panorama

Uit:PANORAMA,no.44, 1 november 1958, door Bob van Dijk.

Dit is het verhaal van een vestingstadje, dat stierf, weer flauw tot leven werd gewekt en straks groter dan ooit zal herrijzen.

Dit zijn de bladzijden, die niet in de schoolboekjes staan.

Dit zijn de bladzijden, die in de schoolboekjes ontbreken. De feiten over een stadje aan het Haringvliet, die u nergens anders kunt vinden dan binnen de wallen van dat stadje zélf. Het is rijk aan historie en het heeft een sierlijk schip in zijn wapen: een gouden bark, voortploegend over zilveren baren. Maar aan de kade, die ééns zo vol lag met kloeke viermasters als deze, is het sinds een kwarteeuw opmerkelijk stil.

Van de bastions, die zich rondom verheffen, wapperen geen vlaggen. Er staan geen soldaten of matrozen op wacht. Er is alleen een lege muziektent en een eenzame visboer, die  zich de moeite getroost bij zijn kraam met rolmopsen, zure bommen en patatten te posten. Hij staat met zijn rug naar de haven, die verwaasloosd en oud is en van dag tot dag erger verzandt. Twee rondvaartbootjes liggen tevergeefs op belangstellenden voor de Deltawerken te wachten.

Er is iets vreemds aan dit plaatsje. Het leeft niet heel, het leeft half. Het schijnt te doezelen, ondanks zijn nieuwbouw, zijn scheepswerf, zijn meubel -, draadwaren- en handschoenenfabriek. Ondanks de Deltawerken, een eind verderop. Het doezelt, omdat het zijn oorspronkelijk bestaansrecht heeft verloren. Men kan een kar van mooie wielen voorzien en nieuwe wijzers op een klok monteren. Maar wat is een klok zonder veer en een kar zonder paard? Wat een bolwerk aan zee zonder de aanwezigheid van de marine?

Drie eeuwen heeft deze gemeente de zeemacht binnen haar wallen gehuisvest. Zij was  de belangrijkste oorlogshaven van het land en draagt daarvan nog altijd de sporen. Maar de forten staan leeg. De gebouwen, die aan roemrijke tijden herinneren, zijn oud en vervallen. De middenstand kwijnt en er is maar één dokter, één lagere school, één ulo, één spaarbank (op wielen) en één hotel met een uiterste capaciteit van dertien bedden.

Hoe anders is alles geweest. Vroeger logeerden hier admiraals en buitenlandse princessen, die uitgehuwelijkt werden aan Hollandse prinsen. Vroeger kon men hier een koning op doortocht naar Engeland zien. George II was een geregelde gast, die er zijn gewoonte van maakte in dit oord zijn eieren te kopen. Op een dag bedong een pittig deerntje met een mand aan haar arm een schrikbarende prijs. Waarop de vorst veronderstelde : “De eieren moeten hier wel schaars zijn geworden.” Maar het meisje antwoordde luchtig: “Niet de eieren zijn schaars, de koningen zijn het.”


De ´voet´ van de Hel

Dat was omstreeks 1750.De glorieuze historie van het stadje gaat nog veel verder terug. Aan het Haringvliet, waar lang geleden de Weerschors werd weggeslagen, moet in de Romeinse tijd al een burcht hebben gestaan. Die heette Helinium, net als toentertijd het aangrenzende water. De volksmond verkortte de naam tot Hel, waar het danig kon spoken, bouwde men omstreeks 1395 de eerste uitwateringssluizen.

Kunt u dit van de schoolbanken herinneren? Nee? U mag drie keer raden hoe het gehucht, ontstaan rond de sluiswachterswoning, heette. Juist het was Hellevoetsluis. Een onaanzienlijke verzameling houten huisjes in een polder van gorzen, die in 1475 door Karel de Stoute werd uitgegeven ter bedijking. Het haventje bestond toen vermoedelijk reeds. Er bivakkeerden voornamelijk vissers.

