Home Nieuws Teven Fotoverhalen Verw. Nestjes Rose Foto's Nakomelingen
Puppy's Geschiedenis Info In Memoriam Links Gastenboek Training Contact

 

 

 

De geschiedenis van de Labrador Retriever

 

 

De Labrador retriever komt oorspronkelijk niet, zoals de naam doet vermoeden, uit Labrador, maar uit Newfoundland. Dit koude, onherbergzame eiland ligt aan de
oostkust van Canada, pal tegenover de Canadese streek Labrador.
Tussen beide gebieden ligt slechts een zeestraat. De naamsverwarring
is waarschijnlijk ontstaan doordat Labrador en Newfoundland zo dicht bij elkaar liggen.
Het eiland Newfoundland werd pas vanaf de 17e eeuw bewoond door onder andere Britse kolonisten.
Uit geďmporteerde honden ontwikkelde zich in de loop van de 18e eeuw een ras
dat bestond uit twee verschillende typen. De grote, langharige honden werden door de kolonisten gebruikt om lasten te
dragen en sleden te trekken. De kleinere, gladharige honden werden door vissers gebruikt bij het binnenhalen van de netten en voor het apporteren van vissen die door de mazen glipten.
Beide typen noemde men gemakshalve Newfoundland-honden.
In het boek 'The Popular Labrador Retriever' van Lorna, Countess Howe,
lezen we dat kolonel Peter Hawker in 1814 voor het eerst een onderscheid maakte tussen de grotere en de kleinere soort.
De grotere honden werden Newfoundlander genoemd en de kleine honden
St. John's hond of Labrador.

 

De dikke pijlen geven de route aan die de vissers begin 1800 aflegden van Newfoundland naar Engeland

 

 

De Labradors waren makkelijk in de omgang, hadden een sterk reukvermogen en waren zeer intelligent. Bovendien bezaten ze een zeer groot uithoudings- en doorzettingsvermogen en waren uitermate goede zwemmers. Ze hadden een waterafstotende vacht en een korte, dikke otterstaart.
Allemaal zaken die nodig waren om te kunnen overleven in het koude Canadese klimaat.

 

In het begin van de 19e eeuw voer de Newfoundland Fishing Fleet op het Engelse plaatsje Poole in Dorset. Daar trokken de vlugge, schrandere honden op de vissersboten de aandacht van de plaatselijke adel, die altijd geďnteresseerd was in goede gebruikshonden. De graaf van Malmesbury, die in de buurt woonde, de hertog van Buccleuch, kolonel Peter Hawker en anderen kochten de eerste Labradors van de vissers en introduceerden ze in adellijke Engelse jagerskringen.
Want, schrijft kolonel Peter Hawker in 'Instructions to Young Sportsmen in All that Relates to the Guns and Shooting' anno 1814 : deze Labradors waren 'by far the best for every kind of shooting'.
Hier blijkt voor het eerst uit dat deze honden niet slechts door vissers, maar ook door jagers gebruikt konden worden.

 

De Labrador werd in Engelse jachtkringen al snel een populaire hond. In de beginjaren van de fokkerij probeerde men het ras vaak te verbeteren door kruisingen met de pointer, setter en uiteraard ook met de beste apporteur uit die tijd, de flatcoated-retriever. Gelukkig waren er ook fokkers die uitsluitend fokten met originele importhonden. Twee namen die in dit verband niet mogen ontbreken, zijn die van de Malmesbury- en Buccleuch - kennels.
Zo schrijft de graaf van Malmesbury in 1887 :
'Wij noemen onze honden altijd Labrador-honden en ik heb het ras zo zuiver mogelijk gehouden op basis van de eerste honden die ik uit Poole gehaald heb.......
Het echte ras kan men herkennen aan de dichte vacht die waterafstotend is als olie en vooral aan de staart als van een otter."

Loma, Countess Howe gefotografeerd op een veldwedstrijd in 1923 met drie honden uit haar 'befaamde Banchory-kennel: B. Come, B. Choice en Dual Champion B. Bolo

 

Over de Buccleuch-kennel kunnen we lezen:

"Toen de hertog van Buccleuch samen met de graaf van Home de winter doorbracht in Bournemouth, stond hij tijdens een jachtpartij op Heron Court versteld van het werk van Lord Malmesbury's honden, vooral van hun werk in het water. Lord Malmesbury beloofde hem enkele fokexemplaren.

