de Afferdse bevolking alleen de droeve materile resultaten van de verwoede strijd kunnen waarnemen.

Het XXX-ste legerkorps heeft in deze kontreien de vrijheid bevochten. Dit geldt zowel voor het Reichswald, het gebied Kleve - Kalkar - Goch - Weeze als het gebieden Afferden - Gennep.

Op 16 februari 1945 heeft de 52e Lowland-Division de aanval op Afferden ingezet. Daaraan is een verschrikkelijk spervuur vooraf gegaan. In het westelijk gedeelte van 't Broedersbos hebben de Duitsers zich toen met hand en tand verdedigd.

Op 17 februari 1945 is een bataljon van de Glasgow-Highlanders zonder noemswaardige tegenstand het dorp Afferden binnengerukt. Daardoor was een gedeelte van Afferden bevrijd, maar de strijd was nog niet beslecht.

Op dezelfde dag is de aanval op Rimpelt en kasteel Bleijenbeek ingezet. Daar zijn de geallieerde militairen op grote tegenstand gestuit. Aanvankelijk hebben 2 bataljons van de Highland-Light-Infantery getracht het kasteel stormenderhand te veroveren. Ze werden echter met grote verliezen teruggeslagen.

Op 18 februari 1945 probeerden het 4th King's Own Scottish Borderers en Churchill-tanks van de 34e pantserbrigade op te rukken over een open terrein tussen de bossen en het kasteel. Zij werden ook met veel verliezen teruggeslagen.

Vanuit het kasteel en de direkte omgeving wisten de Duitsers zich met sukses te verdedigen. om het verzet te breken werd de bijstand van de luchtmacht ingeroepen. Op 20 en 21 februari 1945 hebben Typhoon-bommenwerpers van de R.A.F. een negental bommen van 450 kg op het kasteel geworpen, waardoor dit veranderd is in een rune. Daardoor was de Duitse tegenstand nog niet definitief gebroken. Pas in de nacht van 28 februari op 1 maart hebben de Fallschirmjger het terrein van het kasteel verlaten. De 52e Lowland-Division is er pas op 1 maart in geslaagd de anti-tankgracht bij het kasteel over te steken.

De verdediging van het kasteel schijnt door slechts 15 parachutisten gevoerd te zijn, die 's nachts met vlotten bevoorraad zijn. Hun fanatieke tegenstand bewijst dat de Duitsters nog geenszins dachten aan kapituleren. Een van de slogansop de muren luidde dan ook: "Siegen oder Siberien". In de annalen van de 52e Lowland-Division is met betrekking tot dit verzet opgetekend: "Wij onthouden de Duitsers onze bewondering voor hun moed en vasthoudendheid niet".


Historische Notities door A. Goossens - 1957

GESCHIEDENIS