Aan de andere kant van het deltaeiland lag Brielle. Een machtige stad, die de gestage groei van het gunstig voor de scheepvaart gelegen plaatsje niet best kon verkroppen. Te meer daar  haar eigen haven verzandde. Daarom besloten de stadsbestuurders in 1500 een vaart naar Hellevoetsluis te doen graven. Maar het plan werd niet ten uitvoer gebracht, omdat er geen geld was. De Briellenaren bleven dus door afgunst gekweld en ze briesten bepaald toen in 1588 het eerste oorlogsschip in Hellevoetsluis was binnengelopen.

Het gehucht aan het Haringvliet verheugde zich steeds meer in een uitstekende wasdom. In 1598 besloten de Staten van Holland tot de aanleg van een havenhoofd over te gaan om de schepen tegen storm en golfslag te beschermen.

Er volgden voorzieningen voor dammen en kaden en door de dorpelingen zelf werd naar ´een groote uitbreyding´ gestreefd. Maar Brielle zette hun de voet dwars en verhinderde de aankoop van erven. Toen bouwde Hellevoetsluis clandestien. Het staat wel vast, dat u in de schoolboekjes nooit iets over dit opmerkelijke precedent in de bouwvakken hebt gelezen.

Nadat de vernieuwing van de haven voltooid was, werden de landssluizen gegraven. De Staten zorgden nu ook voor de vestiging van een rijksscheepstimmerwerf en een admiraliteitsmagazijn.

De Collegiën van de Admiraliteyten van het Suyder- als Noorderquartier waren namelijk van oordeel, dat het gewenst was alle haere Oorlogschepen voortsaen op Hellevoetsche Sluys te doen hebben haere loopplaetse, omme alle reparatiën aan voors. schepen aldaer te doen doen.

Daarmee begonnen de drie eeuwen glorieuze historie. Tast in uw geheugen en u zult u van alles over Piet Heyn, Tromp en De Ruyter herinneren. Ruig en wakker doemen ze voor u op in de kruitdamp. Mannen van robuuste gestalte met vierkante kaken. Granieten symbolen van moed en onverzettelijkheid. Zo werden ze door uw onderwijzer geschetst en zo zag u ze staan op de wandplaten.

U gloeide van opwinding bij de verhalen: de Zilvervloot, de slag op de rede van Duins, de triomftocht naar Chatham.

Maar van waaruit opereerden hun gevechtsklare schepen? Waar werden hun stoutmoedigste plannen gesmeed? Waar lag het onuitputtelijk arsenaal, dat wereldmachten deed ineenkrimpen van schrik en ontzetting? Waar schuimde het bier na roemruchte overwinningen? En waar waren de Hollandse meisjes van nature het gulst met hun kussen?


De haven des roems

Nee, in de schoolboekjes zult u het wederom niet vinden. Ze vermelden veel van die grootse historie. Maar de feiten over Hellevoetsluis, de haven des roems, zonder welke Nederland misschien nooit Nederland zou zijn geworden, geven ze niet. Die vindt u slechts tussen de grimmige wallen aan het Haringvliet en u kunt ze nu op deze bladzijden lezen.

In dat plaatsje met zijn poortwachterswoning en zijn korenmolen, die al lang niet meer draait, arriveerde op zekere dag in 1625 de Admiraliteit van den Maze.

