Op 8 maart 1421 kocht Henrik, zoon van Andries Mentzen, een
huis aan de haven in Den Bosch. Men sprak in die tijd van de straat "voorbij de
Visbrug" of van Achter de Mandemakers; tegenwoordig heet het daar Breede
Haven.
De koopacte van dit huis vormt het oudste levensteken van de familie
Desmense. Er zijn geen oudere actes bewaard gebleven, hetzij van (ver)koop,
hetzij stadsrekeningen, die bijv. Andries Mentzen als viskoper of visser zouden
kunnen identificeren. Daarom is het mogelijk, dat de familie zich in 1421,
komend van buiten de stad, in Den Bosch heeft gevestigd.
Henrik was getrouwd
met Geertruid, dochter van Jan Kroedewagen. De naam Kroedewagen (= kruiwagen)
komt in deze tijd regelmatig voor in Bossche documenten. Geertruid stierf in
1430. Samen met zijn zwagers, Gerrit en Henrik Kroedewagen, wikkelde Henrik
later de nalatenschap van zijn schoonouders af. Hij hertrouwde met Aleyd,
dochter van Gijsbert de Rademaker. Hun kinderen waren Andries, Aaf en Liesbeth.
Henrik stierf voor 1450. Zijn weduwe hertrouwde met Jan Andriessen Peters. Toen
zij rond 1460 stierf, nam deze Jan het huis over van zijn stiefkinderen. De
familienaam, Mentzen in de oudste acte, komt daarna voor als Mensen en
Meijnssen. In 1466 luidt hij Menten in de acte, die de koop door Andries
vastlegt van een erf van Gijsbert Elst. Kort daarna kocht Andries van Gijsbert
de helft van 3 kamers en in 1474 de andere helft; hij maakte van de 3 kamers 2
huizen.
Andries, die getrouwd was met Catharina van de Kerkhof, stierf rond
1490 en liet 7 kinderen achter: Wouter, Mathijs, Joost, Gijsbert, Heilwich,
Margareta en Johanna. In een acte uit 1516 worden zij, op Wouter na, samen met
hun moeder genoemd; de achternaam luidt dan Smensen.
Achter de Mandemakers
was een straat, waar menig viskoper woonde. De viskopers waren welgestelde
lieden. Den Bosch speelde tot ± 1600 een belangrijke rol als doorvoerhaven van
haring, o.a. naar Keulen. De Desmenses waren tot in de 17e eeuw, toen de klad
kwam in de Bossche vishandel, viskopers. In 1518 behoorden tot het
viskopers-gilde 22 mannen, waaronder Gijsbert en Joost Driessen.
Deze
Joost wordt in een acte van 1520 des Menschen genoemd. Hij was gehuwd met
Heilwich, dochter van Klaas Hendriks. Zij hadden 1 dochter, Hadewich, en 3
zonen, Andries, Klaas en Henrik. Joost stierf in het begin van de jaren 30 van
de 16e eeuw. Klaas, vermoedelijk de middelste zoon, werd rond 1520
geboren. Zijn broer Andries was ongeveer 5 jaar ouder. Diens nakomelingen zouden
meer de handel ingaan, vooral in de 17e eeuw, toen Jasper Desmense zich
vestigde in Londen en Artus Desmense in Antwerpen. Daar loopt hun
stamboomspoor (voorlopig?) dood. Godefridus Desmense deed zaken vanuit
Den Bosch; zijn handelsactiviteiten zijn vastgelegd in menige acte. Hij stierf
in Luik, had 1 dochter, maar geen mannelijke nakomelingen.
Klaas was viskoper
en visser. Uit de schepenprotocollen van 1593 blijkt, dat hij de visserij had
gepacht bij de Engelantse molen en de Muntel. Hij viste daar samen met zijn
zoons Hendrik en Arnd, later ook met zijn zoon Joost. In 1584 was Klaas deken
van het viskopersgilde. Met wie hij getrouwd was, is niet bekend. Behalve de al
genoemde zoons had hij nog 2 dochters. Hij stierf kort voor 1600. In de acten
waarin Klaas voorkomt, wordt nergens de familie-naam gebruikt, maar alleen het
patronymicum Joosten. Dat is bijv. het geval in 1563, toen hij als zoon van
Judocus Andriessen een huis kocht.
