Franz Kafka (1883-1924)
Een verslag voor een academie
Ein Bericht fûr eine Akademie
vert. Wil Boesten 1990
Zeer geachte heren van de academie!
U bewijst me de eer me uit te nodigen de academie een verslag van mijn vroegere leven als aap aan te bieden.
In deze zin kan ik de uitnodiging helaas niet aannemen. Bijna vijf jaar scheiden me van het apendom, een korte tijd volgens de kalender misschien, maar oneindig lang om doorheen te hollen zoals ik heb gedaan, soms een stuk begeleid door voortreffelijke mensen, goede raad, bijval en orkestmuziek, maar eigenlijk alleen, want alle begeleiding bleef, om bij mijn beeld te blijven, ver van de scheidsmuur. Deze prestatie zou onmogelijk zijn geweest als ik koppig aan mijn origine, aan de herinneringen aan mijn jeugd had willen vasthouden. Afzien van elke koppigheid was juist het allereerste gebod dat ik mezelf had opgelegd; ik, vrije aap, schikte me naar dit juk. Daardoor sloten mijn herinneringen van hun kant zich steeds meer voor mij af. Stond mijn terugkeer door de poort die de hemel boven de aarde vormt, me eerst vrij als de mensen het hadden gewild, ze werd tegelijk met mijn voortgejaagde ontwikkeling steeds lager en nauwer; ik voelde me behaaglijker en meer opgesloten in de mensenwereld; de storm die me uit mijn verleden achterna blies, ging liggen; vandaag de dag is het nog maar een tochtstroom die mijn hielen koelt; en het gat in de verte waar hij doorheen komt, is zo klein geworden dat ik, wanneer mijn kracht en wil toereikend zouden zijn om tot daar terug te lopen, het vel van mijn lijf zou moeten villen om erdoorheen te komen. Eerlijk gezegd, hoe graag ik ook beeldspraak gebruik voor deze zaken, eerlijk gezegd: uw apendom, mijne heren, voor zover iets dergelijks achter u ligt, kan niet verder van u af staan dan het mijne van mij. Jeuk aan zijn hielen voelt daarentegen iedereen die op deze aarde rondloopt: de kleine chimpansee evenzeer als de grote Achilles.
In de meest beperkte zin kan ik uw vraag echter misschien toch beantwoorden en dat doe ik zelfs met veel plezier.
Het eerste dat ik leerde, was: een handdruk geven; iemand de hand drukken geeft blijk van oprechtheid. Dat dan vandaag, terwijl ik op het hoogtepunt van mijn loopbaan ben, na die eerste handdruk het eerste oprechte woord zich erbij voege. Het zal de academie niets wezenlijk nieuws leren en ver achterblijven bij datgene wat men mij heeft gevraagd en wat ik met de beste wil van de wereld niet kan zeggen.
- Desalniettemin, het moet de gedragsregels laten zien volgens welke een gewezen aap in de mensenwereld is binnengedrongen en zich heeft gevestigd. Toch zou ik ook het weinige dat zal volgen, zeker niet mogen zeggen wanneer ik niet geheel zeker van mezelf zou zijn en mijn positie aan alle grote variétépodia van de beschaafde wereld niet tot het onwankelbare zou zijn geconsolideerd.
Ik kom van de Goudkust. Voor de manier waarop ik gevangen ben genomen, ben ik afhankelijk van andermans verslagen. Een jachtexpeditie van de Firma Hagenbeck -met de aanvoerder heb ik inmiddels menige goede fles rode wijn geleegd- lag in een hinderlaag tussen de struiken op de oever, toen ik op een avond in een roedel naar de drinkplaats liep. Er werd geschoten; ik was de enige die geraakt werd, ik kreeg twee treffers.