Dat was de krachtige vuist van een strijdbare natie. En dat bléék. Want welke zeeheld mocht het volk van Hellevoetsluis begroeten? De held van Matanzas - zijn naam is klein, zijn daden benne groot. Hij voerde appeltjes van oranje en zo´n vijftien miljoen gulden aan Spaanse matten het Haringvliet binnen.

korenmolen

poortwachterswoning

korenmolen

poortwachterswoning

Later liepen in dit inmiddels tot fort verheven Hellevoetsluis de mensen te hoop om Maarten Harpertzoons janmaten een schouderklop en een oorlam te geven. Weer later zagen ze Neerlands bestevaer in fluweel met brocaat. En niemand kon meer een knaap met een blauwgeruite kiel in hem herkennen. Hij was een admiraal zonder weerga, die met een achteloos gebaar het Engelse vlaggeschip Royal Charles als krijgsbuit naar de thuishaven dirigeerde. Het heeft er acht jaar gelegen. Niet ver van de meerplaats leidt nu een man met rolmopsen, zure bommen en patatten geen al te weelderig bestaan.

Ook dit komt u niet in de schoolboekjes tegen. U zult ze tevergeefs opslaan, wanneer u wilt weten waar stadhouder Willem III scheep ging om zich in Engeland tot koning te laten kronen, Toch was het vertrek een gebeurtenis van formaat.Op het Haringvliet dobberden, keurig in carré zeshonderd schepen. Infanterie en cavalerie traden aan voor de oversteek, terwijl matrozen bezig waren sloepen met koffers naar de vloot toe te roeien.

willem3

Willem III vertrekt van Hellevoetsluis

Men zal u bij de verzande haven anno 1958 een klein, witgepleisterd gebouw kunnen wijzen : het raadhuis ook wel Prinsehuis genaamd. Eéns was dit het logement van de admiraliteitsheren. Het werd door Pieter Post neergezet en er hebben heel wat hooggeplaatsten geslapen. Zo ook de stadhouder-koning in de nacht van 10 op 11 november 1688 vóór zijn Engelse reis. Met zijn gemalin Mary Stuart nam hij bezit van de vertrekken, waar tegenwoordig paartjes worden getrouwd. Waar zeven raadsleden zich op kunstleren stoeltjes in de problemen van een ondeugdelijke riolering verdiepen.

prinsehuis

prinsehuis

Dezelfde vertrekken waren in 1748 het toneel van een afgrijselijke opwinding. Er klonken gejaagde bevelen. Aan de weg, die momenteel Opzoomerlaan heet, werden soldaten en matrozen uit hun barakken getrommeld. Noodtoestand! In ijltempo sleepte men de kanonnen op de wallen.Twaalfponders kwamen op het havenhoofd te staan. Er heerste een ontzettende paniek in de vesting. Om het met de woorden van een kroniekschrijver uit die dagen te zeggen: Met de uyterste benauwtheyd hoorde men schreyen langs de straten.

Er was een Franse invasievloot in aantocht, zei men. Veertig á vijftig oorlogsschepen waren bij De Hey voor anker gegaan om zich voor een aanval op Hellevoetsluis voor te bereiden. Men wachtte nerveus: in de kelders, in de acht bastions en achter zevenennegentig zeer zware stukken. Maar de dag ging voorbij zonder dat er iets voorviel. Er volgden er nog negen dagen en de Franssen waren nog steeds niet present.Toen besloot men het gerucht maar niet langer te geloven.

Maar de Fransen kwamen tóch, zij het zevenenveertig jaar later. Onder generaal Dumouriz rukten ze de vesting binnen en plantten een vrijheidsboom op de paradeplaats. Men danste broederlijk in de rondte, maar het brave stadsbestuur werd ontslagen. Aan de glorie van de Verenigde Nederlanden was een einde gekomen. Onder de misleidende leus vrijheid, gelijkheid en broederschap werd de Bataafse Republiek ingeluid.

Napoleon, die intussen aldoor vaster in het zadel was komen te zitten, had nogal rampzalige dingen voor met Hellevoetsluis. Hij wilde de vesting opdoeken en haar dertigtal kilometers naar het noorden verplaatsen. Gelukkig gingen de plannen niet door wegens gebrek aan contanten. Hellevoetsluis bleef dus waar het was en kon zodoende een actief aandeel leveren in het steeds heviger wordende verzet tegen de overheersing. De bevelen van de Franse vlootvoogd Halgan werden systematisch gesaboteerd. Soms waagde men het hem openlijk te honen.

Tot groot plezier van de burgerij droste op 30 november 1813 het korvet Lynx met de commandant en volledige bemanning. De dag daarop bleek er een kannonneerboot te zijn verdwenen. Wéér schaterde de bevolking het uit. Ze vaardigde tweeëntwintig ingezetenen af om het bevrijdings- committé van Van Hogendorp hulp te verlenen. Maar de Franssen stuurden duizend mariniers voor een strafexpeditie. Het haalde niets uit. Aan de poort werden de heren met geweervuur ontvangen.


Opzienbare primeurs

Toen Nederland onder Oranje een koninkrijk werd, begon de vesting aan het Haringvliet nieuwe roem te vergaren. Achter de haven werd het eerste vaste tweelingdroogdok ter wereld gebouwd. Een schepping van waterbouwkundige Jan Blanken Jzn., welke bij de tegenwoordige partikuliere werf nog steeds in gebruik is. Blanken moet een genie op zijn gebied zijn geweest. Hij ontwierp ook de toldeuren in de haven, die enige jaren geleden naar de eisen des tijds werden vernieuwd, nadat een ingenieursbureau lange tijd gezwoegd had om de juiste formule te vinden. Maar toevallig bleek de formule van Blanken vrijwel gelijk.

droogdok

het droogdok

Eigenlijk was het stadje aan het Haringvliet zijn tijd ver vooruit. In het bij het marinedok behorende pomphuis verdrongen onze voorvaderen zich rond de eerste Nederlandse stoommachine. Het eerste schip, dat stomend de oceaan overstak – de raderboot Curacao, die in zesentwintig dagen naar  Willemstad voer – was ook een primeur van Hellevoetsluis.

De burgers maakten voorts kennis met de eerste torpedo´s en de eerste torpedojagers van de marine. Dat was een feest! Wanneer de vaartuigen van oefeningen terugkwamen, hadden de jantjes het zo druk, dat de dienstbode van de commandant de wimpel moest strijken.

Niets van dat alles leerde u op school. Er wordt met geen woord over gerept in die boekjes en de jeugd van nu hoeft bij de aardrijkskundeles de naam Hellevoetsluis zelfs niet eens te kennen. Het leerplan houdt rekening met het bestaan van Rottumeroog, de Lemelerberg, de Dieze en Vlodrop. Niet met dat merkwaardige oord op Voorne-Putten, dat doezelt tussen zijn wallen en hier en daar al een beetje is gemummificeerd.

Over de vestingplaats, die ééns de stille getuige was van zoveel militaire successen en vooruitstrevendheid, heeft zich een triest lot voltrokken. De aftakeling was een langzaam niet te stuiten proces. Midden in de vorige eeuw baadde het stadje nog volop in weelde en roem, doordat het bij het totstandkomen van het Voornsche Kanaal dé voorhaven van Rotterdam was geworden. Van Hellevoetsluis vertrokken de pakketboten naar Engeland. In Hellevoetsluis defileerde de trotse marine. In Hellevoetsluis werden jaarlijks zo´n vierduizend vrachtschepen ingeklaard.

Maar toen ging men de Nieuwe Waterweg graven. In 1871 kwam hij klaar en de gevolgen waren te merken. Nu werd de haven nog maar door honderd á tweehonderd koopvaardijschepen per jaar aangedaan. De welstand daalde, maar niettemin bleef Hellevoetsluis de onvervangbare veste van de marine.

Op de paradeplaats klikten de laarzen. Er klonk opgewekt gezang van het drijvende logies, het oude pantserramschip De Buffel, waar ´s ochtends gort, ´s middags snert en ´s avonds grutten werden gegeten. Er was rumoer in de Vlooienhoek, het rosse havenkwartier. En de meisjes van goeden huize trouwden nog altijd met knappe officieren of lonkten hoopvol naar de stropies – vlotte jongemannen in zware lakense uniformen, die de plaatselijke machinistenschool bezochten.

Als een onheilspellend voorteken brandde in 1909 de marinekantine af. Men zag het niet als zodanig. Men richtte onbezorgd een voetbalclub op en gaf vrolijke tuinfeesten. Er kwam een gastelftal spelen, bestaande uit negers, die door de toenmalige burgemeester serieus werden toegesproken in het Engels. Maar het waren doodgewone jongens uit Vlaardingen, die zich hadden laten behandelen door een vakkundige grimeur.

De dreigende voortekenen namen toe. Tegen het eind van de feestelijkheden ging een ballon, bemand door aëronaut van Pottum, op in vlammen. s´Nachts brandde de stoomcaroussel af. Plotseling begon men zich te realiseren, dat Hellevoetsluis niet alleen voor het geluk was bestemd. En dat was ook niet zo. Want in Den Haag hadden gewichtige heren de hoofden tezamen gestoken. Tijdens een ernstige bespreking werd over het lot van het bolwerk beslist.


Onafwendbaar drama

In de jaren twintig zette de eerste akte in van het onafwendbare drama.

De marine bereidde haar vertrek voor. De machinistenschool werd overgplaatst. Het loodswezen pakte zijn biezen. De rijksdiensten verhuisden. De middenstand klaagde. En de meisjes van Hellevoetsluis schreiden bittere tranen.

Het treurspel naderde zijn trieste ontknoping. Het laatste bedrijf, dat zich uitstrekte over enkele jaren, besloot met de opheffing van de rijkswerf. Weldra lag het stadje op sterven.

In 1934 was het stadje zo goed als dood en de desbetreffende kantonrechter wijdde hele dagen aan het uitspreken van faillissementen. Tot ver in het buitenland raakten journalisten ontroerd. Ze schreven aangrijpende reportages, waarin men kon lezen, dat in Hellevoetsluis huizen voor vijftig gulden werden verkocht. Een school, die tien jaar oud was, deed zeshonderd gulden.

Binnen de wallen begon het verval. Er woekerde gras tussen de stenen. Had Hellevoetsluis in zijn goede dagen ruim vijfduizend inwoners geteld, er waren er nu nog maar twaalfhonderd overgebleven. Om de onderbevolking tegen te gaan stelde men huizen voor joodse uitgewekenen uit Oostenrijk ter beschikking. De vluchtelingen vestigden zich dankbaar, heropenden de synagoge, stichtten een tapijtfabriekje en begonnen te werken. Toen kwam de oorlog.

Ditmaal sloeg het lot nog venijniger toe. Hellevoetsluis kreeg een genadeklap, want Voorne Putten werd in Hitlers Westwal betrokken. Dat betekende, dat de huizen aan de westzijde van de havenkant moesten worden gesloopt. Er bleven er slechts een paar staan en tot dit schamel restant behoorde de aftandse korenmolen, die in 1810 (moet 1801 zijn WB) door de genie was gebouwd.

havenkant

Westzijde van de havenkant

Na de bevrijding had de verminkte vesting nog maar zevenhonderd bewoners. Het ernstige gehavende plaatsje behoorde tot de vijfenzeventig zwaarst getroffen gemeenten van het land. Omdat men aannam, dat het nu morsdood was, gingen er stemmen op om Hellevoetsluis voorgoed te begraven. Wat moest men met een hoop puin? Maar het gemeentebestuur verzette zich tegen deze onterende gedachte en betoogde, dat de plaats met een beetje goede wil toch nog wel enige levensvatbaarheid bezat. Men kon tenminste proberen er nog iets van te maken.