Toen de eerste reu Ned aankwam op Langholm Lodge, bleek hij van een totaal andere klasse te zijn dan alle andere honden daar, terwijl de tweede reu Avon zelfs nog beter was dan Ned. Alle Buccleuch nakomelingen stammen af van deze twee honden." Beide kennels hebben tot in het begin van deze eeuw een enorme invloed gehad op de ontwikkeling van het ras. In vrijwel alle eerste stambomen zijn honden hieruit terug te vinden.

Rond 1885 stagneerde de import van Labradors uit Newfoundland. Dit had twee oorzaken: ten eerste werd in Newfoundland een wet aangenomen ter bescherming van de schapen. Deze wet maakte het houden van honden vrijwel onbetaalbaar. Ten tweede schreef men in Engeland een quarantaineperiode van zes maanden voor. Hierdoor was men praktisch aangewezen op het reeds aanwezige fokmateriaal. Sinds meer dan honderd jaar is de Labrador dus 'Made in Great Brittain'

Aanvankelijk was het merendeel van de honden zwart. De gele Labrador kwam in die tijd wel voor,want in het Bowes Museum in County Durham hangt een schilderij uit 1848 waarop Mrs. Josephine Bowes afgebeeld is met haar gele Labrador Bernardine. De eerste geregistreerde gele labrador was Ben of Hyde van majoor Radcliffe. Ben werd geboren in 1899 uit twee zwarte ouders en grootouders. Hij vererfde vele gele nakomelingen bij zwarte tevén. Dit wijst erop dat deze teven fokonzuiver zwart waren. De gele Labrador werd pas na de Eerste Wereldoorlog op tentoonstellingen toegelaten. De leverkleurige (chocolate) Labrador werd voor het eerst in 1938 beschreven.

In 1903 werd de Labrador door de Engelse Kennel Club erkend. Helaas werden niet alleen de raszuivere Labradors geregistreerd, maar ook kruisingen met andere (retriever)rassen. Zo kon het gebeuren dat in 1916 een heel mooie, rastypische Labrador-reu, Horton Max, het Crufts kampioenschap won, terwijl zijn vader een Flatcoated retriever was!
Veel Labrador-liefhebbers protesteerden hiertegen, met als gevolg dat in datzelfde jaar de Engelse Labrador Retrieverclub werd opgericht, die een standaard voor het ras opstelde.

In 'The Popular Labrador Retriever' van Loma, Countess Howe staan veel foto's van,
bekende Labradors, zoals Dual Champion Banchory Bolo, geboren in 1915 en schitterende foto's van honden uit de Munden Kennel van Lord Knutsford.

 

De Labrador werd in Engeland zo populair dat er in 1925 zelfs een tweede vereniging
to stand kwam: The Yellow Labrador Club. Ook in de Verenigde Staten had het ras bekendheid verworven.( In 1931 werd er de Labrador Club opgericht, die bij de American Kennel Club erkenning vroeg en kreeg. Op dit moment is de Labrador in Engeland
één van de meest populaire rashonden.

 

 De beroemde reu Sandylands Mark

 

Aardig om te weten is dat de Engelse Koninklijke familie Labradors voor de jacht hield en ermee ging fokken. Het is bekend dat Koning George V Labradors en onder andere Clumber spaniels in zijn  Sandringham-kennel hield.
Tot op heden wordt deze kennel door de Koninklijke familie in stand gehouden
en vele honden uit deze kennel hebben op field trials naam gemaakt.
Het Koninklijk huis heeft sinds 1946 het patronaat van The Labrador Retriever Club.

In de loop der jaren groeide de afstand tussen de groep Engelsen die de Labrador speciaal voor de jacht fokte en hen die meer volgens de standaardvoorschriften gingen fokken. De Engelse Kennel Club heeft getracht deze kloof te overbruggen door twee kampioenstitels in te stellen.

Show Champion' en 'Field trial Champion'. Daarnaast bestaat nog de officieuze titel 'Dual Champion'            die men mag gebruiken als de hond zowel Show Champion als Fieldtrial Champion is.
 

 

 

DE LABRADORS IN NEDERLAND

 

Intussen was de Labrador in Nederland een nog vrijwel onbekende verschijning.
Tussen 1910 en 1914 werden enkele honden ingevoerd, maar pas na de Eerste Wereldoorlog kwam de import van Labradors (en golden) retrievers enigszins op gang. In 1933 werd de Nederlandse Retriever Club opgericht met als doel het gebruik van retrievers
van alle rassen in het veld te bevorderen.

De NRC was  lange tijd de rasvereniging voor alle retriever rassen.
 

De Tweede Wereldoorlog en de perikelen daarna zorgden voor een stagnatie

in de ontwikkeling van het ras. In Engeland werd in de oorlog nauwelijks

gefokt en in Nederland waren de Labradors nagenoeg uitgestorven.