Een in mijn wang; dat was een lichte, maar liet een groot kaal litteken na, dat me de walgelijke, geheel en al ontoepasselijke, letterlijk door een aap uitgevonden naam 'rode Peter' heeft bezorgd, alsof ik me van het onlangs gecrepeerde, hier en daar bekende, gedresseerde aapdier Peter alleen door die rode vlek op mijn wang zou onderscheiden. Dit terzijde.
Het tweede schot trof me onder mijn heup. Het was een zware wond, die heeft gemaakt dat ik tegenwoordig nog steeds een beetje hink. Laatst las ik in een artikel van een van die tienduizend windbuilen die zich in de krant over mij uitlaten, dat mijn apenmanieren nog niet helemaal onderdrukt zouden zijn; bewijs daarvoor zou zijn dat ik, wanneer er bezoek komt, bij voorkeur mijn broek uittrek om de plaats van het schot te laten zien. Die kerel zouden ze een voor een alle vingertjes van de hand waarmee hij schrijft, af moeten knallen. Ik mag mijn broek uittrekken in het bijzijn van wie ik belief; daar is niets anders te zien dan een goedverzorgde vacht en het litteken dat bleef na een -laat ik hier met een bepaald doel een bepaald woord kiezen, dat echter niet misverstaan mag worden- het litteken dat bleef na een misdadig schot. Alles ligt open en bloot, er valt niets te verbergen; wanneer het op de waarheid aankomt, werpt ieder onbekrompen persoon de allerbeste manieren van zich af. Zou de desbetreffende schrijver echter zijn broek uittrekken wanneer hij bezoek kreeg, dan zou dit er evenwel heel anders uitzien en ik zal het als een blijk van verstand opvatten, dat hij dat niet doet. Maar laat hij me dan ook zijn kiesheid besparen.
Na die schoten kwam ik bij -en hier begint langzamerhand mijn eigen herinnering- in een kooi op het tussendek van het schip van Hagenbeck. Het was geen kooi met vier zijden, veeleer waren drie zijden aan een kist bevestigd, de kist vormde dus de vierde zijde. Het geheel was te klein om rechtop te staan en te smal om te zitten. Dientengevolge hurkte ik met naar binnen gebogen, voortdurend trillende knieën, omdat ik voorlopig waarschijnlijk niemand zou zien en altijd maar in het donker wilde zitten, naar de kist toegekeerd, terwijl op mijn rug de tralies in mijn vlees sneden. Men denkt dat het gunstig is wilde dieren de eerste tijd zo te houden, en ik kan nu na mijn ervaringen niet ontkennen dat dit vanuit het menselijk standpunt gezien, inderdaad het geval is.
Maar daaraan dacht ik toen niet. Voor het eerst in mijn leven zag ik geen uitweg; in ieder geval kon ik niet vooruit; recht voor me was de kist, iedere plank stevig tegen de andere aan. Weliswaar zat er een doorlopende scheur tussen de planken die ik toen ik haar voor het eerst ontdekte, begroette met het gehuil der onwetendheid, maar die opening was niet eens groot genoeg om je staart door te steken en was met alle kracht van een aap niet te verbreden.
Ik schijn, zoals men mij later vertelde, bijzonder weinig lawaai te hebben gemaakt, waaruit men concludeerde dat ik ofwel spoedig zou sterven, of wanneer het mij zou lukken de eerste cruciale tijd te overleven, bijzonder geschikt zou zijn voor dressuur. Ik overleefde die tijd. Gedempt gesnik, smartelijk vlooien zoeken, vermoeid likken aan een kokosnoot, met mijn kop tegen de kistwand stoten, tong uitsteken wanneer iemand dicht bij me kwam -dat waren de eerste bezigheden in mijn nieuwe leven. Bij dat alles echter toch alleen dat ene gevoel: geen uitweg. Ik kan het toentertijd op apenmanier gevoelde nu natuurlijk alleen met mensentaal schetsen en als gevolg daarvan verteken ik het, maar ook al kan ik de oude apenwaarheid niet meer terughalen, ze ligt in ieder geval in de richting van mijn schets, dat lijdt geen twijfel.
