Haplo pappus

Als je zaadjes in de winkel koopt krijg je daar een gebruiksaanwijzing blij. Wanneer en hoe zaaien, uitplanten en op welke standplaats.

Als je zaad krijgt van een tuinvriend of -vriendin is dat lastiger.
Navragen waar de plant in de eigen tuin staat levert in ieder geval een mogelijke standplaats op. De naam weten helpt ook, dan kun je in een boek of internet nog eens wat opzoeken. Vaak is de varieteit niet bekend maar soms zelfs de naam niet.
Dan is de omschrijving bijvoorbeeld: 'leuke roze klokjes in juni' of 'iets kleins, irisachtig, staat bij mij naast de vijver' of 'witte bloempjes met 4 blaadjes en donkergroen blad'. Tja.

Van de week kreeg ik zaad van een plant met de mooie naam Haplopappus.
Had ik nog niet eerder van gehoord. Het blijkt een halfheestertje te zijn met gele composietbloemen, oorspronkelijk uit Chili en Argentinie. Deze moet in de volle zon en droog staan. Een Nederlandse naam heb ik niet gevonden maar haplopappus, zeker gespeld als haplo pappus, vind ik wel een mooie naam.

Ik kreeg ook zaad van een graslelie. Ik heb een kamerplant die graslelie heet (bij ons thuis bijgenaamd 'bietel', vanwege zijn wilde bossige groei), maar wist niet dat het ook een tuinplant is. Af en toe zet ik zomers een stek van de kamerplantversie buiten die dan 's winters steevast doodvriest. Gelukkig is de plant heel makkelijk te stekken. Na de bloei met stervormige witte bloempjes komen er kindplantjes aan het einde van de bloemstengel. De bonte variant komt het meest voor als kamerplant maar ik heb ook diverse donkergroene exemplaren.

De grote graslelie moet een winterharde vaste plant zijn. De witte bloemen lijken behoorlijk veel op de kamerplantversie.

Binnenkort, in maart, maar eens gaan zaaien. En vooral niet vergeten om stokjes met de naam bij de potjes te zetten.