Hendrik was viskoper in een tijd
van neergang: de betekenis van Den Bosch als overslagplaats van vis, die bijv.
voor Keulen bestemd was, werd steeds geringer; dit gold met name de haring. In
1599 kocht Hendrik het huis genaamd In Sint Joost in Achter de Mandemakers. Kort
daarna verkocht hij het weer aan zijn broer Joost. In 1610 werd het ouderlijk
huis door Hendrik, Joost en hun zus Marijke verkocht aan hun broer Arnd;
waarschijnlijk was hun moeder toen overleden. In 1615 werd Hendrik, evenals de
andere huiseigenaren van het blok (dat is de wijk) van de Vismarkt wegens het
uitbaggeren van de Binnendieze aangeslagen voor een bedrag van 10 stuivers.
Hendrik was getrouwd met Aaltje van Tiel; zij stierf waarschijnlijk in 1637,
Hendrik rond 1625. Ze lieten 4 zoons na: Andries, Klaas, Jan en
Peter.
Andries verkocht in 1629 een cijns uit zijn huis op de Uilenburg aan
zijn broer Jan. Kort daarna loste hij deze lening van 16 gulden weer af;
de prins van Oranje had intussen het beleg voor Den Bosch geslagen, staat er in
de acte van 30 mei bij opgemerkt. De troepen van Frederik Hendrik waren op 30
april gearriveerd. Op 14 september zou de stad capituleren.
Jan woonde in
Achter de Mandemakers, in het huis genaamd De Sim. Hij werd wel "de jonge
viskoper" genoemd, omdat er nog een Jan Hendriks was, weliswaar geen Desmense,
maar ook deze generatie van de familie gebruikte blijkbaar de achternaam niet.
Jans vrouw was Cornelia, dochter van Tieleman Evertsen. Voor de uitoefening van
zijn bedrijf kocht Jan een huis in de Kruisstraat, genaamd Onder Onze Lieve
Vrouw; de familie had een huis achter dit huis al in 1610 in gebruik, toen voor
1 gulden en 8 stuivers per jaar ter voldoening van een cijns aan het blok van de
Vismarkt. Gebruiker was toen Jasper, de zoon van een neef van Jans vader. Vanaf
1647 betaalde de weduwe van Jan, Cornelia dus, deze rente, die dan 2 gulden en 2
stuivers bedraagt. In 1662 deed zij dat nog steeds: blijkbaar heeft zij het
bedrijf voortgezet aanvankelijk met de hulp van haar zwager en zus, Jan van Os
en Lijske Tielens, daarna ook van haar kinderen Marijke, Hendrik, Evert en
Joost. Jan stierf wellicht in 1647: op 10 februari schonk "de huis-vrouw van Jan
Hendrix viskoper 3 pond kaas en een erte om dadelijk uit te reiken" aan het blok
van de Vismarkt. Op 30 december is echter sprake van de weduwe van Jan Hendrix.
Zelf overleed zij rond 1675.
In 1630 was Jans tweede zoon geboren. De jongen
werd niet gedoopt in de Sint-Pieter, maar in de Sint-Jan: een teken, dat de
omstandigheden voor de katholieken veranderd waren na de inname van de stad. De
jongen kreeg de naam Everardus, naar zijn overgrootvader van moeders zijde. Deze
Evert stierf al gauw, maar op 31 december 1633 werd opnieuw een Evert ten
doop gehouden in de Sint-Jan door een oom van Jan van moeders zijde en door zijn
schoonzus Lijske.
In 1655 treedt Evert - hij is dan 21 - als getuige op ten
bate van Antonius van Beugen, een Bosch koopman. Hij ondertekent zijn getuigenis
met Evert Jansen des Mensen: de familienaam is weer in ere hersteld! 3 jaar
later trouwt hij met Maria de Bie. Zij woonde aan de haven, dus in Achter de
Mandemakers, en hij in de Kruisstraat. Waarschijnlijk had zijn oudere broer
Hendrik zich toen al alleen gevestigd in het ouderlijk huis De Sim, en woonde
Evert nog met zijn moeder en zijn broer Joost in het huis Onder Onze Lieve
Vrouw. Hij ging na zijn huwelijk aan de Markt wonen, waarschijnlijk als koopman:
regelmatig behartigde hij de belangen van andere kooplui door als getuige op te
treden. Bij het sterven van zijn nicht Jenneke, de dochter van zijn oom Andries,
werd hij momboir, dat is voogd, over haar nog onvolwassen dochters.In 1665
stierf Everts vrouw Maria bij de geboorte van hun vierde dochter, Maria, zusje
van Jenneke, Gerarda en Josina. Evert hertrouwde 1 januari 1668 met Peterke
Peters uit Esch; zij woonde toen net als Evert aan de Markt. Al op 27 januari
werd hun zoon Andries in de Sint-Jan gedoopt. De Sint-Jan was toen in
protestantse handen. De doop heeft dus in een van de schuilkerken
plaatsgevonden. Uit dit huwelijk werden nog 2 kinderen geboren, Anna en
Tieleman. Laatstgenoemde was in 1698 peetoom bij de doop van Liesbeth, dochter
van Andries. Evert trad in deze jaren regelmatig op als getuige bij het passeren
van acten voor de notaris; voor het laatst gebeurde dat op 13 augustus 1674. Op
9 juni 1675 werd Joannes gedoopt, postumus, d.w.z. dat Evert gestorven was.
