Mijn militaire diensttijd in Indonesië

7 DECEMBER DIVISIE   4-1- A.A.T

Wim Balijon, soldaat/chauffeur.

Veteranenpas reg.nr. 250604020.


De Nederlandse regering in ballingschap heeft besloten om na beëindiging van de Tweede wereldoorlog de koloniale verhouding met de koloniën, waaronder ook Ned. Indië om te zetten in een federale regeringsvorm. Koningin Wilhelmina heeft dat standpunt wereldkundig gemaakt met haar bekende rede van 7 december 1942.

Citaat uit de rede van Koningin Wilhelmina in Londen op 7 december 1942.

´Ik stel mij voor, zonder vooruit te loopen op de adviezen der rijksconferentie, dat zij zich richten zullen op een Rijksverband, waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao te zamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf, de eigen inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid en steunend op eigen kracht, doch met den wil elkander bij te staan, zullen behartigen.
Daarbij zal voor verschil van behandeling op grond van ras of landaard geen plaats zijn, doch zullen slechts de persoonlijke bekwaamheid der burgers en de behoeften van de verschillende bevolkingsgroepen den doorslag geven voor het beleid der Regering.´


Dit was het mandaat, waarop wij als dienstplichtigen van de 7 december divisie naar Nederlands-Indië werden gezonden. Dus niet koloniseren, zoals de communisten propageerden en die de dienstplichtigen tot desertie aanspoorden, maar de koloniën zelfstandigheid verlenen. Rassendiscriminatie opheffen! Binnen het grote Koninkrijk der Nederlanden waren dan alle burgers gelijk.
Soekarno wilde één grote communistische staat. De mensen van de sterk verschillende bevolkingsgroepen wilden dit niet. Zij wilden zelfbeheer.

Van de kolonialen hadden we nooit iets goeds gehoord, dat waren ´drankorgels´ volgens de volksmond. Als je nergens meer voor deugde ging je naar de Oost. Wij, als jongens, zongen de bekende smartlap ´de koloniaal´.
Van Indië wist ik niets. Op de lagere ´School met de Bijbel´ ging iedere maandag ná het opzeggen van een geleerde psalm het zendingspoppetje rond. Daar deed je dan één cent in en dan knikte het kopje dankbaar.
Verder gaf de Maatschappij, waarvoor mijn vader petroleum verkocht een wekelijks krantje uit ´De Automaat´ met een stripverhaal, dat heette 'pijpje drop'. Het ging over een zwart dienstmeisje, dat stiekem stal.

Mijn grootvader heeft bij de Kon. Marine gediend als matroos van juli 1846 tot december 1860. De verhalen gingen over een harde strijd en dat het volk gekerstend moest worden, want ze wisten van ´God noch gebod´. Wij leerden thuis ook, dat de ´zwarte´ mensen van het geslacht Cham waren en tot dienstbaarheid (slaven) waren veroordeeld (Genesis 20 – 26 ).

Dus ik vond met mijn ouders, dat het een goede zaak was om naar Ned.Indië te gaan. Bovendien en daar lieg ik niet om: het avontuur trok mij ook, hoewel ik als vrijwilliger niet zou zijn gegaan.

Dit was de culturele bagage waarmee ik naar Indië ging.


Op 2 mei 1946 werd ik opgeroepen. Na goedgekeurd te zijn, moest ik mij melden in de Willem Frederik Kazerne in Harderwijk. Ik werd ingedeeld bij de Staf van het Bataljon Aan- en Afvoertroepen (A.A.T.) 1e Divisie “7 December”.


Het embleem van de 7 december divisie, dat aan ons werd toegekend is het wapen van Batavia op een rood veld met witte letters E M.

Expeditionaire Macht

Stadswapen Batavia


Het kader, dat uit vrijwilligers bestond, was getraind in Glascow in Engeland. Wij waren de eerste dienstplichtigen, die ná de Tweede Wereldoorlog werden opgeroepen en ook de eersten, die buiten de landsgrenzen hun dienstplicht gingen vervullen.

Op zaterdag, 22 september 1946, twee dagen voor het vertrek van de Boissevain vonden in Amsterdam grote protestdemonstraties plaats door de communisten, die tegen de uitzending waren. Waartegen de politie met zwaar geweld optrad. Op de vertrekdag brak in Amsterdam een massale proteststaking uit. De wagons van de troepentreinen werden door hen met het volgende opschrift voorzien:

"Vleestransport Amsterdam-Batavia".


Op 24 september 1946 vertrokken we vanuit Harderwijk naar Amsterdam. Met de trein gingen we naar Amsterdam, die langs het gehele traject was bewaakt, vanwege mogelijke sabotage door de communisten. We werden op de Boissevain met 2500 man ingescheept.