Direct na de Tweede Wereldoorlog, maar vooral pas aan het eind van de jaren vijftig,

begon de import weer op gang te komen en verschenen er weer Labradors

in de Nederlandse jachtgebieden.

 

De Labradors waren in die tijd in handen van een kleine groep liefhebbers

die de honden voornamelijk voor de jacht gebruikten. Het ras was duidelijk nog niet bekend bij het grote publiek.

In die situatie kwam in de zestiger jaren enige verandering toen het fokken

met voornamelijk geďmporteerde honden toenam. Een bekend nest was

het Sabo's G-nest (1966) waaruit de beide kampioenen Sabo' s Gallant en

Sabo' s Giant werden geboren.

Een ander beroemd nest uit die tijd (1969) was het Sunny Loch's C-nest

uit de combinatie Candlemas Oberon x Sunnybrae Lochgowrae,

honden die beide uit Groot-Brittannië afkomstig waren.

Vier honden uit dit nest werden Nederlands kampioen:

de reuen Cedric en Commander en de teven Cider en Cherry.

 

 

Bron: Nederlandse Labrador Vereniging
***************************************************************************************

 

 

Rasstandaard Labrador Retriever

 

 

Algemeen beeld:



Sterk gebouwd, kort in lendenen, bijzonder actief,  breed in schedel,
 breed en diep in borst en ribben, breed en sterk in lendenen en achterhand. 


Typische
raskenmerken:



Goed temperament, erg behendig. Buitengewoon goede neus,
zacht in de mond,uitgesproken liefhebber van water.
Een toegewijde, zich gemakkelijk aanpassende metgezel. 

 

Temperament:



Intelligent, levendig en gezeglijk, met een sterke wil zijn baas te behagen. Vriendelijk karakter  zonder spoor van agressie of ongepaste schuwheid.

 

Hoofd/schedel:




Schedel breed met een duidelijke stop, scherp besneden zonder vlezige wangen. Kaken middelmatig lang, krachtig en niet spits toelopend. Neus breed, neusgaten goed ontwikkeld.

 

Ogen:



Middelmatig groot, met een intelligente en vriendelijke uitdrukking, bruin of hazelnootkleurig.

 

Oren: 



Niet groot of zwaar, dicht tegen het hoofd aanliggend en vrij ver naar achteren geplaatst. 

 

Mond:




Kaken en gebit sterk met een volmaakt, regelmatig en compleet scharend gebit, dat wil zeggen dat de bovenste tanden net over de onderste heen vallen en recht in de kaak staan. 

 

 Hals:


Droog, sterk, krachtig, geplaatst op goedliggende schouders.

 

Voorhand:



Schouders lang en schuinliggend. Voorbenen voorzien van stevige botten en recht van de elleboog tot de grond, zowel van voren als van opzij gezien.

 

Lichaam: 



Borstkas van goede breedte en diepte, met goed gewelfde, tonvormige ribben. Horizontale bovenbelijning. Lendenen breed, kort en sterk.

 

Achterhand:



Goed ontwikkeld, niet naar de staart aflopend, goed gehoekte knie. Laag geplaatste hakken,koehakkigheid hoogst ongewenst. 


 Voeten:


Rond, compact, goed gebogen tenen en goed ontwikkelde voetzolen.

 

Staart:






Kenmerkend voor het ras, erg dik bij de aanzet en geleidelijk toelopend naar de punt, van middelmatige lengte, vrij van bevedering, maar rondom dik bekleed met een korte, dikke,dichte vacht, waardoor de ronde vorm ontstaat die beschreven wordt als 'otterstaart'. Mag vrolijk gedragen worden, maar mag niet over de rug krullen.

 

Gang/ beweging:


Vrij, voldoende bodem beslaand, recht en zuiver zowel voor als achter.

 

Vacht:



Kenmerkend voor het ras, kort, dicht, zonder golven of bevedering, vrij hard aanvoelend,weerbestendige ondervacht.  

 

Kleur:



Geheel zwart, geel of lever/chocoladekleurig. De gele kleur kan variëren van licht roomkleurig tot vossenrood. Kleine witte vlek op de borst is toegestaan.

 

Hoogte:


Ideale schofthoogte reuen 56-57 cm, teven 54-56 cm.

 

Fouten:



Iedere afwijking van de hierboven vermelde punten moet als fout worden aangemerkt, de mate waarin moet in verhouding tot de ernst van de fout staan.

 

 

Naar Boven