"Zoon van Everardus en Anna van Beugen", staat er in het doopboek. Nadere
gegevens over de dood van Peterke, het huwelijk met Anna en de dood van Evert
ontbreken.
Voogd over de "onmondige" kinderen van Evert werd hun oom Joost.
Blijkens een acte van 1677 is Hendrik, de oudste broer van Evert en Joost, niet
meer in leven en ook hun moeder niet meer. Anna van Beugen wordt nog genoemd in
een acte van 1679 en bij een doop in 1704. Evert moet onverwacht gestorven zijn,
gezien het feit dat zijn zoon Jan postuum ter wereld kwam. Moeder Anna
van Beugen was een telg van een Bossche familie, maar het huwelijk is niet
geregistreerd. Bij de doop van Jan zijn Cornelius Nieuwland en Elizabeth Cremers
peter en meter. In watvoor betrekking stonden zij tot de families Desmense en
van Beugen? Het is niet bekend. Evenmin wie voogd werd van de vaderloze
Jan.
Deze trouwde in 1702 met Josijntje Costers, die afkomstig was van
Helmond. Er kwamen 6 kinderen, die gedoopt werden in de Sint-Jacob: Magdalena,
Jan, Anna Maria, Johanna, Thomas en Manus. Rond 1730 woonde het gezin aan het
Hinthamereind en was Jan bakker. Later woonde hij in het Caethovenspoortje
(Achter het Stadhuis) en na 1750 in de Ridderstraat als timmerman en
"snuf"winkelier. Josijntje stierf in 1755; omstreeks dezelfde tijd is Jan
waarschijnlijk ook overleden.
Een andere Joannes, zoon van Everts broer
Joost, was een tijdgenoot van Jan; deze Johan was 2 jaar jonger. Hij trouwde met
een meisje uit Bokhoven, Emmerentiana van Eijck. Van beroep was hij
schrijnwerker. In de gildestukken wordt hij regelmatig genoemd als meester die
een leerknaap heeft, zoals in 1703. In 1702 staat opgetekend: "meester gemaeckt
Jan Desmensen, is een borgers soon en heeft sijn proeff gedaen opt
schrijnwerkersambacht". Hij was enkele keren deken van het gilde, voor het
laatst in 1750/1751. Hij bewoonde als eigenaar het huis De Vergulde Wijnkan aan
de Hooge Steenweg.
Terug naar Jan Everts. In 1706 werd zijn oudste zoon
geboren en gedoopt in de Sint Jacob. Deze Jan "de tweede" trouwde in 1733
met Elisabeth Nouwel, die eerder gehuwd was geweest met Jan van Veen, uit welk
huwelijk zij 3 dochters had. Ze kreeg nog 4 kinderen. Jan had aan de Korte
Putstraat een vis- en tabakswinkel. Opmerkelijk is, dat hij in 1746 aan de
Clarastraat woonde als "soldaat onder de Guij". In hun testament van 1760
bepaalden de echtelieden, dat hun zoon Laurens al het speldenmakersgereedschap
zou erven. Wellicht was Jan van Veen speldenmaker geweest. Elisabeth stierf in
1775, Jan 1 jaar later.
Laurens werd geboren in 1738. De naam Laurens
kwam in de familie Desmense niet voor. Dus zal hij wel genoemd zijn naar zijn
opa van moederszijde. Peetoom was zijn oom Thomas, toen 25 jaar, wiens naam
daarna nergens meer genoemd wordt. Laurens werd speldenmaker. In 1762 trouwde
hij met Geertrui Kersten, die 2 jaar jonger was. Zij gingen wonen in de
Beurdsestraat, na 1 jaar aan de Weversplaats te hebben gewoond. Er werden 9
kinderen geboren, van wie er 4 snel stierven. 2 zonen, Jan en Hendrik, werden
ook speldenmaker; deze Jan zou het bedrijf uitbouwen tot een fabriek, waar in
1849 nog 19 volwassenen werkten, maar die kort daarna failliet ging. Jan woonde
toen in de Kolperstraat, Hendrik nog steeds in de Beurdsestraat.