Op 24 september 1946 hield de Minister van Overzeese Gebiedsdelen J.A. Jonkman voor de radio nog een klemmend betoog, waarin hij duidelijk stelt, dat Nederland uitgaat van hervorming van de verhoudingen met Indonesië. De bedoeling was een Verenigde Staten te stichten van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Indonesië met aan het hoofd van de Unie de Koning der Nederlanden, zie: schema.
De Koningin heeft de naam ‘7 december’ aan de divisie gegeven, dat het gaat om de vrede te waarborgen. Hij deed een oproep de militairen niet te beklagen, noch af te houden van hun vredeswerk. De Eerste Kamer heeft de troepenzendingen dan ook goedgekeurd met 39-4 stemmen.

Stakers hervat uw werk! Ook de regering wil vrede met Indonesië!

Er waren ook veel deserteurs, 10% van het aantal dienstplichtigen, die weigerden naar Indië te gaan. Zij hadden allerlei redenen, maar het was maar 1%, die om politieke redenen weigerden. Achteraf gaan ze er nu allemaal prat op, dat zij zo idealistisch waren. Zie artikel uit Vrij Nederland 10-12-1983

Op de boot was het even wennen. Het eten moest je op cafetariawijze afhalen. In een groot ruim stonden tafeltjes waaraan je kon plaatsnemen. Vooral het slapen in hangmatten was een aparte ervaring. Er werd al direct wild heen en weer geschommeld, getrokken en geduwd. Totdat er een uitviel en met zijn kop ongelukkig terecht kwam, waardoor hij een soort epilepsieaanval kreeg. Hij werd in Port Said (de eerste tussenhaven) weer naar Holland teruggebracht. Het was meteen afgelopen met het geschommel.

Verder was het een beetje vervelen aan boord. Gelukkig werd het steeds warmer en mochten we op het dek slapen. Er werd veel gekaart en aardappeljassen moest ook gebeuren. Ook zagen we ´vliegende vissen´, scholen dolfijnen en zelfs een paar grote haaien. In Port Said mochten we niet van boord, maar we maakten voor het eerst contact met mensen uit het Oosten, de parlevinkers. Daarna gingen we op Sabang aan. Ook werd de ceremonie van het dopen door de God van de zeven zeeën ´Neptunis´ niet vergeten.

Na tien dagen alleen maar zon , water en op het dek rond te hangen zagen we land opdagen. Het binnenvaren in deze haven, Sabang is nl. de grootste natuurhaven van de Oost, is een ervaring die op mij zo´n overweldigende indruk maakte, dat ik die nooit ben vergeten. Het grote schip werd steeds kleiner tegenover de hoogte van omliggende bebossing. Het heldere water, waarin je prachtige gekleurde vissen zag zwemmen, die je in Holland alleen in tropische aquaria ziet. We mochten van het schip af en wat rondwandelen en de inheemse bevolking observeren. Dat was wel even wennen. Mooie "Sarina's", die we in onze gedachten hadden, konden we niet direct ontdekken, wel kampongs met arme inheemse mensen. De natuur was wel indrukwekkend. Na wat bananen gekocht te hebben moesten we weer aan boord en gingen we op Tandjong Priok aan; de haven van Batavia.

Onderweg kregen we nog wat lessen over Indië van het kader, dat ook niets van Indië wist. De belangrijkste boodschap was steeds, dat alle vrouwen ziek waren.

De dokter gaf als advies: condooms gebruiken. Maar zei dan steeds: ´het is je voeten wassen met je sokken aan´, hetgeen niet als een aanbeveling klonk. We kregen  ook een voorschrift, waar alles in stond.


Op 19 oktober 1946 voeren we Tandjong Priok binnen. We werden ontvangen door de kwartiermakers en VHK-sters, die overvraagd werden over van alles en nog wat.

Met drie-tonners werden we naar Batavia (± 10 km) gebracht en gelegerd in de oude KNIL-kazerne aan de Oude Hospitaalweg. Waar het direct al improviseren was, want er waren geen veldbedden genoeg. De eerste 14 dagen heb ik op een tafel geslapen, wat best hard was. We moesten ook direct onder de klamboe´s tegen de muskieten. Het eten was niet best, want de koks konden geen rijst en bami koken. Ze kookten groenten met aardappelpoeder, want aardappelen waren er niet, dus was het net cement. We gingen dan ook naar de Marine Cantine op Noordwijk, waar je goedkoop brood met spiegeleieren en koffie kon krijgen.De eerste paar weken hoefden we niets te doen, dan acclimatiseren. Batavia verkennen, er was een Boven en Benedenstad, een stad zo groot als de provincie Utrecht. Er was een grote verscheidenheid van militairen, nl. wij als Nederlandse, verder de Engelse, Brits-Indische (Gurka´s) en KNIL-soldaten. Verder waren er de Japanse krijgsgevangenen, die ook in onze werkplaatsen werkten als monteurs. Zelfs waren er TNI-kantoren (Tentara Nasionaal Indonesia/Het Republikeinse leger). Onbegrijpelijk, maar waar! Er was namelijk een wapenstilstand. Met de Indonesische leiders werd onderhandeld over een overeenkomst, die de inhoud van bovenaangehaalde ‘rede van de Koningin op 7 december 1942’ gestalte moest geven.

Met mijn kameraad ging ik een paar keer naar een Indonesische ingenieur, officier bij de TNI, die in Delft gestudeerd had en vloeiend Nederlands sprak. Die vertelde van het koloniale verleden, de onderdrukking en slavernij, b.v. over de weg van Daendels ca. 1000 km, die in 1810 was aangelegd van Batavia naar Soerabaja, waar elke meter een inlander als slaaf bezweken was en begraven ligt. Wij mochten natuurlijk niet naar hem toe. Ik begon toen al wel een andere kijk op Indië te krijgen. Ik moest Multatuli maar eens lezen, de Max Havelaar en Vrije Arbeid, maar, die kon ik nergens te pakken krijgen.


Onder de burgers  was ook een rijke variëteit. De Maleiers, Arabieren, Chinezen, Ambonezen en dan veel Indo´s (halfbloeden), want de kolonialen hadden vroeger ook niet stil gezeten, dus zoek het maar eens uit. Maar geleidelijk aan krijg je er wel kijk op. We gingen al gauw naar de Chinese restaurantjes en 's avonds naar de dansgelegenheden, waar het erg druk was. Er werd ook dikwijls in die gelegenheden gevochten. Vooral met de Engelsen, die vóór de Republikeinen waren. De danstent Black Cat, was een bekende gelegenheid. De MP kwam dan regelmatig de tent hardhandig met gummistokken schoonvegen.

Gelukkig kreeg ik na veertien dagen een wagen, een kleine vrachtwagen (een Fifteen-hundredweight). De wagens, die wij kregen waren afkomstig van de Tweede wereldoorlog; de Afrika-kleuren stonden er nog op. Ik moest boodschappen voor de Staf doen in Batavia. Het was even wennen om links te rijden, dat hadden de Engelsen , die van 1811 tot 1816 hier ´de baas´  zijn geweest (toen Napoleon bij ons de ´baas´was), ingevoerd. Dus de hele dag door Batavia rijden. Het was in die tijd, met al die legers, de drukste stad van de wereld. Ook waren de Indische meisjes ( halfbloeden, die gewoon Nederlands spreken) gek op ´toeren´ door de stad. Ik voelde me net als de Canadezen in Holland na ´de bevrijding´ en die wisten ook waar Abraham de mosterd haalde.


de eerste wagen

terug van het ´toeren´


Ik hield daar dan ook een verkering aan over, die bijna een jaar heeft geduurd. Hetgeen tevens een veilig onderkomen was, want het uitgaan was niet zonder risico´s. In de ´rosse´ buurten werd je aangeklampt met de daar bekende aanbiedingen als: ´trek-trek, lima poeloe sen ( vijftig cent), mek-mek satoe ruphia (een nummertje, één gulden)´. Een geslachtsziekte was dan zonder gebruik van condoom, meestal inbegrepen. In Indië werd zoiets niet zo zwaar aangerekend, als in Holland. De oude kolonialen zeiden dan ook:  “een druiper hoort bij je uitrusting”.

Met mijn vriendin ging ik op visite bij een oudere zuster van haar, die met een Nederlandse KNIL-militair was getrouwd. Hij vertelde een schokkend verhaal, dat een drie jarig zoontje van een collega van hem hier in Batavia was vermoord en gevonden was met afgesneden geslachtsorganen in zijn mond. Ik was verbijsterd. Nooit had ik van zo’n misdrijf gehoord. Hij vertelde, dat dit de handelwijze was, die de vrijheidstrijders van Indonesië toepasten. Ook vertelde hij van de Bersiap-periode, die ná het uitroepen door Soekarno van de republiek Indonesia op 17 augustus 1945 ontstond waardoor er een machtsvacuüm was. De Indonesische jeugd, die door de Japanners waren opgeleid (de Pemoeda’s) om te moorden trokken door Indonesië en vermoorden grote aantallen Europeanen en Chinezen, maar beroofden en vermoorden ook hun eigen bevolking in de kampongs.(zie: de order, die zij hebben uitgevaardigd. Soekarno, die de Jappen had meegeholpen, die jeugd op te leiden, liet zijn ware gezicht zien). Zelfs de Jappen hebben de Nederlanders en Indische mensen, die nog in de kampen zaten voor hen beschermd. Gelukkig heeft premier Sjahrir hier een einde aan gemaakt. (‘De waarheid over Java’ door Mr. H.W.J. Picard, Uitgave. W,van Hoeve).

Aangezien het leven duur was moest er ook bijverdiend worden. Ik hoorde, dat er soms behoorlijke prijsverschillen waren tussen de boven- en benedenstad, want, zoals gezegd, Batavia was groot. Een wagen was dan natuurlijk een handig bezit. Ik kocht b.v. een paar honderd zonnebrillen in de kantine, die ik in de benedenstad met één ruphia verschil verkocht en zo waren er meer artikelen met prijsverschillen. Een jerrycan met benzine kreeg je 25 ruphia voor, maar dat mocht natuurlijk niet. Mijn kameraad en ik aten dan ook geregeld in restaurants, omdat het eten in de kazerne niet te eten was. Er is zelfs voor gestaakt, toen hebben ze een Chinese kok laten koken en die heeft het onze koks voorgedaan, waarna het een stuk beter werd. Bovendien waren de Highway-sigaretten van het leger ook niet te roken en de Amerikaanse en Engelse sigaretten op de passar waren duur. Extra bijverdienste was dus geen luxe.

Ook moest ik samen met Geurt van der Bor limonade foerageren voor onze kantine. We werden goede kennissen van de Directeur van de fabriek, de heer Daniëls, (hij was een halfbloed Chinees) en wij werden dikwijls bij hem thuis uitgenodigd voor een etentje. Zijn wens was een kijkje te nemen naar zijn Plantage, die hij vóór de oorlog bezat. Maar die plantage lag achter de demarkatielijn, dus op Republikeins gebied. Hetgeen levensgevaarlijk voor ons was en wij daar natuurlijk niet mochten komen. Volgens hem kon het geen kwaad, daar hij goed stond aangeschreven bij die inheemse bevolking. We hebben het er toch op gewaagd en we werden overweldigend ontvangen. Ze kwamen in de verte al diepbuigend aan met allerlei vruchten, die ze ons aanboden. Het ´diepe buigen´ is geen onderdanigheid vertelde de heer Daniëls, maar adat, een inheemse wijze van respect tonen. Er werd een maaltijd aangeboden en zij smeekten de heer Daniëls te blijven om de leiding weer op zich te nemen, want de plantage en zijn huis waren behoorlijk verloederd. Geurt en ik zaten wel in de rats, want we hoorden in de verte schieten, maar volgens een aanwezige soldaat waren groepen Indonesiërs met elkaar aan het vechten. We waren wel geweldig opgelucht, toen we 's avonds weer thuis waren. 



Bij de fam. Daniëls thuis

Achter de demarkatielijn



Ook werden we geplaagd door verschillende ziekten, zoals diaree, malaria en ringworm. Ringworm, een schimmelinfectie, vlak onder de huid kleine (k)ringetjes, kon nogal hardnekkig zijn. We werden eerst ingesmeerd met steeds verschillende soorten smeersels, uiteindelijk met salicylzuur, dat erg brandde, vandaar de naam salicyldans. Zelf kreeg ik ook malaria-tertsiana, driedaagse koorts, daarna geelzucht. Na een paar weken hospitaal was dit ook weer achter de rug.

We hadden verder een goed leven in Batavia. In het kamp waren ook jonge jongens, wezen, maar ook kinderen van de baboe´s, die voor de kost en inwoning allerlei klusjes deden, maar ook naar school werden gestuurd. Ook de wagens werden door hen bij de kali (rivier) gewassen. Vergeleken met de andere zwerfkinderen hadden zij een goed verzorgd leven.

djongossen

wagen wassen


Toen we later naar Bandoeng werden overgeplaatst vonden die jongens het een ramp dat zij niet mee mochten.


Onder de soldaten was een goede sfeer. Er zijn natuurlijk altijd wel uitzonderingen. Einzelgängers, zoals wij ook een op de kamer hadden, streng katholiek, een dagboek bijhield, niet dronk, niet danste, totdat hij steeds naar de dokter moest en bleek, dat hij wat ´opgelopen´ had. We hebben in zijn dagboek gekeken of dát er ook in stond, maar nee, dus hebben wij het voor hem ingevuld. Hij was woest en heeft het bij de commandant aangegeven, zodat wij op rapport moesten komen en een strenge reprimande kregen wegens schending van zijn privacy.

De A-A-T-ers voelden zich als chauffeurs geen soldaten, maar meer als ´zelfstandigen´, je kreeg je opdrachten en die voerde je al dan niet alleen uit. Iedereen wist wel wat bij te verdienen. Ongedisciplineerd, maar wel plichtsgetrouw; het ´zigeunercorps´ werd het wel genoemd. De omzet in de kantine was dan ook tweemaal zoveel als het totale ´zakgeld´ dat werd uitbetaald. Er werd dan ook gezongen:

               

Wij zijn jongens één bonk schorem
Wij laten de moed niet zakken
Wij hebben van de week zo´n belazerde week
Want de jongens van de AAT verdienen weer geen steek
Van je hela, van je hola
Wij zijn de jongens van AAT.


Ook kregen we af en toe schietoefeningen, die moesten ook worden bijgehouden  en die werden weer afgewisseld met een dagje zwemmen.


schietbaan achter vliegveld Kemajoran

op een bunker

'Zandvoort' Priok met Kees en Geurt


Discriminatie was onder de bevolkingsgroepen volop aanwezig. Blanken t.o.v. van Indische (gemengd, blank met inheems, die de Nederlandse Nationaliteit bezitten), de verschillende inheemse rassen t.o.v. elkaar en zelfs toen mijn kameraad en ik voorbij een villa liepen, waarvoor een paar Hollandse meisjes stonden en wij ze groeten, spuugden ze voor ons op de grond, waarop ik zei: ´als we nog eens hier heen gaan weet ik tegen wie we moeten vechten´.


Een Indische familie , waar ik wel eens koffie ging drinken, vertelde dat de Indische ingenieurs o.a.bij de Spoorwegen ook altijd bij blanken collega´s werden achtergesteld in salaris en functies. Als er een vacature voor een functie als chef was, werd er een vriendje van de leiding uit Holland gehaald. Zo kreeg ik door die informaties meer inzicht in de maatschappij, zoals die hier in elkaar steekt. Ook kreeg ik meer begrip voor de inheemse bevolking, waar ik ook, voorzover ze Nederlands spraken, een goed contact had, dat zij naar zelfstandigheid streefden en wij hier eigenlijk niet thuis hoorden.


Maar de politiek ging ook verder. Er kwamen steeds meer geruchten over militaire acties. Men noemde, die politioneel, want volgens de politiek mocht je het geen oorlog noemen.


Nederland kon de financiële lasten van het leger niet meer dragen, dus besloot men tóch tot actie over te gaan, ondanks het verzet van de Verenigde Naties, om economische posten te bezetten. In eerste instantie moesten natuurlijk de regeringscentra van de Republiek geëlimineerd worden en dan de gebieden bezetten, waar zich fabrieken, rijstvelden en plantages bevonden. Men noemde het een operatie tot herstel van orde en veiligheid met de naam: ´Product´, maar het ging natuurlijk om geld.

Het gonsde al een poosje van geruchten, dat er iets stond te gebeuren. We moesten ons paraat houden. Ieder moest zijn vervoermiddel controleren en startklaar houden. Tot op maandag 21 juli 1947 in Batavia in de vroege ochtenduren de TNI-kantoren, stations en overige belangrijke gebouwen werden bezet. Operatie: Product´ was begonnen. De actie duurde tot 5 augustus 1947. Zelf heb ik met officieren, die controles verrichten, gereden, ook medicijnen naar het gevechtsgebied gebracht, maar ik kon dan gelijk weer terug, dus veel gevaar was daar niet bij. Het is het voordeel bij de Staf van de Compagnie te zijn ingedeeld. (Voor conferenties en akkoorden, zie: www.dekolonisatie.com/trilogie/politiek/conferenties.htm )


De actie werd op last van de Verenigde Naties beëindigd. Op het Amerikaanse schip ´Renville´ werd een overeenkomst gesloten met de Republiek dat Nederland de gebieden die tijdens de Politionele Actie waren veroverd mochten behouden. We moesten wel stoppen met verdere acties ( Het akkoord van Renville).


Na de actie werden we overgeplaatst naar Bandoeng. De stafofficieren en hun chauffeurs, koks en bedienend personeel werden gehuisvest in een grote villa aan de Dagoweg. Bandung was een mooie stad met veel groen, een sub-tropisch klimaat dus niet zo heet als in Batavia. We sliepen dus weer met dekens. Er was een drukke winkelstraat De Braga en restaurants in allerlei klassen en mooie bioscopen. Ik moest o.a. foerageren voor de Staf met de kok David Nieuwenbroek, die wist wat er nodig was.

Ook moest ik s-avonds busdienst rijden voor de officieren. Om acht uur naar de stad brengen en s´nachts volgens afspraak terugbrengen. Tussendoor ging ik met David ook gewoon op stap. Of je gedronken had was geen probleem.

Met de staf, behalve de officieren, gingen we ook op safari de rimboe in, dan zag je familie´s apen in de bomen of de weg oversteken. Ook liepen we onder een waterval door wat enerverend was.

Doordat ik er nogal wat bijverdiende en met David nogal veel uit kon gaan, was een sergeant zo jaloers, dat hij mij probeerde te pakken. Toen ik mij een keer in de douchekamer van de officieren aan het wassen was, omdat onze douche het niet deed, maakte hij rapport op. We kregen hoogoplopende ruzie en hij sprak van insubordinatie.

Het gevolg was, dat ik overgeplaatst werd naar het Stafpeloton van de 4e compagnie A.A.T. in Tjimahi, een grote legerplaats vlakbij Bandoeng, dus weg uit de mooie villa. Het was een kamp met allemaal los staande huisjes, waar je met z´n tweeën of drieën een kamertje had. Mijn slaapje was Bobby Bamberg. Ik had het best naar mijn zin in Tjimahi en we konden het goed samen vinden. Hij hield postduiven en ik ging kippen en konijnen houden.


Ook de humor onder soldaten was niet afwezig, zoals we bij Geurt, die nogal preuts was en maagd, toen hij diep lag te slapen een naakt ´meisje van plezier´ bij hem onder de deken hadden gestopt. Het was een filmscéne waard geweest als je gezien had hoe hij, toen hij wakker werd, bevend en overstuur uit bed sprong en naar buiten rende en wel tienmaal ´verdikkeme´ uitschreeuwde, want vloeken mocht hij niet.

Ook werd bij een ´vast´slaper zijn piemel met zwarte schoensmeer ingesmeerd en wij aan tafel zittende, toen hij wakker werd, hard pratende, dat er een nieuwe geslachtsziekte was ontdekt: de zwarte ´goena-goena´. Maar na de eerste schrik wist hij de douche snel te vinden.

Met een borrel op zijn we ook eens naar een bordeel gegaan en de Chinese eigenaar verteld, dat de zaak gecontroleerd moest worden. Alle dames moesten voor de keuring naakt op bed  gaan liggen.. Één van ons trad op als ´Hern Kütinspector´  en met een officiersstokje bekeek hij de dames. Maar de eigenaar vertrouwde het niet en waarschuwde de MP, wat één van ons opving. Net op tijd konden we met de wagen vluchten.


Ook moest ik wel water halen met een aanhanger en bij Tjimahi moest ik dan een sterke bocht maken waar een inheemse verkeersagent stond met een draaibord, dan liet ik het deksel er af en als ik dan snel de bocht nam kreeg hij een zware douche en was kletsnat. Maar de volgende  keren zag hij mij aankomen en zette hij het bord op Stop en liet mij expres wachten. Hij zag de humor er gelukkig wel van in. Hij was met zijn bord toch de baas!

Dagelijks kregen we opdrachten, die op je bed werden gelegd en die voerde je dan zelfstandig uit



Het was natuurlijk niet altijd plezier. Ik moest bijvoorbeeld in december kerstpakketjes naar een RVA-afdeling ergens in de rimboe brengen. Geen idee hoe ik kon vinden waar dat was, maar ik kreeg een koloniaal, Sgt.Jorna (een Limburger), mee, die zelden nuchter was, maar wel de weg wist. Door bergpassen heen, waar het link was, want daar waren strijders van de Darul Islam actief, die voor een fundamentalistische staat vochten, dus los van de Republikeinse Siliwangi Divisie.We hoorden wel schieten, maar je kan in de bergen geen kant uit en niet anders dan doorrijden. Stoppen betekende wel je einde! Zoals ik hiervoren opmerkte zwierven die bendes, pemoeda’s, door het land, die tijdens de Bersiapperiode een schrikbewind voerden. Het zijn deze praktijken van die ‘vrijheidsstrijders’ (het onthoofden en het afkappen van ledematen en geslachtsdelen) wat zij ook bij onze soldaten, je kameraden, deden, waardoor onze soldaten soms ook over de schreef gingen. Zij hadden daar voortdurend bij het bewaken van de grenzen ( de demarkatielijn), dus ook buiten de grote militaire akties mee temaken.

Wij, die in de stad of grote legerplaats waren gelegerd, hadden ten opzichte van hen een bevoorrechte positie.

Toen we in het kampje in de rimboe aankwamen werden we hartelijk verwelkomd. Die jongens waren niet te benijden. Alleen maar patrouille lopen in die wildernis en zij hadden al verschillende jongens verloren. Er was gemeld, dat er twee wagens  onderweg beschoten waren. Dus hadden wij geluk gehad. De andere dag moesten we weer terug en zijn gelukkig veilig en wel thuisgekomen. Ik besefte wel hoe goed ik het had in Tjimahi.

Ook moest je uitkijken voor de landverrader Poncke Princen, die in september 1948 overgelopen was naar het Republikeinse leger en er niet voor terug deinsde z´n oude kameraden uit de weg te ruimen. Het volgend opsporingsbericht was gepubliceerd:


Princen, J., soldaat, legernummer 251121085, ingedeeld Staf Compagnie 2de Infanterie Brigade Groep te Poerwakarta.

Princen is op zaterdag 25 september 1948 met verlof vertrokken naar Soekaboemi; op maandag 27 september zou hij naar Tjimahi gaan, teneinde vandaar naar zijn onderdeel te worden vervoerd; hij werd daar evenwel niet aangetroffen en is tot op heden niet bij zijn onderdeel teruggekeerd.

Bijzonderheden:

Is vlot in zijn optreden, verstandelijk goed ontwikkeld, spreekt vloeiend Maleis en Soendanees


De Compagnie 4-1-AAT had ook een bekend voetbalteam op West- Java. Als er gevoetbald werd ging de hele compagnie naar de wedstrijden. In het team zat ook Hannie Tolmeier van ´Blauw Wit´ uit Amsterdam, waar men trots op was.


voetbalteam 4-1-AAT

Voetbaltournooi West-Java


Er was altijd een geweldige sfeer in de hele Compagnie. We hadden ook een Compagniescommandant, die op een soepele, maar rechtvaardige wijze leiding gaf en met ons meeleefde.

Ook kregen we een enkele keer een 'gesproken brief ' uit Nederland toegezonden om ons 'een hart onder de riem te steken'. Het was een soort papieren gramafoonplaatje ter grootte van een singeltje. Je moest ze met een houten naald afspelen en meestal in gezelschap van de anderen in de kantine. Er werd dan ook weleens gelachen om onnozele mededelingen, maar er werd ook weleens een traantje weggepinkt. Als je hieronder klikt, dan hoor je de stem van mijn vader (juni 1948, het kraakt een beetje).

We waren in dienst opgeroepen met de verzekering, dat het niet langer dan twee jaren zou duren. Het was nu al meer dan twee en half jaar. Het is, dat we ook zo´n fijn peloton hadden, samen uitgaan, samen werken en op elkaar kunnen rekenen, dan hou je het wel uit. We gaan de derde Kerstmis tegemoet. Het deed me aan de oorlogstijd denken. De Duitse soldaten werden ook elk jaar beloofd met Kerstmis zijn jullie thuis. Met welk recht de regering dienstplichtigen langer dan de wettelijke termijn in dienst mochten houden is mij nooit duidelijk gemaakt. Maar men wilde tóch met de ´Operatie Kraai´ de zaak afronden en de machthebbers, zoals Sukarno in handen zien te krijgen. Men dacht als de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties met Kerstreces is kunnen wij de zaak afmaken. Maar die werd van kerstreces teruggeroepen. De actie was wel een succes. Men arresteerde de Republikeinse Regering. Met veel getouwtrek van onderhandelingen wist men tijd te rekken, maar in maart gaf de Nederlandse Regering toe en wilde een rondetafelconferentie.


Wij gingen ons steeds meer voorbereiden op de terugkeer. Ook begin je te denken en te filosoferen wat je wilde gaan doen in de burgermaatschappij. Ook besloop je nu meer en meer de angst om iets te overkomen vlak voor je terugkeer. Met Bob uit s´Heerenberg ( z´n achternaam ben ik kwijt) kreeg ik opdrachten naar gevaarlijke linie´s te rijden. We kregen er wel gevarengeld voor, maar na een poosje kregen we er wel genoeg van en wilde afgelost worden. Maar daar wilde de sergeant niets van horen en was voor geen rede vatbaar. Toen ben ik  rechtstreeks naar Divisiecommandant gegaan, de zaak uitgelegd en gevraagd om ontheffing. Toen ik terugkwam moest die sergeant bij hem komen. De uitslag was, dat wij niet meer hoefden.

We hoorden af en toe, dat er onderhandeld werd en dat wij alles aan de Republiek moesten overdragen, waarbij ik mij afvroeg waar zijn de jongens voor gesneuveld! In april/mei 1949 hoorden we, dat we in oktober aan de beurt waren om naar huis te gaan.

Het bleek nu inderdaad echt waar te zijn, dat we naar huis gingen. De gehele 7 December Divisie gaat inderdaad naar ruim drie jaar huiswaarts. In Bandoeng en Batavia werd in de Schouwburgen een groot afscheidsfeest aan de burgerij van beiden steden aangeboden. We werden naar Batavia overgeplaatst in afwachting op een boot, die beschikbaar was.

De wagens moesten overgedragen worden aan de Republiek. We kregen opdracht om de soldaten van de Siliwangidivisie, die onze vijanden waren geweest, rijles te geven. We kregen daar gevarengeld voor, omdat zij niet te vertrouwen waren. De voorbereiding ging geleidelijk z´n gang. We moesten weer ingeënt worden tegen de pokken anders mocht je de Engelse wateren niet door. Sommige principiële weigeraars tegen inentingen moesten achterblijven. Hoe het daar mee is gegaan heb ik nooit gehoord.

Er moest natuurlijk een foto worden gemaakt van de Staf van de Compagnie: commandant,officieren, onderofficieren en hun staf: ordonnances, chauffeurs, koks, foeragemeester voor we in Holland uit elkaar gingen.


Compangiestaf  4-1-AAT ´7 december´


Ook werd afscheid genomen van de bijna 500 gesneuvelde kameraden van de 7 December Divisie op het Ereveld Menteng Pulo te Batavia


overste Helms

Comp.commandant en Overste


Voor de ruim 6200 gesneuvelden militairen in Indië en Nw-Guinea is in Roermond op 7 september 1988 een Nationaal Indisch Monument 1945-1962 door Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard onthuld waar elk jaar op 7 september een herdenking plaatsvindt. Tot heden werd die herdenking door ongeveer 19.000 veteranen bijgewoond.

Van onze Compagnie 4-1-AAT zijn twee man achtergebleven: soldaat Bijl is gesneuveld (dood geschoten) en korporaal van der Weegen is met een verkeersongeluk omgekomen:

OORLOGSGRAVENSTICHTING
Opdat zij met eere mogen rusten




Achternaam

Bijl

   

Voornaam

Lambertus

Voorletters

L

Rang

Sld. 4-1 AAT. Div. Trp. 7 D D

   

Mil. Onderdeel

KL.

   

Geboorteplaats

Amsterdam

Geboortedatum

26-10-1925

Overlijdensplaats

Djatibarang

Overlijdensdatum

10-08-1947





Achternaam

Weegen

Tussenvoegsels

van der

Voornaam

Cornelis

Voorletters

C

Rang

Korp. O.V.W. 4-1 AAT Div. Trp. 7 DD

   

Mil. Onderdeel

KL.

   

Geboorteplaats

Steenbergen

Geboortedatum

22-01-1927

Overlijdensplaats

Batavia

Overlijdensdatum

17-11-1946





Begraafplaats

Nederlands ereveld Menteng Pulo

   

Gemeente

Jakarta

   

Land

Indonesië

   

Vak

IV

   






Ook werd het schip bekendgemaakt, waarop wij huiswaarts zouden keren. Het was de Waterman. Op 24 december 1949 (één dag voor de vierde Kerstmis) werden we ingescheept.

Op dinsdag 27 december 1949  vond de Soevereiniteitsoverdracht plaats aan de Republiek der Verenigende Staten van Indonesië en kwam er een eind aan 350 jaar Nederlandse overheersing.
Er zijn gedurende de periode 15 augustus 1945 tot 15 augustus 1949 aan beide zijden strafbare feiten gepleegd. Van de misdrijven die, welke duidelijk een uitvloeisel zijn van een politiek conflict is amnestie verleend. Zie: ordonnantie van 3 november 1949 deel 1 en deel 2.


ss. Waterman


Na een voorspoedige reis kwamen we op 15 januari 1950 in Rotterdam aan en werden we met bussen naar huis gebracht.



Na drie jaren en drie maanden ´gedropt´ in de Bothastraat 46 in Den Haag.


Mijn 'DIPLOMA'


Oproep aan de Koningin

De rede van Koningin Wilhelmina op 7 december 1942 (zie: de aanhef van mijn verhaal) was de basis tot het in leven roepen van de Expeditonaire Macht de 7 December Divisie. Deze divisie moest de opdracht, die in genoemde rede is vervat uitvoeren. Daartoe werd de eerste dienstpichtige lichting van het geboortejaar 1925 ná de bevrijding (1945) opgeroepen. Naast beroepsmilitairen, vrijwilligers werden nog een paar dienstplichtige lichtingen naar Indië uitgezonden (totaal 120.000 man). Tijdens deze uitzendingen tot en met de overdracht van Ned. Nieuw Guinea hebben 6.224 militairen daar het leven verloren méér dan de Kon.Marine (2900) en de Kon. Landmacht (2300) tezamen in de Tweede Wereldoorlog.

Het zou de Koningin sieren, als zij op 7 september op de herdenking in Roermond aanwezig zou zijn, ook zou dat een erkenning zijn van de ideële inhoud van de rede van haar grootmoeder Wilhelmina op 7 december 1942, ook al is die door omstandigheden niet verwezenlijkt. Vooral zal dit een erkenning zijn voor de gesneuvelde militairen en hun nabestaanden, alsmede voor de veteranen, die nú nog leven.

Zie ook: Bob Smalhout.

Zie ook: Toespraak Minister van Defensie H.Kamp 6 september 2003

Zie ook: Een bijzonder congres in Jakarta.

Zie ook Het interview in het Historisch Nieuwsblad.




Zie ook Het verhaal van een Hellevoeter