Woordenschat groep 6 les 17 les A en B

1. Hij wist niet meer wat hij moest zeggen.
Met de mond vol
staan.
2. "Je bent een grote leugenaar!" riep Mieke.
Liegen of het
staat.
3. Halverwege de berg durfde de bergbeklimmer niet verder.
De moed zonk hem in de
.
4. Die zwerver is elke dag dronken .
Hij is in de
.
5. Mijn beste vriendin is verhuisd. Ik hoor nooit meer iets van haar.
Uit het oog , uit het
.
6. Opa is al een hele tijd erg verdrietig .
In de
zitten .

B. Zie je het verband?
zwaar/ zwaarte
diep /

druk /

warm /

ver /

dik /

breed /

heet /