Terug naar
1787. In dat jaar was er een oproer in Den Bosch; er sneuvelden vele ruiten, ook
bij Laurens. Deze overleed in 1793; hete koorts was de doodsoorzaak. Geertrui
overleefde haar man 36 jaar. Zij hertrouwde met Jan Bakkers. Uiteindelijk trok
zij in bij haar zoon Jan. Jan kreeg 2 zoons uit zijn 1e huwelijk, van wie de
oudste op 23 jarige leeftijd stierf en de andere waarschijnlijk nog veel jonger.
3 zoons en 1 dochter kwamen uit zijn 2e huwelijk voort. De 2 oudste zoontjes
stierven al gauw, zoon Piet werd timmerman en molenmaker; 9 maanden na zijn
huwelijk stierf hij, 47 jaar oud. De dochter, Anna, verloor haar eerste man 21/2
maand na het huwelijk: hij overleed te Bergen op Zoom, waar hij gelegerd was. 1
jaar later hertrouwde zij met een 2e luitenant uit hetzelfde garnizoen.
De
jongste zoon van Laurens was Piet. Hij trouwde in 1801 met Agnes van
Uden, die in Den Bosch geboren was. 10 jaar diende hij als sergeant bij de
schutterij. Eerst was hij bakker (in 1802 en ook nog in 1813), later
oudkleerkoper (in 1817) of uitdrager (dat betekent koopman in oude meubelen), en
dat bleef hij. Behalve meubels en kleren kocht hij ook boeken op. Hij woonde
eerst aan de Weversplaats, later in de Korenstraat en de Karrenstraat. In 1843
ging hij failliet. 6 jaar later overleed hij aan cholera, kort na zijn 70e
verjaardag. Hij woonde toen in de Marktwijk (A31). Actes ondertekende hij met P.
Des Mense. Zijn vrouw stierf 8 jaar later. Van hun 11 kinderen stierven er 4
heel jong. Ook 2 dochters stierven betrekkelijk jong, 29 en 31 jaar oud, wel
getrouwd. De laatste had 3 kinderen; omdat ook hun vader 1 jaar later stierf,
werden zij opgenomen in het weeshuis. Dat was eerder al gebeurd met de kinderen
van de andere dochter, wier vader 5 jaar na de moeder stierf. Piet en Agnes
hadden toen om opname in het weeshuis verzocht.De oudste zoon van Piet, Jan, was
schrijnwerker; van diens 12 kinderen werden slechts 3 meisjes en 1 zoon,
Piet, volwassen. Deze Piet was eigenaar van een etablissement in het 2e
Korenstraatje. Hij stond bekend als de dikke Desmense. Hij was getrouwd met
Catharina Nissingh en had 16 kinderen; 1 zoon, Piet, stierf, nog ongehuwd, op 25
jarige leeftijd. Van de dochters werden er 4 volwassen en trouwden met
J.v.d.Voort, M.Wijffelaars, J.v.d.Berge en J.Boelens.
Kort na de invoering
van de burgerlijke stand in 1813 werd aangifte gedaan van de geboorte van Henri
Pierre, Hendrik dus, in de Rue de Blé op le quatorze juillet. Enkele
maanden later zouden de Fransen de Nederlanden verlaten en heette de Rue de Blé
weer gewoon Koren-straat. In 1832 werd Henricus Petrus ingeschreven in het
register van de Nationale Militie. Volgens het signalement had hij bruine ogen,
bruin haar, een hoog voorhoofd, ovaal aangezicht, een spitse neus en kin en een
kleine mond; de wenkbrauwen waren bruin; zijn lengte was 1 el (68 cm), 6 palmen
(60 cm), 2 duimen (2 cm), hetgeen onwaarschijnlijk klein is. 4 jaar later kreeg
hij wegens lichaamsgebreken vrijstelling van militaire dienst.In 1841 trouwde
hij met Marie Appolinne Barré, die toen zonder beroep was (zij was 5 maanden
zwanger) en in Den Bosch woonde; zij was geboren in Belgie, in de Ardennen, waar
haar ouders nog woonden. Het paar betrok een huis in de Visstraat en enkele
jaren later vestigde het zich aan de Smalle Haven, waar het achtereenvolgens
verschillende adressen had.Hendrik was meester blikslager en koperslager; hij
had een koperslagerij en was een van de 17 Bossche koperslagers. Ook werkte hij
als arbeider in de gasfabriek. Er werden 9 kinderen geboren, 3 stierven jong: de
stamhouder Frans en 5 meisjes groeiden op tot volwassenheid. Hendrik stierf 66
jaar oud in 1880; hij woonde toen in de Clarastraat. Zijn vrouw nam 5 jaar later
haar intrek in Nijmegen bij een van haar dochters; zij stierf er in 1889, 74
jaar oud.