Tot dusverre had ik toch zoveel uitwegen gehad en nu niet één meer. Ik was vastgelopen. Al had men mij vastgespijkerd, mijn bewegingsvrijheid zou daardoor niet kleiner zijn geworden. Hoezo? Krab het vlees tussen je tenen open en je zult de reden niet vinden. Druk je rug tegen de tralies tot ze je bijna in tweeën delen, je zult de reden niet vinden. Ik had geen uitweg, maar moest me er een verschaffen want zonder kon ik niet leven. Altijd tegen deze kastwand aan, ik zou onherroepelijk gecrepeerd zijn. Maar bij Hagenbeck horen apen tegen die kastwand aan, dus hield ik op aap te zijn. Een heldere, mooie gedachtegang, die ik op de een of andere manier met mijn buik moet hebben uitgebroed, want apen denken met hun buik.
Ik ben bang dat men niet precies begrijpt wat ik onder uitweg versta. Ik gebruik het woord in zijn meest alledaagse en meest intense betekenis. Ik zeg met opzet niet vrijheid. Ik bedoel niet dat grote gevoel van vrijheid naar alle kanten. Als aap kende ik dat misschien en ik heb mensen leren kennen die ernaar verlangen. Maar wat mij betreft, ik eis geen vrijheid, toen niet en nu niet. Terzijde: met vrijheid bedriegt de mens zich al te vaak. En zoals de vrijheid bij de meest grootse gevoelens hoort, hoort ook de erbij behorende ontgoocheling tot de meest grootse. In de variététheaters heb ik vaak voor mijn optreden een of ander artiestenpaar boven in de nok met trapezes bezig gezien. Ze zwaaiden omhoog, ze schommelden, ze sprongen, zweefden in elkaars armen, de een hield de ander met zijn tanden bij de haren. Ook dat is mensenvrijheid, dacht ik, eigenmachtige beweging. Oh spotternij met de heilige natuur! Geen bouwwerk zou stand houden onder het gelach van de aapheid bij een dergelijke aanblik.
Nee, vrijheid wilde ik niet. Alleen een uitweg; rechts, links, waar dan ook. Een andere eis had ik niet; ook al was de uitweg maar bedrog; de eis was klein, de teleurstelling zou wel niet groter zijn. Vooruitkomen, vooruitkomen. Vooral niet met opgeheven armen, tegen een kistwand aangedrukt, stilstaan.
Nu heb ik het door: zonder de grootst mogelijke innerlijke rust had ik nooit kunnen ontsnappen. En misschien heb ik inderdaad alles te danken aan de rust die na de eerste dagen daar op het schip over me kwam. Die rust had ik waarschijnlijk weer te danken aan de bemanning op het schip.
Het zijn goede mensen, ondanks alles. Ik denk nog graag terug aan het geluid van hun zware passen, dat toen in mijn halfslaap weerklonk. Ze hadden de gewoonte alles uiterst langzaam aan te pakken. Als iemand zich de ogen wilde uitwrijven, hief hij zijn hand op alsof het een gewicht was. Hun grappen waren grof, maar hartelijk. Hun lachen was altijd met een gevaarlijk klinkend, maar niets betekenend, gehoest vermengd. Ze hadden altijd iets in hun mond om uit te spugen en waarheen ze spuugden, was hun om het even. Ze klaagden voortdurend dat mijn vlooien op hen oversprongen; maar ze waren daarom niet erg boos op me; ze wisten nu eenmaal, dat vlooien in mijn vacht gedijen en dat vlooien springen; ze berustten erin. Wanneer ze geen dienst hadden, kwamen er soms een paar in een halve cirkel om me heen zitten, zeiden niets, maar kirden alleen naar elkaar, rookten, uitgestrekt op kisten hun pijp, sloegen op hun knieën zodra ik ook maar de kleinste beweging maakte; af en toe pakte er een een stokje en kietelde me daar waar ik het prettig vond. Wanneer ik nu zou worden uitgenodigd een reis op dat schip mee te maken, dan zou ik de uitnodiging zeker afslaan, maar net zo zeker is het, dat het niet alleen onaangename herinneringen zouden zijn waar ik daar op het tussendek weemoedig aan terug zou kunnen denken.
De rust die in de omgeving van deze mensen over me kwam, weerhield me van iedere poging te vluchten. Terugkijkend lijkt het, alsof ik in ieder geval vermoedde dat ik een uitweg zou moeten vinden, als ik wilde overleven, maar dat deze uitweg niet te bereiken zou zijn door te vluchten. Ik weet niet meer of het mogelijk was te vluchten, maar ik geloof van wel; het moet voor een aap altijd mogelijk zijn te vluchten. Tegenwoordig moet ik zelfs bij het noten kraken al voorzichtig zijn met mijn tanden, maar toentertijd had het me na verloop van tijd moeten lukken het slot door te bijten. Ik deed het niet. Wat zou ik er ook mee hebben gewonnen? Nauwelijks zou ik mijn hoofd naar buiten hebben gestoken of men zou me weer hebben gevangen en in een nog zwaardere kooi hebben opgesloten; of ik had onopgemerkt naar de andere dieren kunnen vluchten, naar de reuzenslangen tegenover me bijvoorbeeld en in hun omarming mijn laatste adem uitgeblazen; of als het me zelfs gelukt zou zijn naar het dek te sluipen en overboord te springen, zou ik een tijdje op de oceaan hebben gedobberd en verzopen zijn. Wanhoopsdaden. Ik woog de dingen niet zo menselijk af maar onder invloed van mijn omgeving gedroeg ik me alsof ik de afweging wel had gemaakt.
Ik woog niet af maar ik observeerde wel degelijk in alle rust. Ik zag deze mensen op en neer lopen, voortdurend dezelfde gezichten, dezelfde beweging, vaak scheen het mij toe alsof het er maar een was. Deze mens, of deze mensen liepen dus ongehinderd. Een verheven doel kwam mij voor ogen. Niemand beloofde mij dat, wanneer ik precies zo zou worden als zij, de tralies zouden worden opgetrokken. Zulke beloften worden niet gegeven voor schijnbaar onmogelijke vervullingen. Maar doet men de vervulling gestand, dan verschijnen achteraf ook de beloften, precies daar waar je ze vroeger tevergeefs hebt gezocht. Nu was er aan die mensen op zich niets wat mij erg aantrok. Als ik een aanhanger van de juist genoemde vrijheid zou zijn geweest, zou ik zeker de oceaan hebben verkozen boven de uitweg die zich in de sombere blik van deze mensen aan mij vertoonde. In ieder geval observeerde ik ze al lang voordien, voor ik aan zulke zaken dacht, ja, de opgehoopte observaties drongen me pas in die bepaalde richting.
Het was zo gemakkelijk die mensen na te doen. Spugen kon ik al na een paar dagen. We spuugden elkaar dan wederzijds in het gezicht, het verschil was alleen dat ik erna mijn gezicht schoon likte, zij het hunne niet. Pijp rookte ik spoedig als een 'ouwe', als ik dan ook nog mijn duim in de kop van de pijp drukte, juichte het hele tussendek, alleen het verschil tussen een lege en een gestopte pijp begreep ik lange tijd niet.
De meeste moeite bezorgde de jeneverfles me. De geur was een marteling voor me, ik dwong mezelf uit alle macht, maar het duurde weken voordat ik mezelf overwon. Deze innerlijke strijd werd door de mensen op de een of andere manier serieuzer genomen dan al het andere aan mij. Ik kan de mensen ook in mijn herinnering niet uit elkaar houden, maar er was er een die steeds terug kwam, alleen of met een kameraad, overdag, 's nachts, op de meest uiteenlopende tijdstippen, zette de fles voor me neer en gaf me les. Hij begreep me niet, hij wilde het raadsel van mijn bestaan oplossen. Langzaam ontkurkte hij de fles en keek me dan aan om te zien of ik het had begrepen; ik geef toe, ik sloeg hem altijd met wilde, met razende belangstelling gade, zo'n mensenleerling vindt een mensenleraar op de hele aardbol niet; nadat hij de fles had ontkurkt, zette hij haar aan zijn mond; ik volgde hem met mijn blik, tot in zijn keel; hij knikt, tevreden over me en zet de fles aan zijn lippen; ik, verrukt door het geleidelijke inzicht, krab me kraaiend over mijn hele lichaam, waar het maar uitkomt; hij is blij, zet zijn fles aan zijn mond en neemt een slok; ik, ongeduldig en vertwijfeld om hem na te doen, bevuil mezelf in mijn kooi, wat hem weer grote voldoening bezorgt; en nu weer; de fles ver van zich af houdend en haar met een zwaai weer optillend, drinkt hij haar, overdreven belerend achterovergebogen, in één teug leeg. Ik, afgemat door het al te grote verlangen, kan het niet meer volgen en hang zwakjes in de tralies, terwijl hij het theoretische onderwijs afsluit door zich over zijn buik te wrijven en te grijnzen.
Nu pas begint de praktische oefening. Ben ik niet al te zeer vermoeid door het theoretische? Jawel, al te vermoeid. Dat hoort bij mijn lot. Desondanks grijp ik zo goed als ik kan naar de aangereikte fles, ontkurk haar trillend, als dat lukt, doe ik allengs nieuwe krachten op, ik til de fles op, van het voorbeeld al nauwelijks te onderscheiden, zet haar aan mijn mond en -en gooi haar vol afschuw, vol afschuw, hoewel ze leeg is en alleen nog met geur gevuld, gooi haar vol afschuw op de grond. Tot verdriet van mijn leraar, tot nog groter verdriet van mezelf; noch hem noch mezelf verzoen ik daardoor dat ik ook na het weggooien van de fles niet vergeet uitstekend over mijn buik te wrijven en daarbij te grijnzen.
Zo verliep het onderwijs maar al te vaak. En tot eer van mijn leraar, hij was niet boos op me; wel hield hij af en toe zijn pijp aan mijn vel tot het op een plek waar ik maar moeilijk bij kon, begon te smeulen, maar dan doofde hij het weer met zijn reusachtige, goedige hand, hij was niet boos op me, hij zag in dat we aan dezelfde zijde tegen de apennatuur streden en dat ik het zwaardere deel had.
Wat een overwinning evenwel, zowel voor hem als voor mij, toen ik op een avond voor een grote kring van toeschouwers -misschien was er een feest, er speelde een grammofoon en een officier maakte een ommetje tussen de mannen- toen ik op die avond, terwijl juist niemand op me lette, een per ongeluk voor mijn kooi staan gebleven jeneverfles greep, haar onder toenemende aandacht van het gezelschap ontkurkte zoals ik het had geleerd, aan mijn mond zette en haar zonder aarzelen, zonder mijn mond te vertrekken, als een beroepsdrinker; met ronddraaiende ogen en klokkende keel, werkelijk en waarachtig leeg dronk, niet langer als vertwijfelde, maar als kunstenaar de fles wegwierp, weliswaar vergat over mijn buik te wrijven, maar daarvoor in de plaats, omdat ik niet anders kon, omdat ik ertoe werd gedwongen doordat mijn zintuigen bruisten, kort en bondig, "Hallo" riep, in mensentaal uitbarstte, met deze uitroep de mensengemeenschap binnensprong en hun echo: "Luister; hij kan spreken", als een kus over mijn hele van zweet druipende lichaam voelde.
Ik herhaal: ik kwam niet in de verleiding de mensen na te doen, ik deed na omdat ik een uitweg zocht, om geen andere reden. Bovendien had ik met die overwinning nog weinig bereikt. De stem liet me meteen weer in de steek, ze verscheen pas maanden later; de weerzin tegen de jeneverfles werd zelfs nog sterker. Maar mijn richting was me in ieder geval eens en voor altijd gewezen.
Toen ik in Hamburg aan mijn eerste dresseur werd overgedragen, besefte ik al snel de twee mogelijkheden die voor mij open lagen: dierentuin of variété. Ik twijfelde niet. Ik zei bij mezelf: "Zet alles op alles om bij het variété te komen; dat is de uitweg; de dierentuin betekent alleen een nieuwe kooi met tralies, als je daarin terecht komt, ben je verloren."
En ik leerde, mijne heren. Ach, je leert als je moet, je leert als je een uitweg wilt, je leert onverbiddelijk. Je bewaakt jezelf met de zweep, je scheurt jezelf aan stukken bij de geringste tegenstand. De apennatuur raasde, zichzelf omverkegelend, uit mij naar buiten en weg, zodat mijn eerste leraar er zelf bijna aaps van werd, het onderwijs al snel moest opgeven en in een zenuwinrichting moest worden opgenomen. Gelukkig kwam hij er snel weer uit.
Maar ik versleet veel leraren, ja, zelfs een paar leraren tegelijkertijd. Toen ik al zekerder was geworden van mijn capaciteiten en de buitenwereld mijn vorderingen volgde, mijn toekomst begon te stralen, nam ikzelf de leraren aan, liet ze in vijf naast elkaar gelegen kamers zitten en leerde bij allemaal tegelijk, doordat ik voortdurend van de ene kamer naar de andere sprong.
Die vorderingen! Dat van alle kanten in mijn ontwakende brein doordringen van de stralen van het weten! Ik loochen het niet, het verblijdde me. Maar ik moet ook bekennen dat ik het niet overschatte, toen al niet en tegenwoordig nog minder. Door een inspanning die tot nu toe op aarde niet is herhaald, heb ik de doorsnee-ontwikkeling van een Europeaan bereikt. Dat zou op zich misschien helemaal niets voorstellen, maar stelt toch iets voor, in zoverre dat het me uit die kooi hielp en me deze bijzondere uitweg, deze mensenuitweg, verschafte. Er is een uitstekende Duitse zegswijze: z'n hielen lichten; dat heb ik gedaan, ik heb mijn hielen gelicht. Ik had geen andere keus, er steeds van uitgaand dat de vrijheid niet kon worden gekozen.
Wanneer ik mijn ontwikkeling en haar doel tot nu toe overzie, dan klaag ik niet, maar ik ben ook niet tevreden. Met mijn handen in mijn broekzak, een fles wijn op tafel, lig ik half, zit ik half in de schommelstoel en kijk uit het raam. Komt er bezoek, dan ontvang ik het zoals het betaamt. Mijn impresario zit in de voorkamer, wanneer ik schel, komt hij en luistert naar wat ik heb te zeggen. 's Avonds heb ik bijna altijd een voorstelling en ik heb nauwelijks meer te overtreffen succes. Wanneer ik 's nachts thuis kom van banketten, wetenschappelijke bijeenkomsten, gezellig samenzijn, dan wacht een kleine vrouwtjes-chimpansee op mij en ik amuseer me met haar op apenmanier. Overdag wil ik haar niet zien; ze heeft namelijk de waanzin van het verwarde gedresseerde dier in haar ogen; dat herken ik alleen en ik kan het niet verdragen.
Over het algemeen heb ik in ieder geval bereikt wat ik wilde bereiken. Laat men niet zeggen dat het niet de moeite waard zou zijn geweest. Voor de rest wil ik van niemand een oordeel, ik wil alleen kennis verspreiden, ik doe alleen verslag, ook u, geachte heren van de academie, heb ik alleen verslag gedaan.
|