Burgemeester jhr.T.A.J.van Eysinga kreeg dit hachelijke experiment uit te voeren. Hij huiverde, toen hij de patiënt voor zich zag. Hellevoetsluis leek op een spookdorp uit griezelromans: een duister havengat met twee, drie grauw-holle straten. Er zwierven broodmagere katten in rond en er woonden sombere, zwijgzame mensen. Maar de burgemeester deed wat hij kon. Hij vestigde zijn hoop op de planologische dienst van Zuid-Holland en vatte moed, toen hij kennis nam van de rapporten. Daarin stond, dat herbouw zin had op uitdrukkelijke voorwaarde, dat er op economisch gebied positieve leiding zou worden gegeven.

Als oud-marineofficier verlangde jhr. van Eysinga innig naar herstel van de band met de zeemacht. Maar dat ging niet. Toen poogde hij industrie aan te trekken en dat lukte. De oude dokken werden door een Groningse scheepsbouwer gekocht. Er verrezen nieuwe huizen en er werden nieuwe plannen gemaakt. Het begon ergens op te lijken.

Op herhaaldelijk aandringen van een provinciaal inspecteur besloot men nu ook orde op het gemeentearchief te gaan stellen. Het bevond zich op een gammele zolder,waar ratten rondliepen. Men bracht de historische documenten naar de hechte kelder van het Prinsehuis. Ze lagen daar koud twee maanden, toen springtij en storm tot de noodlottige watersnoodramp leidden. Als een bak liep de vesting vol. De archiefstukken dreven. De schipdeur van de pas heropende werf werd losgerukt en achter in de dokken gesmeten. Vijf personen vonden in de kokende golven de dood.

Hellevoetsluis herstelde zich moeizaam. Gestaag bouwde men verder aan huizen en in de school werd een steen aangebracht, waarop men kon zien hoe hoog het water in die noodlottige februarinacht was gestegen.

Op de particuliere werf waren de klinknagelrevolvers weer begonnen te ratelen. Men werkte aan coasters en riviertankers; aan hekwielers voor Brazilië; aan sleepboten voor Portugal. Men werkte ook aan twee vaartuigen voor ......... de Nederlandse marine.


Ommekeer

Maar de marine zelf bleef in Den Helder. Zij had geen interesse in een naar zijn oude bestaansrecht hunkerend plaatsje. Hellevoetsluis moest maar zien hoe het zich redde met zijn bescheiden industrie en het Deltaplan, dat als eerste programmapunt de afsluiting van het Haringvliet beoogde. Er arriveerde een klein leger dijkwerkers. En er kwamen twee rondvaartbootjes van de Zuiderzeewerken over om de belangstellende toeristen naar de werkput te varen. Er stond aan de haven een zure-bommenkraam en een muziektent.

Ze staan er nóg en het is opmerkelijk stil. Het lijkt of Hellevoetsluis doezelt.

Het mijmert over een schone illusie. Een droombeeld, dat jaren een drogbeeld scheen, maar nu tóch werkelijkheid gaat worden. Want de marine heeft zich bedacht. De marine komt terug. Zij zal vóór december vijftien mijnenvegers naar de oude vestingplaats brengen. Tien voor conservatie en vijf voor operationele doeleinden. Wanneer het Deltaplan is verwezenlijkt zal de zaak opnieuw worden bekeken. Maar ook dan blijft er hoop, want er komt een sluis in de dam.

Dit waren de bladzijden, die in de schoolboekjes ontbreken. De feiten die niet op het lesrooster staan. Het leerplan houdt rekening met Rottumeroog, de Lemelerberg, de Dieze en Vlodrop.Niet met Hellevoetsluis, maar dat zal wel weer komen. Want afgezien van de terugkeer van de marine ligt er bij de regering een wetsvoorstel tot samensmelting van Nieuw-Helvoet, Nieuwenhoorn en de veste aan het Haringvliet op tafel. Daardoor zal er een grote gemeente Hellevoetsluis ontstaan. Een stad, die in de toekomst door verdere economische ontwikkeling kan uitgroeien tot een metropolis met driehonderdduizend zielen.


Overgenomen met toestemming van de redactie van Panorama.


<--