Frans werd geboren in 1842; bij de geboorte-aangifte noemde
zijn vader hem François. Deze Franse naam verraadt de afkomst van zijn moeder;
maar ook zijn vader stond ingeschreven onder de naam Henri t.g.v. de Franse
tijd. Voor de nationale militie werd hij, toen hij 19 was, afgekeurd, omdat hij
onder de maat was. Frans trad in de voetsporen van zijn vader en werd
koperslager. Hij trouwde op zijn 25e met Gerardina Zaunbrecher uit Den Bosch,
wier vader afkomstig was van Großenrath, een dorpje in Duitsland dichtbij
Kerkrade en Landgraaf, en getrouwd met een meisje uit Empel. Deze Caspar was
olieslagersknecht.
Frans werd om zijn beroep "de koperen" genoemd. Eerst
woonde de familie in de Schilderstraat, later aan het Hinthamereinde. De smidse
was op de hoek van de Pijnappelstraat bij de tramremise, waar een poort was.
Teulings vertelt over Frans in zijn boekje Jeugd in een oude stad, dat hij graag
een borreltje dronk. Er werden 7 kinderen geboren, van wie een meisje 3 jaar oud
stierf. Moeder was baker en was daardoor regelmatig niet thuis. Zo kwam het, dat
van de kinderen Anneke opgroeide in het gezin Dirks, een slager aan het
Hinthamereinde, samen met Harry Lambermont. 1 dag voor zijn 58e verjaardag
stierf Frans. Hij werd begraven op het kerkhof in Orthen. Zijn vrouw ging wonen
in de Muntelstraat. Daar woonde tot zijn huwelijk ook de oudste zoon Willem, en
zoon Jan.
De middelste zoon was Toon, geboren in 1882. Hij was
ijzergieter/kernmaker, dat wil zeggen dat hij vormen maakte; hij werkte bij Lips
in Den Bosch. In 1907 trouwde hij met Sien Beauchampet. Ze woonden eerst op
Lombok, later in de Berewoutstraat. Hun kinderen waren Dientje, Anna, Pauke, Cis
en Wim. Dientje en Pauke stierven kort na elkaar in 1915 aan tbc.
Toon stierf in 1922. Zijn vrouw hertrouwde in 1924 met haar zwager
Willem. In 1926 werd hun zoon Toon geboren; hij zou de laatste van de
Desmense-loodgieters worden. Willem stierf in het voor ons land eerste jaar van
de Tweede Wereldoorlog, op de dag die later de trouwdag zou worden van
ondergetekende. Ik heb de beide opa's, naar wie ik genoemd ben, dus niet gekend
tenzij uit de verhalen over hen van familieleden. Mijn oma Desmense hield er een
kruidenierszaakje op na. Iedere zondagmorgen gingen we met mijn vader bij haar
op bezoek. We mochten dan van mijn vader en van ome Toon ieder voor 5 cent iets
kopen in oma's winkeltje: kauwgom, spek, snoeppapier, salmiak of drop. Bij haar
in huis had zij in die tijd ook haar zwager, "ome Jantje" en haar schoonzus
"tante Anneke". Oma stierf in 1967. Van haar kinderen stierven Anna en Cis in
1997 en Toon in 1999; hij was gehuwd met Mieke van Liempt (gestorven in 2006) en ze kregen 2 kinderen, Josephine en Willem . Als laatste van die generatie Desmenses overleed mijn vader Wim in 2005. Hij werkte als boekhouder bij uitgeverij de Spaarnestad. In 1943 trouwde hij met Marianne Weijts; zij stierf in 2003. Na afloop van de oorlog gingen zij wonen boven het kantoor waar hij werkte, aan de Stationsweg. Toen dat werd opgeheven, verhuisden ze met ons, hun kinderen Wilton en Peter, naar de Mechelenstraat.
De huidige generaties: